Nee, ik ben, evenals Sander Bax, niet zo somber gestemd over onze literaire toekomst: ‘De literatuur gedraagt zich als ieder medium in tijden van mediarevolutie: onder invloed van nieuwere media past het “oude” medium zich aan en vindt het zichzelf opnieuw uit.’

Griste in de bibliotheek twee boeken van Uitgeverij Vleugels mee: Drie broodjes in Le Bourget van Jean Echenoz en Twee zomers van Erik Orsenna. Twee Franse schrijvers. Een vertelling en een roman. Ik kan me de laatste tijd maar moeilijk tot het lezen van poëzie zetten. Gedichten schijnen me thans als irrelevant toe. Ik meen dat Huub Beurskens onlangs ook iets dergelijks overkwam.

Gaat vanzelf wel weer over. Of niet. (Jawel.)

De lachwexit. A sad story.

Dronryp, 2019 © Ton van ’t Hof

Ecopoëzie reageert op de desastreuze invloed van de mens op zijn leefomgeving, die veelomvattend is: we hebben de hoeveelheid radioactiviteit op aarde vergroot, het milieu met giftige stoffen verontreinigd, de atmosfeer en oceanen opgewarmd, planten en dieren laten uitsterven, bodem en watervoorraden uitgeput.

Aan dit onbedoelde catastrofale experiment van de mens met zijn eigen life-support system kan alleen een einde worden gemaakt met een waaier aan georkestreerde noodgrepen. Ecogedichten kunnen de bewustwording bevorderen van de milieuproblematiek.

Momenteel maakt ecopoëzie een snelle ontwikkeling door. Vooral in de VS verschijnen veel publicaties op dit gebied – dichtbundels, bloemlezingen en ecokritieken. In Nederland kan werk van Xavier Roelens en Maartje Smits tot de ecopoëzie worden gerekend. Mijn gedicht Obsoleet.nl gaat over planten en dieren die in Nederland uitgestorven zijn.

Al in 2007 ontwikkelde Sven Vitse een ecokritisch perspectief om o.a. ‘natuurdichter’ Huub Beurskens beter te kunnen lezen. Hierin schildert Vitse poëzie als methode af om natuurervaringen te conserveren:

‘Van het unieke in de natuur kan men hoogstens in een flits iets ervaren; om die ervaring te bewaren heeft men culturele hulpmiddelen nodig, zoals het gedicht.’

Voor als de natuur straks verdwenen is; het vers als museum.

Duitsland-Zweden, gisteravond. Voorbeschouwing. Terwijl zijn buurman een vraag beantwoordt, staart Hugo Borst naar zijn nagels. Borst hangt er al een paar dagen verveeld bij. Hij wordt dik betaald om het de kijker naar de zin te maken, maar minacht alleen maar.  Eergisteren had hij gedurende de wedstrijd nog de krant zitten lezen. Donder dan op, man!

Als de Duitsers verliezen kunnen ze naar huis. Ondertussen probeert Hennie op haar tablet nieuwe kapsels uit. ‘Hoe vind je dit?’ En, als Draxler net voorlangs schiet: ‘Hahah, kijk deze dan!’ Twee schermen tegelijkertijd gaat niet. Zweden wordt een zuivere penalty onthouden. Bo, een van onze katten, ligt, zoals zo vaak, bovenop me.

Hoewel de Duitsers voor rust 70% balbezit hebben, scoren de Scandinaviërs: 0-1. Borst houdt in de rust zijn mond, wordt ook niets gevraagd. Na rust stelt Duitsland, zij het op het nippertje, orde op zaken: 2-1. ‘Voetbal zegeviert,’ zegt Borst, ‘je moet er toch niet aan denken dat Zweden met dit antivoetbal gewonnen zou hebben.’ Ik knik, moet hem hierin gelijk geven.

A.H.J. Dautzenberg in een brief aan Gerbrand Bakker, opgenomen in Ik bestaat uit twee letters (De Arbeiderspers, 2018): ‘Ik weet nog dat je tijdens mijn bezoek in de Eifel zei dat je het zo heerlijk vond om verslag te doen van je leven. Het schrijven van romans vond je maar aanstellerij, daar was je wel klaar mee, het bijhouden van een dagboek ervoer je als een zegen voor je (stokkende) schrijverschap. Misschien moet ik er nog even in komen, maar vooralsnog vind ik het behoorlijk zwaar om het vergrootglas voortdurend op mezelf te richten. Aan de ene kant vind ik het best prettig om mezelf en mijn omgeving een jaar lang te bespieden en te ontleden, aan de andere kant ervaar ik het bijhouden van een dagboek als narcistisch en ijdeltuiterij – ik dit, ik dat. Dat spanningsveld vréét energie.’

Huub Beurskens beschimpte de publicatie van egodocumenten onlangs nog als het voldoen aan ‘de kletsbehoefte van de vigerende bekentenis- en beschuldigingscultuur’. Wat natuurlijk klinkklare nonsens is. Het dagboek is heel wat ouder dan de roman bijvoorbeeld.

In een dagboek draait het volgens Martin Ros om het ‘zichzelf toespreken, troosten, vermanen, inventaris opmaken om weer vooruit te kunnen gaan en verder te kunnen springen.’

Nog een mening, ditmaal van Paul Léautaud: ‘Als ze helder en waarachtig geschreven zijn, door lui met pit die een welgevuld leven achter zich hebben, door mensen die weten te observeren en te vertellen, zijn dagboeken de schrifturen die bij het ouder worden het meest waard blijven gelezen te worden.’

Overigens herinner ik me van Beurskens nog een serie blogberichten, getiteld Weg van de literaire receptie, waarin hij op niets en niemand ontziende wijze zijn frustraties spuide over de literaire wereld en zijn positie daarin. Kennelijk heeft Beurskens twee gezichten.

Voor iedere dagboekschrijver is zijn eigen huichelarij een dankbaar onderwerp. Of zou dat moeten zijn. Een thema dat klam en zwaar is, zich verzet tegen ademhalen.

Alleen toen we vertrokken was het droog. Nog voor we de stad uit fietsten begon het te miezeren. En dat deed het twee uur later, toen we thuiskwamen, nog. Voordeel: we zijn nauwelijks andere mensen tegengekomen. En ook de vogels verwelkomden het frisse bad, floten om het hardst.

933B980B-4748-4B04-9F9C-8ED88400B1BB
Tytsjerk, 2018 © Ton van ’t Hof