Arjan Peters (niet) over kwaliteit

Marcel Duchamps urinoir werd in 1917 door de ‘jury’ geweerd van de eerste tentoonstelling van de American Society of Independent Artists: ‘It is, by no definition, a work of art.’ Ruim tachtig jaar later wordt de pispot door een andere ‘jury’ uitgeroepen tot het meest invloedrijke kunstwerk van de 20e eeuw. Een opmerkelijk verschil tussen twee waardeoordelen over één en hetzelfde kunstwerk, dat me doet afvragen: is Fountain ‘kwalitatief gezien’ nu wel of niet een hoogstaande creatie?

De vraag naar kwaliteit – ‘mate waarin iets goed is; gesteldheid, hoedanigheid, aard’ – blijkt ook in de literaire arena uitermate lastig te beantwoorden en vooral een zaak te zijn van conventies en persoonlijke smaak.

Arjan Peters schrijft een literaire column voor de Volkskrant en mag sinds kort méér woorden spenderen; je vraagt je af: waarom? Peters schrijft columns zonder kop of staart, waarin van de hak op de tak wordt gesprongen en veelal overleden schrijvers figureren te midden van zijn eigen zielenroerselen. Allemaal héél onderhoudend voor de dames van het theekransje.

Maar in zijn column van afgelopen zaterdag stipt Peters óók het onderwerp ‘kwaliteit’ aan en dan ben ik meteen op mijn hoede. Hij opent: ‘Als een Nederlander over kwaliteit spreekt, dan bedoelt hij in de regel: degelijk spul waar je een goede prijs voor kunt krijgen. Waar voor je geld.’ Oh, denk ik dan, ik behoor kennelijk tot de uitzonderingen, want ik bedoel in een literaire context met het woord kwaliteit zelden ‘waar voor je geld’. Enfin, onduidelijk blijft vooralsnog wat Peters zélf bedoelt als hij over kwaliteit spreekt.

Ik lees verder en beland in een warrig deel, waarin wordt geciteerd uit teksten over kwaliteit van onder andere Hella S. Haasse en het meer dan eens onduidelijk is wie nu wat beweert. Peters (of Haasse): ‘Je hebt een culturele elite die schermt met het begrip [kwaliteit], en een massa die het niet-onderscheiden tot norm lijkt te hebben verheven.’ Wacht even … bedoelt Peters (of Haasse) hier dat ‘een massa’ (niet de massa, hoe subtiel) kwalitatief hoogstaande literatuur niet meer van kwalitatief minder hoogstaande literatuur lijkt te willen onderscheiden? Is het slechts een kwestie van willen? Of speelt de grond waarop je dat onderscheid dan moet of kunt maken ook nog een rol? En nog altijd geen woord over wat literaire kwaliteit dan ís, niet één kwaliteitsnormpje.

‘Moet de elite zich van de massa afkeren?’ vraagt Peters zich vervolgens af. Opvallende vraagstelling, denk ik dan. Waarom zo geformuleerd en niet andersom: Moet de massa zich van de elite afkeren? En staan massa en elite niet per definitie altijd enigszins afgewend van elkaar? Hij laat Haasse het antwoord geven: nee, de elite moet zich niet van de massa afkeren. ‘In beginsel is namelijk (Peters citeert nu Haasse) “de potentie tot het voortbrengen en waarderen van kwaliteit” helemaal niet zo exclusief als de zogenaamde elite dikwijls meent. Er zijn alleen inspanningen nodig om de zogenaamde massa te wijzen op kwaliteit, “mits die op een niet-elitaire, niet-didactische, maar als vanzelfsprekende wijze, met fantasie en vooral geestdrift, aan de man wordt gebracht.”‘

Zo, zo. Je moet kwalitatief hoogstaande literatuur dus niet met het rietje maar spelenderwijs aan de leerling brengen. En vooral niet uit de hoogte doen, want dat maakt een verkeerde indruk. Voorts is het natuurlijk evident – want nada uitgesproken – wat een goede en wat een slechte roman is.

In wat volgt haalt Peters nog even uit naar een criticus die elitair, didactisch deed (‘de onwelriekende damp der onderscheidingsdrift’) en probeert ons op geestdriftige, niet-elitaire, niet-didactische wijze te vertellen wat hij van de dichter J.G. Danser (1893-1920) heeft geleerd: ‘de overtreffende trap van verlangen’ – ‘verlangst’.

Als er ook maar iets duidelijk wordt uit deze column dan is het Peters zelfbeeld: de onderwijzende criticus die precies weet (maar niet kan onderbouwen) wat goed is (kwalitatief hoogstaand) voor het klootjesvolk. Bah. Hij weigert in te zien dat zijn professie toe is aan een herdefiniëring van haar bestaansgrond en probeert krampachtig vast te houden aan oude alibi’s. De massa evolueert ondertussen.

Ik haal good old Hugo Verdaasdonk nog maar eens aan: ‘Gangbare opvattingen over empirisch-wetenschappelijk onderzoek zijn niet van toepassing op het tekstgerichte literatuurwetenschappelijk onderzoek. Er is met name geen sprake van dat beweringen over teksten toetsbaar zijn. Beoefenaren van de tekstgerichte literatuurwetenschap zijn niet in de positie om met nieuwe, onafhankelijke, waarnemingen te komen die kunnen dienen om hun beweringen te onderbouwen of te weerleggen.’

Van zowel een ritje in een rollercoaster als het lezen van een roman van Mulisch word je een ervaring rijker. De vraag naar welke van deze twee ervaringen het meeste waard is, kan slechts met een persoonlijke mening worden beantwoord.

(Dit bericht verscheen eerder, op 04-09-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)