In de zomer van 1996 of 97 zaten we een week lang in de buurt van Compiègne, Noord-Frankrijk, op een kindvriendelijke camping met visvijver. Ik herinner me er nog best het e.e.a. van: het broeierige weer, een kopie van de treinwagon waarin in 1918 en 1940 wapenstilstanden werden getekend, een grote vis die Tim ving, de struikelpartij van Hennie waar ze een hernia aan overhield en ons bezoek aan de kelders van Moët et Chandon in het weelderige champagnestadje Épernay.

Maar bovenal: de hooibalen die we werkelijk overal op ’t land tegenkwamen. Honderden, nee, duizenden moeten we er op onze tochtjes hebben gezien. Juli, hooimaand. Strogele patronen als weerslag van machinale boerenarbeid.

De ronkende tractor die na de Tweede Wereldoorlog de hooiende landarbeider verdreef.

Maar ook het beeld op onderstaande foto is alweer zo goed als achterhaald: hooibalen rollen in onze Westerse streken vandaag de dag meestal gesealed uit hooimachines en blijven als witte, grijze, zwarte, groene of roze reuzemarshmallows op ’t veld achter. Anders, zeg maar, maar niet per se beter.

Noord-Frankrijk, ca. 1996 © Hennie van ’t Hof

Gedachten op een vrijdagochtend terwijl ik werk of probeer te werken en naar Radio 4 luister:

Zelden weet ik welke dwaling gaandeweg een springplank wordt in de ontwikkeling van mijn poëzie. Om de mogelijkheid tot ontwikkeling open te houden, dien ik de discipline op te brengen om niet te snel over mijn dwalingen te oordelen.

Misschien moet ik een van mijn grootste en oudste wensen maar laten varen: de ontdekking van iets zinnigs aan deze wereld.

Poëzie begint bij klungelen.

Zoals, bijvoorbeeld, een gedicht waarin we tegelijkertijd afstand doen van nucleaire wapens, patriottische retoriek en nationalisme.

Hoe lang blijven ‘de grootste romans aller tijden’ eigenlijk de grootste romans aller tijden?

Relaties zijn belangrijk. Tijd is belangrijk.

Mijn ongeduld is een aandrift tot verandering of opdringerigheid.

De eerste keer dat ik Hennie kuste, stonden we buiten in de sneeuw. Het vroor dat het kraakte. Maar we waren gelukkig. En we dampten.

Wat nu? Wat leveren deze gedachten eigenlijk op? Hoe word ik beter van ze?

‘Ik’ is een melodramatisch woord. Zodra ik het opschrijf, brokkelt mijn zelfvertrouwen af.

(Op dit punt aanbeland heb ik alle pijnlijk saaie gedachten uit bovenstaande tekst geschrapt.)

Dan steekt iemand z’n kop om de hoek van de deur en toetert: ‘Ik wil een succesvolle dichter worden! Welk boek beveel je me aan?’

Gisteravond speelde het Noord Nederlands Orkest, nou ja, twaalf orkestleden, De vier jaargetijden van Vivaldi (geschreven voor twaalf paar handen) in de Neushoorn, poptempel van Leeuwarden. Dat was bijzonder. Hennie en ik waren erbij. Veel staande orkestleden in plaats van zittende en na elk deeltje (De vier jaargetijden bestaat uit vier concerto’s, die elk weer uit drie deeltjes bestaan) applaus in plaats van eenmaal, wat gebruikelijk is, aan het eind. De orkestleden geneerden zich zichtbaar voor al dit geklap. Desondanks was het een charmante uitvoering. Wij stonden in de buurt van de contrabassist.

Paarden & speculatie: Over Pieter Johannes Brandsma

Een Friese familiegeschiedenis (5)

Hennie’s pake (opa) aan vaders kant, Pieter Johannes Brandsma, staat binnen de familie bekend als ‘een hele aardige kerel’. Hij werd in 1877 in Winsum, Friesland, geboren en daar ook weer, 85 jaar later, ter aarde besteld. Er lopen nog maar weinig mensen rond die hem bij leven gekend hebben. Hennie was zeven maanden oud toen hij in 1962 ‘na een geduldig gedragen lijden’ stierf.

img_1073
Hervormde Kerk in Winsum, Friesland, waarnaast Pieter Johannes Brandsma en zijn tweede vrouw Hinke Vellinga begraven liggen

Twee zaken in het familieverhaal over pake Brandsma hebben me altijd geïnteresseerd: hij zou (1) in paarden hebben gehandeld en (2) door speculatie een vermogen hebben opgebouwd, dat na de beurskrach in 1929 grotendeels weer verdampte. Tijdens mijn onderzoek ben ik op feiten gestuit die het vertelde in zekere mate schragen.

Pake Brandsma kwam uit een armelijk gezin met zeven kinderen. Hij was vier toen zijn moeder onverwachts overleed. Zijn vader, Johannes Jelles Brandsma, hertrouwde daarna nog tweemaal. De eerste dertig jaar van zijn leven bracht pake in Winsum en omliggende dorpen door. In die periode oefende hij verschillende beroepen uit, waaronder voermansknecht en bierbottelaarsknecht. Toen hij in 1902 met Klara Sytses Wassenaar uit Oosterlittens trouwde, gaf hij aan als koopman de kost te verdienen. Mogelijk zat hij toen al in de veehandel; volgens een gemeentelijk schrijven ging hij in 1908 als veekoopman door het leven. Nog weer later noemde hij zich veehouder.

Gezien de familiegeschiedenis van de Brandsma’s, waarin voor zover ik weet geen andere veekoopmannen of veehouders voorkomen, mag pake’s beroepskeuze opmerkelijk worden genoemd. Wellicht zat het handelen hem in het bloed en was het vee slechts lijdend voorwerp. Ook zijn vader is enige tijd koopman geweest, doch met weinig succes, want die eindigde als voerman.

Op de vraag of paarden ook tot vee moeten worden gerekend, wordt verschillend geantwoord. Maar zeker is, dat er mensen zijn die dat doen. We kunnen niet uitsluiten dat ook pake dat deed en als veekoopman in paarden handelde. Ze waren hem bovendien niet vreemd: zijn vader mende als voerman immers paarden en in zijn jeugd had hij als voermansknecht zelf een poosje op de bok gezeten. Er is één foto in ons bezit waarop pake met een paard is afgebeeld:

img_1131
Pieter Johannes Brandsma met paard en wagen, ca. 1930

Twee jaar na hun huwelijk, in tussentijd was zoon Johannes Pieters geboren, kochten pake en zijn eerste vrouw Klara een huis met erf in Huins voor fl 990. In de jaren erna werden leningen afgesloten om extra land te verwerven. In 1908 verkochten ze hun boeltje voor fl 2350 en verhuisden naar de Stienserweg in Leeuwarden.

img_1111
Stienserweg, Leeuwarden, ca. 1910

Het moet pake Pieter en Klara in deze jaren voor de wind zijn gegaan. De kredietwaardigheid was groot genoeg om opnieuw een huis, erf en grond aan te schaffen en even later een obligatielening van fl 3000 af te sluiten. Mogelijk werd voor dit bedrag vee of land gekocht. Toen sloeg het noodlot toe: in 1913 kwam Klara plotseling te overlijden, volgens overlevering ten gevolge van ‘iets wat op een griepje leek’. Dat moet een klap zijn geweest.

Alleen met zijn tienjarige zoon achtergebleven nam pake een huishoudster in dienst, met wie hij in januari 1916 trouwde: Hinke Vellinga uit IJlst. Naar deze beppe (oma) zou Hennie worden vernoemd. Nog geen zes maanden later werd hun eerste zoon, Lolle, geboren. Ook betrokken ze rond deze tijd een nieuwe woning aan de Groningerstraatweg in Leeuwarden. Daar kregen ze nog een zoon en een dochter: Jelle Johannes, Hennie’s heit (vader), en Trijntje, die later naar Canada zou emigreren.

img_1076
In het midden poseert Johannes, pake’s zoon uit zijn eerste huwelijk. Daarachter zien we beppe Hinke met Trijntje en pake zelf. Op de voorgrond zitten Jelle (links) en Lolle. Ca. 1921

Tussen 1915 en 1922 handelde pake naast vee ook met grote regelmaat in vastgoed en grond. Over eventuele transacties na 1922 vind ik online geen informatie. Het lijkt erop dat nog niet alle Friese notariële archieven van voor de Tweede Wereldoorlog zijn geopenbaard. Johannes, pake’s zoon uit zijn eerste huwelijk, ontving in 1917 een erfenis van een familielid van zijn overleden moeder. Wat hem precies werd nagelaten is vooralsnog onbekend. Wel vraag ik me naar aanleiding hiervan af of pake’s eerste vrouw, Klara, wellicht geld meenam toen ze trouwden, waarmee de eerste aankopen in onroerend goed konden worden gefinancierd. Enfin.

Of pake ook speculeerde, durf ik niet te zeggen. Aan vastgoedtransacties kleven over het algemeen minder grote risico’s dan aan, bijvoorbeeld, de handel in aandelen. Hoewel er behoorlijke bedragen mee waren gemoeid, zijn er geen bewijzen dat hij een fortuintje met zijn koopmansgeest vergaarde. Dat blijft voorlopig een mooi familieverhaal, inclusief de teloorgang in de crisisjaren.

Over de tweede helft van pake’s leven is gek genoeg niet zo heel veel bekend. Het gezin werd in 1921 door het ongeluk getroffen toen zoon Johannes na een kort ziekbed op 19-jarige leeftijd overleed. Het is onduidelijk waaraan. In 1934 volgde nog een verhuizing naar de Mr. P.J. Troelstraweg in Leeuwarden.

img_1116
Mr. P.J. Troelstraweg in Leeuwarden, ca. 1935

Na de oorlog werd van de oude dag genoten, tot het tijd was voor pake om in 1962 naar de hemel te gaan. Hoewel hij het grootste deel van zijn leven in Leeuwarden had doorgebracht, liet hij zich in zijn geboortedorp Winsum begraven. Blijkbaar was er altijd een sterke band met zijn geboortegrond blijven bestaan. Beppe Hinke zou enkele jaren later in hetzelfde graf worden bijgezet.

img_1132
Pake Pieter en beppe Hinke Brandsma, ca. 1955
img_1074
Op het kerkhof van de Hervormde Kerk in Winsum

Geen gelukkig gesternte: Nogmaals Hessel Fokkema

Een Friese familiegeschiedenis (4)

Je kunt wel blijven zoeken, en steeds verder afdrijven van je oerstamboom: daarom dient het genealogisch onderzoeksveld voortdurend te worden afgebakend. De afgelopen weken heb ik me beziggehouden met Hessel Fokkema, de eerste man van Hennie’s moeder. Beschreef ik eerder zijn huwelijkse periode, in dit bericht zoom ik in op Hessels jeugd, waarmee de behandeling van deze zijtak wordt afgesloten.

Hessel werd op 18 oktober 1915 te Weidum uit Taeke Fokkema en Tietje Hofstra geboren. Anderhalf jaar eerder waren Taeke en Tietje getrouwd. Taeke, een echte Fries, kwam in 1890 te Blessum ter wereld. Zijn vader Hessel, naar wie Taeke zijn eerstgeborene noemde, was veehouder. Hoewel haar beide ouders ook uit Friesland afkomstig waren, zag Tietje Hofstra in 1894 in het Brabantse Beers het levenslicht. In haar jeugd vertrok het gezin Hofstra weer naar het noorden, waar haar vader Romke melktapper te Franeker werd. Maar Tietje kon haar geboorteplaats niet vergeten en keerde na de Tweede Wereldoorlog met Taeke terug naar Beers, waar ze beiden zijn overleden en begraven.

img_0966
Een melktapper verkocht melk langs de deur, waarbij melkbussen op een kar of slee werden vervoerd.

Onlangs zijn Hennie en ik naar Weidum gereden, waar Hessel Fokkema dus ter wereld werd gebracht, tien kilometer ten zuidwesten van Leeuwarden. Naast de kerk ligt sinds jaar en dag een kaatsveld, waarop ’s zomers nog altijd gekaatst wordt.

img_0962
Het centrum van Weidum rond 1930, met links op de voorgrond het kaatsveld.
img_3533
De Johanneskerk te Weidum, 2016, © Ton van ’t Hof

Hessel heeft na zijn geboorte slechts anderhalf jaar in Weidum gewoond. In het voorjaar van 1917 verhuisden de Fokkema’s naar Jellum, even verderop, waar Hessel zijn jeugd doorbracht. Hij kreeg er twee broers en twee zussen bij. Ik vermoed dat thuis armoe troef was. Als voerman zal vader Taeke geen wereldsalaris hebben gehad. In Jellum betrok het gezin in vijftien jaar tijd minsten drie verschillende woningen.

In deze periode werd Taeke tweemaal wegens mishandeling veroordeeld: de eerste maal tot 3 gulden boete of 3 dagen gevangenisstraf, de tweede maal tot 15 gulden boete of 15 dagen gevangenisstraf. Het is niet duidelijk wie hij toetakelde. Laten we hopen dat het om vechtpartijen in de kroeg ging en niet om afrossingen thuis.

img_0900
Het rolboek van de gemeente Leeuwarden waarin Taeke Fokkema’s tweede veroordeling (nummer 858) is vastgelegd.

Op 14-jarige leeftijd verliet Hessel, hij zal dan niet veel meer dan de lagere school hebben doorlopen, het ouderlijk huis om als boerenknecht aan de slag te gaan bij ene Anne de Boer in Jellum. In de jaren daarna vond Hessel als seizoenarbeider bij verschillende boeren onderdak. ’s Winters woonde hij dan vaak weer bij zijn ouders in, die intussen naar Leeuwarden waren vertrokken.

img_0959
Boerenarbeid, begin 20e eeuw.

Vlak voor de oorlog leerde Hessel Hennie’s moeder, Tietje Zijlstra, kennen. Toen hij in 1940 met Tietje trouwde, was hij volgens de huwelijksakte inmiddels tot voerman omgeschoold. In deze periode begon ook zijn ziekte MS zich te openbaren. Volgens de overlevering zouden de eerste verschijnselen zich nog voor het huwelijk hebben voorgedaan. Maar Hessel zei niets tegen Tietje, omdat hij bang was dat ze dan niet met hem zou willen trouwen. Helaas zou de ziekte zich progressief ontwikkelen. Nog voor het einde van de oorlog belandde Hessel in een rolstoel om uiteindelijk in 1949 te overlijden. Hij was niet bestemd voor veel geluk.

Over zijn huwelijkse periode kunt u in dit bericht meer lezen.

Alle berichten over Hessel Fokkema vindt u hier.

De Harlingertrekweg toen en nu

Een Friese familiegeschiedenis (3)

Genealogie bedrijven is ook mijmeren over vroeger. Wegdromen soms. Ik realiseer me daarbij: we stellen ons het verleden vaak mooier voor dan hij daadwerkelijk was. Beelden over ongereptheid die me voor de geest komen, koester ik, armoe en industrialisatie daarentegen moffel ik het liefst weg. Maar bij gedegen genealogisch onderzoek kan dat laatste natuurlijk niet.

Hessel Fokkema, de eerste man van Hennie’s moeder, trouwde in 1940 vanuit zijn ouderlijk huis, dat aan de Harlingertrekweg 33 in Leeuwarden lag. De Harlingertrekweg loopt langs de Harlingertrekvaart, een kronkelende waterweg die bij Harlingen in zee uitmondt. Ooit trokken paarden hier onder het getjilp van weidevogels logge trekschuiten voort.

Aan de Harlingertrekweg stonden eertijds molens en, later, zware industrie, waaronder een machinefabriek, meelfabriek, papierfabriek en vuurwerkfabriek. In de tweede helft van de vorige eeuw, toen Leeuwarden moest uitbreiden, verdween de vervuilende industrie uit deze buurt.

Afgelopen zondag zijn Hennie en ik naar de Harlingertrekweg gefietst. In het water liggen nog wat oude schepen, die vandaag de dag vooral als woonschip dienst doen. De Harlingertrekweg zelf is ondertussen van een rode asfaltlaag voorzien. Aan de weg grenst voornamelijk braakliggende grond, maar staat ook wat nieuwbouw en één oud huis. Dat huis is blauw geschilderd. Het rood en blauw boden zondag met het geelgroen van de bomen een feestelijke aanblik:

img_0881
De Harlingertrekweg, 2016 © Ton van ’t Hof

Het blauwe huis zal gauw tachtig of negentig jaar oud zijn en draagt nu nummer 34. Toen Hessel Fokkema in 1940 op nummer 33 woonde, bestond het naar alle waarschijnlijkheid al. Op een kaart van Leeuwarden uit de jaren dertig van de vorige eeuw denk ik het blauwe huis te kunnen lokaliseren. Toen stond het ook al eenzaam aan de vaart. De stadsbebouwing lijkt op de kaart te eindigen met een rijtje huizen op de plek waarop ik bovenstaande foto nam. Op de beeldbank van het Historisch Centrum Leeuwarden vind ik een zwart-witfoto van dat rijtje, genomen vanaf de Snekertrekweg aan de overkant. In de verte zien we ook het blauwe huis liggen dat toen, naar ik aanneem, nog niet blauw was:

img_0886
Zicht op de Harlingertrekvaart vanaf de Snekertrekweg, circa 1935

Als het blauwe huis altijd al nummer 34 heeft gehad, dan zou de laatste woning van het rijtje weleens nummer 33 kunnen zijn, het huis van waaruit Hessel Fokkema in 1940 Tietje Zijlstra trouwde. Maar het blijft vooralsnog gissen.

Op de beeldbank kom ik ook een foto van de Harlingertrekvaart tegen waarop de industrie te zien is, die in de jaren dertig tussen het rijtje huizen en de binnenstad lag. Wat een smerige troep eigenlijk. Op de voorgrond zien we tussen de vrachtwagens een paard met wagen staan. Zowel Hessel als zijn vader waren voerman van beroep. Deze troep had ook een voorzijde: hier was werk te doen.

img_0885
Zicht op de Harlingertrekvaart vanaf de Schapenmarkt, circa 1935

Alle zeilen bijgezet: Over Hessel Fokkema

Een Friese familiegeschiedenis (2)

‘Je leeft maar twee keer’ is de titel van een James Bond film, maar zou ook als motto boven onze familiewebsite kunnen staan. Door naar ze op zoek te gaan, over ze te schrijven, geef ik onze voorvaders en -moeders opnieuw een stem, een tweede leven.

In die paar dagen dat ik dit nu doe, ben ik overvoerd met informatie, zowel door de programma’s waarop ik ben geabonneerd als door mensen die het eerste bericht over deze familiegeschiedenis lazen. Goede tips, waardevolle informatie. Voorlopig heb ik meer dan genoeg data om te verwerken.

En wat ik ook heb gemerkt: genealogisch onderzoek is verslavend. Ik kan er ’s avonds maar moeilijk mee stoppen. En nachtwerk is op mijn leeftijd niet gezond meer. Ik moet er dus mee leren omgaan.

Over Hessel Fokkema, de eerste man van Hennie’s moeder, doen er in mijn schoonfamilie nog enkele verhalen de ronde. Ook heb ik dankzij een tip een paar oude krantenberichten kunnen achterhalen, waarin hij wordt genoemd. En in een fotoalbum heb ik een afbeelding van hem gevonden:

img_0862
Hessel Fokkema, circa 1940

Hessel wordt in 1915 in Weidum geboren, een dorp ten zuiden van Leeuwarden. Zijn vader, Taeke, is in die dagen voerman. Een beroep dat je kunt vergelijken met wat een vrachtwagenchauffeur in deze tijd doet: paardenkrachten mennen. Ook Hessel zou zich later laten registreren als voerman, maar heeft dat vak maar kort kunnen uitoefenen. Hij wordt al gauw ernstig ziek.

Op Delpher, een website waarop je kunt snuffelen in miljoenen pagina’s uit Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften, vind ik een berichtje waarin staat dat Hessel op tienjarige leeftijd in de categorie ‘jongens’ tweede werd bij een ‘hardrijderrij’ op de schaatsbaan van Jellum en Beers, twee gehuchtjes vlakbij Weidum. Hij is vast een sportieve knul geweest.

img_0853
Leeuwarder Courant d.d. 23 januari 1926

Over Hessels tienerjaren weet ik niet veel. Mogelijk heeft zijn vader hem na school het vak van voerman bijgebracht. Wel is zeker dat het gezin Fokkema in die tijd in Leeuwarden is beland. Eind jaren dertig ontmoet Hessel, dan 23 of 24 jaar oud, Tietje Zijlstra in een dansgelegenheid in Deinum, een dorp ten westen van Leeuwarden en woonplaats van Tietje. Ze worden verliefd. Zij vijf jaar jonger dan hij. Het moet, ook met het oog op de naderende oorlog met Duitsland, een spannende tijd zijn geweest.

In de Leeuwarder Courant van 3 mei 1940 lees ik dat Hessel en Tietje twee dagen eerder in ondertrouw zijn gegaan en dat ze het voornemen hebben om op 16 mei daadwerkelijk in het huwelijksbootje te stappen. Of dat ook op de 16e is gebeurd – in tussentijd breekt de oorlog uit – weet ik niet. Daar zal de huwelijksakte, die ik nog niet heb kunnen opduikelen, uitsluitsel over moeten geven.

img_0850
Leeuwarder Courant d.d. 3 mei 1940

Op 10 mei vallen de Duitsers Nederland binnen. Op 15 mei capituleren we. De overlevering wil dat Hessel als dienstplichtige is gemobiliseerd en na de gevechtshandelingen getraumatiseerd thuiskomt. Hij zou nog lang last van nachtmerries houden. Zijn oorlogszakboekje maakt ons niks wijzer. Het 9e Regiment Infanterie, waartoe Hessel behoorde, is in de meidagen ingekwartierd in Haarlem en Heemstede.

img_0872
Oorlogszakboekje van Hessel Fokkema

Hoe het ook zij, op 7 juli 1941 wordt hun dochter Sjoukje geboren. Ze wonen dan in Huizum, toen nog een vlek in de weilanden tegen Leeuwarden aan, nu een stadswijkje dat net buiten het centrum ligt. Het wordt in die dagen duidelijk dat Hessel aan een agressieve vorm van MS lijdt. Hij kan nauwelijks werken en het gezinnetje heeft het moeilijk. Alle zeilen worden bijgezet om rond te komen, zoals ook uit onderstaande advertentie blijkt:

img_0851
Leeuwarder Courant d.d. 17 maart 1943

In de zomer van 1943 worden Hessel en Tietje opnieuw door het noodlot getroffen. Hun kleine meid valt in een moment van onoplettendheid in een wasketel vol kokendheet water en overlijdt enkele dagen later. Je wordt er naar van:

img_0873
Sjoukje Fokkema, 7 juli 1941 – 15 augustus 1943

Daarna volgen gebeurtenissen elkaar snel op. Hessel komt in een rolstoel terecht, wordt humeurig maar raakt niet op alle vlakken inactief: in 1945 wordt Taeke geboren en in 1947 Dirk. In 1949 sterft Hessel, bijna 34 jaar oud, aan de gevolgen van MS. Tietje blijft met twee jongens berooid achter.

Ik ben gisteren nog even naar het huis gefietst waar Hessel en Tietje in 1940 kwamen wonen: Huizum Dorp 1. Het staat er nog. Pas in de jaren zestig zou ze er uit weg gaan. In dat huis kreeg ze met haar tweede man nog vijf kinderen. Het was klein, maar de meeste kinderen hebben er ook goede herinneringen aan. Het huis vormt tegenwoordig samen met de oude nummers 2 en 3 één woning. Om bij nummer 1 te komen moet je achterom en je langs een schuur wringen. Toen en nu (op de zwart-witfoto is het vierkante huis in het midden nummer 1):

Hessel, Sjoukje en Taeke liggen samen in één graf op de Huizumer Begraafplaats:

img_0861
Huizumer Begraafplaats, 4 november 2016

Toeval

Een Friese familiegeschiedenis (1)

Een jaar of tien geleden heb ik me kort verdiept in onze familiegeschiedenissen, die van Hennie en die van mij. Een nieuwe job, die me volledig in beslag nam, maakte toen een einde aan de genealogische studie. Wel nam ik me voor om die te zijner tijd weer op te pakken.

Eergisteren brak plotseling de genealogische koorts uit. Niets gevoeld, niets aan zien komen. Maar voordat ik het wist zat ik met mijn neus in allerlei archivalische websites en maakte een MyHeritage account aan. Wat overigens niet zonder financiële gevolgen bleef: € 40 uitgegeven aan een jaarabonnement op CBG Verzamelingen en € 142,25 aan een jaarabonnement (‘u heeft nu volledige toegang tot alle functies’) op MyHeritage. Geen goedkope opwelling. Maar dan heb je ook wat.

Op dit blog zal ik verslag van mijn zoektocht doen. Onder twee noemers: (1) Een Friese familiegeschiedenis, waarin ik de voorouders van Hennie belicht, en (2) Een Brabantse familiegeschiedenis, waarin die van mij aan bod komen.

Geld uitgeven gaat me goed af, maar van genealogisch onderzoek heb ik geen kaas gegeten. Ik begin dus gewoon maar.

Hennie’s moeder, Tietje, geboren Zijlstra, is tweemaal getrouwd geweest. Haar eerste man, Hessel Fokkema, overleed op 33-jarige leeftijd aan MS. Met Hessel kreeg Tietje drie kinderen: Sjoukje, Taeke en Dirk. Haar tweede huwelijk, met Jelle Johannes Brandsma, bracht vijf kinderen voort: Pieter, Sjoukje, Roelof Jan, Hinke Trijntje (Hennie) en Marcel Adriaan.

Alle kinderen uit Tietjes eerste huwelijk zijn overleden. Sjoukje viel op tweejarige leeftijd in een wasketel vol water dat net van de kook af was en verscheidde kort daarna. Taeke verdronk zichzelf op 36-jarige leeftijd. En Dirk stierf in 2009, 62 jaar oud, aan de gevolgen van prostaatkanker. Het kan verkeren. Geen gelukkig gezin.

img_0835
Links Hennie van ’t Hof-Brandsma, rechts Dirk Fokkema, 2008

Van deze drie kinderen heb ik alleen Dirk gekend, een joviale langeafstandsloper waar je een goed glas mee kon drinken. Hij was getrouwd met Gerrie, die ons in 2010 ontviel. Ze hadden geen kinderen.

Op al deze mensen kom ik nog terug. Maar wat me direct opviel waren de sterfdatum van Hessel en de geboorte- en sterfdatum van zijn zoon Dirk: driemaal 14 oktober. Toeval? Of wilde Hessel nog per se de verjaardag van zijn zoontje meemaken? En wist hij de dood wellicht tot op die dag, waarop Dirk twee werd, uit te stellen? Je hoort dat soort verhalen wel vaker. En wie weet wat voor wilskracht Dirk wel niet had. Ik kan me zo voorstellen dat 14 oktober toch een soort van baken voor hem was, waar hij op afkoerste.

Aan de andere kant: er doet een familieverhaal de ronde waarin niet Hessel, maar een andere man Dirks vader is. Een verhaal dat ik voor later bewaar.

Dingen doen

Las een blogbericht van iemand die elke ochtend een lijstje maakt van vijf dingen die hij die dag zou willen doen. Vroeg me af wat ik, gegeven mijn lichamelijke beperkingen (hernia o.i.d.), vandaag eigenlijk zou willen doen. Wil doen. Ga doen:

  1. Gezond eten.
  2. Een artikel van Liz Kinnamon lezen: Elegant Uprooted Things: Jack Spicer, California, and Psychoanalysis.
  3. Een Kindle-editie van Koos van Zomerens Het verlangen naar klapekster aanschaffen.
  4. Een fles ‘malt’ (laten) halen, het zijn niet voor niks de wilde whisky dagen!
  5. Iemand een complimentje maken.

img_0784

En dit zijn dan de resultaten:

  1. Mijn maaltijden van vandaag: ’s ochtends: bord havermout; ’s middags: kliekje van gisteren: rijst, smoor van rundvlees, sambal goreng boontjes, pindasaus; ’s avonds: geroosterde biet met feta & tijm, pastinaak met rode ui, saucijsje; tussendoor: een banaan.
  2. Kinnamons artikel over Jack Spicer gelezen: ‘What killed Jack? Some offer the comfortable explanation that it was booze. But most who knew him well say poetry.’
  3. Van Zomerens e-boek aangeschaft: ‘Ontmoetingen met klapeksters hebben iets elektrificerends.’
  4. Het is naar aanleiding van enkele goede recensies een fles ‘Monkey Shoulder Blended Malt’ geworden, van € 31,39 voor € 27,99!
  5. Hennie een complimentje gemaakt en er een glimlach voor teruggekregen.

Heeft het maken van dit soort lijstjes zin? Jawel, is mijn eerste ingeving, mits je je voornemens ook daadwerkelijk tot uitvoering probeert te brengen. En je de resultaten naderhand evalueert, waarbij je je, in voorkomend geval, ook afvraagt waarom iets níet gelukt is. Bovenstaande opbrengst gaf me best een bevredigend gevoel.

Nog snel even gekeken wat míjn vogelgidsje, J.E. Sluiters Prisma vogelgids: Het herkennen van vogels in het vrije veld uit 1964, over de klapekster zegt:

Klapekster, Lánius excúbitor. ‘In de vlucht een zwart-wit-grijze vogel met witte stuit en lange zwartwitte staart. Op de vleugels een smalle witte vleugelstreep. De vleugels kort en afgerond. De vlucht is sterk golvend met een zwieper naar de uitkijkpost. Bidt. Jonge vogels hebben een dwarsgestreepte onderzijde en zijn grijsbruin. Geluid: De roep is ‘tsjek-tsjek’, de alarmroep een kort ‘èk-èk’. De zang is een mengeling van onderdrukte scherpe en melodieuze geluiden, met ‘tru’ en ‘kiehrr’. Imiteert. Voorkomen: Zeldzame broedvogel in het oosten en zuiden van Nederland en zeldzame, plaatselijke broedvogel in België. Waarschijnlijk stand- en zwerfvogel.’

img_0789
De klapekster. Getekend door Robert Scholz.

Het verlangen naar klapekster, Koos van Zomeren, De Arbeiderspers, 2014: via bol.com.

Serene rust

Aan zee zit er vaak wat kou in de lucht die kleuren intensiveert. Als de zon dan ook nog volop schijnt, zoals vandaag, word ik daar vrolijk van. Vanochtend bezochten we het nabij gelegen dorpje Vensac, dat nog geen duizend inwoners telt, maar wel een windmolen uit de achttiende eeuw, een Romaanse kerk en wijngaarden heeft. De molen werd in de negentiende eeuw steen voor steen afgebroken en op de huidige locatie, op twee kilometer afstand van de oorspronkelijke plek, weer opgebouwd. Hij deed me aan de windmolens die Don Quichot bevocht denken. Helaas konden we vandaag niet naar binnen. De Romaanse kerk was, zoals de gewoonte voorschrijft, wel toegankelijk. Het wat boerse godshuis bleek vanbinnen wondermooi beschilderd. Hennie merkte de afwijkende bouw van de apsis op, de halfronde ruimte achter het altaar, die, zo leerde ik later, uit de twaalfde eeuw stamt en het oudste deel van de kerk vormt. De rest werd een eeuw later opgetrokken. Je vraagt je af hoe dat kan, gegaan is.

Oost van Vensac liggen de meest noordelijke wijngaarden van de Médoc, de eerste op een paar honderd meter van het dorpsplein. Wat een zaligheid! We parkeerden de auto in de buurt van Château David en bewonderden de rijpe trossen die binnenkort zullen worden geoogst; de eerste bladeren kleuren reeds rood. De rust was sereen. Bij de gedachte aan de lunch, inclusief een glas wijn, liep het water me in de mond. Oh wat houd ik van dit land!

Na de lunch naar het strand en in Seven American Poets in Conversation gelezen. Donald Hall doet een herkenbare uitspraak over dichterreputaties:

‘All the writers I know can recite you the worst lines ever written about them in reviews. Memorized. Can tell you every anthology from which they were omitted. How much energy does one give to this bitterness? I know too many poets who have wasted their lives and energies in bitterness over what did or did not happen, and their poetic reputations. Everybody is ambitious. It’s a total waste to sit down at the desk thinking about slights, hurts. Better to try to make a poem.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 01-09-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Heel privaat

SMS van mij aan Hennie vanochtend, om 09:58:

‘Ha meis, ik heb een begin van staar in het rechteroog, nog geen operatie nodig, wel een nieuw glas. KuZ’

Ik slijt. Veeg wat geel vocht uit mijn rechteroog. Loop het hospitaal uit. Koop op het station een zakje wortelen. Goed voor de ogen, zei mijn moeder altijd. In de trein lees ik in Naar de natuur van Koos van Zomeren:

‘Wij mensen bewonen de aarde net als dieren – in goed vertrouwen, op goed geluk. Het kan een miljoen jaar goed zijn gegaan, dat zegt nog niks over volgende week.’

’s Middags met Frank Keizer in De Engelse Reet een pint gedronken. Hij behoort tot de weinige Nederlanders die zich de moeite getroosten om de geheimen van de poëzie te doorgronden en haar schoonheid te openbaren. Oh mijn god, de kolossale vergeefsheid van dit alles! Ik vraag hem eerst naar het Leesmagazijn, die nieuwe ambitieuze uitgeverij met dat sociaal-politiek getinte fonds dat tegelijkertijd interessant en een mengelmoes is en waar Frank sinds enige maanden redactionele werkzaamheden voor verricht. ‘Wij willen met goede boeken het maatschappelijke debat een duwtje geven. En er is ook ruimte voor poëzie. Ik ben er op m’n plek, ja.’

Voor Samplekanon werkt Frank samen met Maarten van der Graaff aan een overzichtsartikel over de prilste Nederlandstalige poëzie: door wie worden jonge dichters beïnvloed? Welke verbanden zijn er met het verleden te leggen? Volgens Frank trekt de nieuwe generatie zich weinig van tradities aan en opereert ‘heel privaat’. Hij acht daar het wegvallen van het kritisch referentiekader mede debet aan: ‘Ze kúnnen zich ook nergens meer naar richten, er ís geen sprake meer van een kritisch discours.’ De regelmatig waargenomen apolitieke houding wordt betreurd: ‘Ze zouden zich best wat bewuster mogen zijn van de tijd waarin ze leven.’ Waarschijnlijk gaat het eerste deel in oktober online.

(Dit bericht verscheen eerder, op 21-08-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Als je er maar in gelooft

havermout

Ik maak nieuwe gewoontes aan, start de dag met een glas water, daarna een kop groene thee en tot slot een kom havermout met kurkuma, peper, honing en kaneel. De groene thee, kurkuma en peper zijn recente aanvullingen op wat ik gewoon ben te doen; omdat ik in een wetenschappelijk artikel gelezen heb dat werkzame stoffen in groene thee en kurkuma mijn ziekte zouden kunnen bestrijden, en in een ander artikel dat peper de opname van kurkuma in het lichaam stimuleert. Hennie gruwt alleen al bij de gedachte aan de smaak van de geel gekleurde pap. ‘Als je er maar in gelooft,’ zeg ik, ‘je moet er wél in geloven, dan valt het best mee.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 08-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Groene thee en kurkuma

koffiezetapparaat

Groene thee en kurkuma schijnen goed voor me te zijn. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat bestanddelen uit deze thee en dit kruid onder bepaalde voorwaarden kunnen zorgdragen voor een ‘aanzienlijke vergroting’ van de sterfte onder de kankerende witte bloedlichaampjes. Het aantal artikelen over kankerbestrijding is duizelingwekkend. Vanuit de voorkamer roept Hennie dat ook met het intraveneus toedienen van aanzienlijke hoeveelheden vitamine C onlangs verbluffende resultaten zijn behaald. Een vraag blijft: wie weet wat voor mij werkt?

Aan het einde van de middag naar Galerie Mokum gefietst, aan de Oudezijds Voorburgwal, waar de Zomertentoonstelling 2014 werd geopend en Tim twee werken heeft hangen. Komt dat zien!

(Dit bericht verscheen eerder, op 05-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Pijpje bot

ziekenhuis

We stonden in de rij, waren te vroeg kennelijk. Er zat nog niemand achter de balie. Het was kwart voor negen en in de brief stond dat ik me om kwart voor negen diende te melden. Wat later kwam er een dame aan met zes! mokken koffie in haar handen: ‘Oh! heeft u niet gebeld dan?’ Ze leverde de koffie af in een kamer waaruit stemmen klonken, kwam terug en ging achter de balie zitten. Toen we, Hennie was mee, aan de beurt waren, duurde het even eer ze doorhad dat ik een nieuwe patiënt was: ‘Oh! U bent nieuw! Dan duurt het wat langer.’ Ze riep om assistentie en er werd een tweede loket geopend voor de mensen achter ons. Na enkele administratieve handelingen werden we naar de vijfde etage verwezen, uit de lift rechtsaf en dan de borden volgen.

Je leest van te voren het informatiefoldertje door, hebt een idee van wat je te wachten staat, maar de ervaring maakt je pas echt wijs. Ik lag op mijn zij, broek stukje naar beneden, schoenen nog aan. Hennie hield mijn hand vast. Toen de verdoving was ingewerkt bracht de vriendelijke internist-hematoloog de speciale holle naald met enig wrikken in mijn bekkenbot in. Een vreemd maar geen pijnlijk gevoel. Het zweet op mijn voorhoofd had eerder te maken met de onzekerheid over wat de folderbelofte nu nog verder zou gaan inhouden. Daarna heel even een steek. Ik moest op mijn ademhaling letten. Dat hielp. Evenals de aanwezigheid van Hennie, haar vertrouwde gezicht. Binnen enkele minuten werden losse beenmergcellen opgezogen, twee of drie buisjes vol, en werd een pijpje bot afgenomen. Naald eruit, pleister erop. Achteraf viel het best mee. Over ruim anderhalve week uitslag.

(Dit bericht verscheen eerder, op 02-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Ik laat me geen dag meer afpakken

ton

Je bent relaxed, zegt Hennie, sinds je hét weet ben je opvallend relaxed. Ik antwoord dat het nog moet bezinken, en dat ik inderdaad niet verdrietig ben.
‘Ik wel,’ zegt ze.
‘Ik laat me geen dag meer afpakken,’ zeg ik, ‘geen dag meer verpesten door wat dan ook, zeker mijn eigen humeur niet.’

Aan het einde van de ochtend naar Siem van der Gragt gefietst, de ecologische slager aan de Elandsgracht, en twee schouderkarbonades gehaald. Met een omweg, het is best mooi weer, via de Schinkelbuurt weer terug. En overal is er bedrijvigheid, zijn er mensen op straat; de couleur locale van een wereldstad. Ik ben in korte tijd veel van Amsterdam gaan houden.

De schouderkarbonades worden – vrij naar een gerecht van Jamie Oliver – in een marinade van verse laurierblaadjes, paprikapoeder, olijfolie en zout gelegd, daarna in de oven gezet met uien, knoflook, een zoete aardappel, wat sambal, scheutje rode wijnazijn, gepasseerde tomaten, takjes rozemarijn en Chinese kool (vlak voor het opdienen toegevoegd), en gegeten met een salade van komkommer en radijs. De hele middag machtige geuren in de keuken.

Dan lees ik online in de Boston Review een recensie waarin de recensent zich afvraagt: ‘But where can we find a poet in the spirit of Wieners, a poet who goes deep into honest self-degradation?’ Een dichter dus die zichzelf in zijn gedichten openhartig neerhaalt. Hm. Omdat het kan? Nee, begrijp ik, om weerstand te bieden aan ‘a culture that is narcissistically addicted to excess under capitalism.’ Hoe langer ik er over nadenk, hoe indrukwekkender ik dit gebaar ga vinden.

(Dit bericht verscheen eerder, op 28-06-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Op ‘t kantje af / los

awacs

Als Kaplan in zijn boek The Ends of The Earth in 1993 per bus van Ankara naar Konya reist –

‘Al snel reed ik zuidwaarts over een kalme lentegroene steppezee, zijn leegte en woestheid af en toe door een eenzame herder met zijn kudde doorbroken. Opnieuw voelde ik de genoegens van het reizen. Een uur later maakte het gras plaats voor uitgedroogde zilte vlaktes, omgeven door het besneeuwde Sultangebergte. Ik was in het hart van Klein-Azië – Anatolië, “moeder goudmijn”.’

– keer ik in gedachten terug naar de busreis op en neer van Konya naar Ankara die ik enkele jaren voor Kaplan maakte. Ik herinner me nog een uitwijkmanoeuvre van het vehikel om een botsing met een ezel en wagen op de snelweg te voorkomen. En gratis 4711 Eau de Cologne ter verfrissing en om onaangename geurtjes in de behoorlijk volle bus te verdrijven. Ik heb er geen foto’s van, zoek op internet naar een plaatje van het uitzicht dat bij mijn herinneringen past.

Nu schiet me ook een geitenleren jas te binnen, die ik voor 180 gulden in Ankara kocht, maar Hennie bij thuiskomst niet bleek te passen. En de schoffie’s in de straten van Konya, die je voor een paar lira op hun weegschaal wilden laten staan. Ik heb ze in een gedicht vastgelegd, dat deel uitmaakt van de cyclus ‘Ook als zij beduimeld is’, over mijn ervaringen tijdens de Eerste Golfoorlog. De reeks werd eerder in nY gepubliceerd:

7

‘De moeite van het zien’

in ‘de gigantische machine’

volgens anderen
het ‘posthumane’ apparaat

Op straat
drie, vier kinderen
om me heen, zwaaiend

met een weegschaal

Aan boord
tienduizenden liters brandstof verstopt
we komen op ‘t kantje af

los

Onze kist was zó volgetankt – max endurance – dat de volledige lengte van de runway moest worden benut om airborne te kunnen komen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 28-04-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Wat de pot schaft

De maaltijden die ik voorschotel zijn ‘systematische expressies van een systeem van economische, sociale en culturele factoren.’

Eenpansgerechten gaan me meestal wel goed af.

Ik heb kippen geslacht en ooit een konijn. Ze gingen niet allemaal dood binnen 40 seconden.

Kunst is ook een lichamelijk ding.

Hennie kijkt filmpjes op YouTube over het uitknijpen van puisten.

(Dit bericht verscheen eerder, op 07-06-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)