Randwegen, zwerfpaden, ingevingen

‘I don’t want to make poems that tell you what to think but that show a different order of thinking.’ – Charles Bernstein

Aan het einde van zijn intensieve bespreking van Çağlar Köseoğlu’s bundel 34 verzucht Laurens Ham: ‘Wat is het toch met geëngageerde kunstenaars, dat ze expliciete politieke kritiek in de laatste decennia zozeer tot een taboe hebben verklaard?’ Deze vraag, waar hij verder niet op ingaat, blijkt een opstapje te zijn naar een pleidooi voor ‘het gebruik van een alledaagse taal’ in poëzie, opdat ‘een authentiek links geluid’ bij een groter publiek ‘weerklank’ kan vinden.

Ham haakt hier in op een poëtische discussie die met enige regelmaat de kop opsteekt en draait om ‘tegenstellingen tussen moeilijk en gemakkelijk, tekstgericht en publieksgericht, commercieel en ideëel, populair en elitair, open en hermetisch’ [1]. Ik vind dit een ongemakkelijke discussie, die druk uitoefent op het nemen van stelling, het maken van een keuze, waar ik diversiteit voorsta.

Ik heb dus niets tegen alledaagse of onalledaagse taal in poëzie. Iedere dichter zingt zoals hij gebekt is. Wel geloof ik dat poëzie eerst en vooral over vorm gaat, de wijze waarop wordt omgesprongen met ‘de onvermijdelijkheid van metafoor, de taligheid van perceptie, de schoonheid van dwalingen, de ketenen van de logica, de mogelijkheden van het toeval’ [2]. In tegenstelling tot de ‘syllogistische rationaliteit’ waar gefundeerde politieke kritiek om vraagt, flirt poëzie nogal eens met onsamenhangendheid en tegenstrijdigheden, kan ze alle kanten uitwaaieren. Een verschil dat moeilijk overbrugbaar lijkt.

Misschien vinden we in deze omstandigheid een oorzaak van weerstand tegen expliciete politieke kritiek in gedichten.

[1] Altijd weer vogels die nesten beginnen, Hugo Brems, Uitgeverij Bert Bakker, 2006.
[2]The Task of Poetics, the Fate of Innovation, and the Aesthetics of Criticism‘, Charles Bernstein, essay, 2008.