Fluctuatievariatie en mutatievariatie

Ook binnen de poëzie kunnen we twee vormen van variatie waarnemen: fluctuatievariatie en mutatievariatie. De eerste gaat uit van variatie binnen de normaalverdeling, en de tweede van een sprongsgewijze variatie. Fluctuatievariatie is een kenmerk van mainstream poëzie, mutatievariatie van experimentele poëzie. Evolutie binnen de poëzie vindt plaats op basis van mutatie.

Uit de laatste Poëziekrant (jul-aug 2014) zijn me bijgebleven:
(1) De literaire wandeling door Mechelen in de voetsporen van Herman de Coninck: heerlijke reportage met veel weetfeitjes.
(2) De bespreking van Johanna Geels’ Wildberichten (Marmer, 2014): waarin de mooiste dichtregels van dit nummer voorkomen:

Houd gedachten bij elkaar mijn kind, fluisterde oma
in mijn oor, de duivel komt altijd in fragmenten.

Opmerkelijk is het slot van de bespreking: ‘met deze derde bundel bewijst Geels definitief dat zij een van de belangrijkste Nederlandstalige dichters (m/v) van dit moment is.’ Een krasse uitspraak van recensent Koen Vergeer, waarlangs ik mijn eigen meetlat wel wil leggen. Ergens hier ligt nog een boekenbon.

(Dit bericht verscheen eerder, op 25-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Schaarse aandacht

Hoe ouder ik word, hoe vaker ik de geschiedenis in herhalingen zie vervallen. Als Cees Nooteboom in Een middag in Bruay uit een ingezonden brief van een Algerijnse schooljongen citeert, moet ik aan misnoegde jihadgangers denken. Nooteboom in 1962:

‘Hij haat de Fransen om hun welvaart en omdat ze rijk zijn en hem verpletteren. […] “Ik haat ze,” zegt hij, “omdat ze degenereren,” en dat is waarschijnlijk de gevaarlijkste waarheid die hij aan het hele nieuwe Europa kon toedienen.’

Daarna naar de bibliotheek, waar ik constateer dat alle eigentijdse poëzie is uitgeleend en ik naar een restje staar dat veel weg heeft van een canon van voor de mammoetwet. Of zou er hier iets anders aan de hand zijn? Ik pak een dagboek van Koos van Zomeren en fiets peinzend naar huis.

Thuis lees ik in Rekto:verso een onderhoudend stuk van Kila van der Starre over poëzie en onderwijs: ‘Geef poëzie een toekomst’. Het geeft inzicht in de wijze waarop poëzieonderwijs tegenwoordig wordt gegeven en hoe het zou kunnen worden verbeterd. Ik blijf wat langer stilstaan bij de onderbouwing van nut en noodzaak van poëzie:

‘Dirk Terryn, werkzaam bij CANON Cultuurcel en voormalig leraar Nederlands, legt uit dat bij het lezen van poëzie een andere manier van denken geactiveerd wordt: “Leerlingen worden door poëzie gedwongen om niet logisch, maar metaforisch na te denken. Het is een manier om buiten de geijkte denkpatronen van het onderwijs te komen, om te ontsnappen aan de clichés van de ‘empirische’ wetten. Gedichten geven je een nieuw zicht op de complexiteit van de werkelijkheid. Bovendien verlagen ze ons tempo: gemiddeld lezen we een gedicht zes keer trager dan een normale tekst.” Ook is de kennis die een gedicht ons geeft, anders dan de kennis die “normale” schoolteksten opleveren. Herman De Coninck beschreef dat als volgt in Over de troost van pessimisme (1983): “Toen ik ooit lesgaf, poëzie, aan jongens die daar helemaal niet om gevraagd hadden, was de eerste vraag: moeten we dat kennen voor het examen? Nee, voor het leven, zei ik.”’

De grote gemene deler hier lijkt iets van een bril te zijn, die poëzie ons aanreikt en waardoor we de wereld om ons heen op een andere, nieuwe manier kunnen waarnemen. Geen sterk argument te midden van talloze andere brillen. Wat maakt poëzie nu zo uniek dat we er allemaal onderricht in moeten krijgen? Zou les in yoga, bijvoorbeeld, in deze gestresste tijd niet veel logischer zijn? Als poëzie niet langer boven vermaak kan worden uitgetild, dan zal de schaarse aandacht van de leerling worden verlegd naar serieuzere zaken; de Google bril o.a.

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-06-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)