Als genealoog, die de afstamming en verwantschap van zijn eigen familie naspoort, ben ik de schepper van mijn scheppers, en laat in het spoor van mijn zoektocht geschiedenis na, die ik ‘de onze’ zou willen noemen.

Onze geschiedenis, die haar ‘verenigde kracht’ ontleent aan het ouderschap, onze genetische en niet-genetische bijdragen aan de vorming van iedere nieuwe loot aan onze stamboom.

Mijn motief? Het verlangen naar eenheid.

Marjo, de jongste zus van mijn moeder, laat weten dat het gezin Leupen in april 1949 verhuisde van de Postdwarsweg 15 te Nijmegen naar de Botstraat 3 in Eindhoven. Bevat het Nijmeegs adresboek uit 1951—zie vorig bericht—(gedeeltelijk) oude informatie of bleef er wellicht een Leupen op de Postdwarsweg achter? Ik moet snel bij de broers en zussen van mijn moeder langs om hun herinneringen vast te leggen!

In oude edities van De Gelderlander kom ik drie berichten tegen waarin mijn grootvader Harm Geert Leupen wordt genoemd:

  • Maart 1937: de uitslag van ‘de jaarlijksche periodieke verkiezing voor leden van het bestuur der R.K. Werkl.-Vereen.’ Mijn grootvader had zich, 26 jaar oud, kelner van beroep, verkiesbaar gesteld en vergaarde 47 van de 323 stemmen.
  • December 1938: een uitgebreid artikel over de kelner, de man die de gasten bedient: ‘dat ambt moet hij goed verstaan, het eischt kennis en ervaring.’ Mijn grootvader wordt genoemd als een van ‘de heeren’ die cursussen verzorgen op het gebied van serveren.
  • December 1940: een zoekertje waarin mijn grootvader om een ‘R.K. meisje voor de morgenuren’ vraagt. Enkele weken daarvoor was dochter Greet geboren, het zesde kind van mijn grootouders.

Ik herinner me mijn grootvader vooral als een vriendelijke, kalme gepensioneerde die het liefst zijn tijd doorbracht in de moestuin en tussen de kippen. Als hij een sjekkie pielde kon hij me lachend over zijn bril aankijken en plagend vragen, ik was nog te jong, of ik er ook eentje wilde roken. Later hebben we samen nog wel eens een Gauloise gepaft.

Mijn grootmoeder had in mijn belevenis thuis de broek aan. Grootvader voerde uit. Maar of die rolverdeling ook zo duidelijk was als ik dat als relatieve buitenstaander ervoer, waag ik toch te betwijfelen. Uit bovenstaande krantenberichten komt een ambitieuze jongeman naar voren, die naast zijn werk en zich rap uitbreidende gezin kennelijk ook nog tijd vond voor vakbondswerk en het verzorgen van cursussen. Een verfrissend inzicht.

Maar dan dat rooms-katholieke. Tot nu toe heb ik in de overwegend Drentse familie van mijn grootvader geen greintje geloof kunnen ontdekken. En als er toch nog een geloof opduikt, dan lijkt het protestante vanzelfsprekender. De familie van grootmoeder Spann was daarentegen dik r.-k. Zou mijn grootvader Harm Geert in 1933, toen hij met zijn Gerarda trouwde, tot de rooms-katholieke kerk zijn toegetreden? Wat in voorkomend geval toch een daad van opoffering moet zijn geweest!

In de jaren 30 werkte mijn grootvader Harm Geert Leupen in dit hotel.

Muziektherapie voor druiven, kopte de krant van de week. Sinds 2008 klinkt al in honderden Franse wijngaarden muziek: om druiven te helpen in hun strijd tegen schimmels. Rond Bordeaux is de druivensterfte met 75% gedaald.

Nu is ook onze druif door schimmel aangetast. Daarom zette ik vanochtend maar eens een draagbare speaker in een vensterbank en liet Rondo alla Zingarese van Brahms door de achtertuin galmen.

‘Ze zijn niet allemaal gek hier,’ zei mijn moeder gisteren in de recreatieruimte van haar nieuwe verblijf, terwijl ze aandachtig om haar heen keek en van haar glaasje rode wijn nipte.

Nee, ik schrijf poëzie geen stille kracht toe. Anderen doen dat wel. Dikwijls in schimmige taal. Zoals Michael Cross, in zijn serie op Jacket2 over ‘de ontologische status’ van het gedicht:

‘Dit is de ware aard van de excessiviteit van het gedicht: het op losse schroeven zetten van de werkelijkheid door het amplificeren van haar breuklijnen, het vinden van een weg naar generatieve noviteit door het verstoren van ingewortelde opdelingen als subject/object en schrijver/lezer.’

Het heeft iets religieus.

Bericht van lieve nicht E. De behandeling van haar ernstig zieke echtgenoot A. is nog alleen gericht op ‘kwaliteit van leven’. Even bood niets me meer vertroosting.

Mijn moeder zegt dat ze is geboren aan de Postdwarsweg 15 te Nijmegen. Door in oude kranten en adresboeken te snuffelen heb ik achterhaald dat haar ouders in april 1935 verhuisden van Groesbeek naar de Elzenstraat 38 te Nijmegen, en in 1936 inderdaad aan de Postdwarsweg 15 woonden. Mijn moeder kwam in oktober 1935 ter wereld. In april van datzelfde jaar, tijdens de verhuizing van Groesbeek naar de Elzenstraat, verkeerde mijn grootmoeder dus al drie maanden in gezegende omstandigheden. Zouden mijn grootouders nog voor de geboorte van mijn moeder zijn verkast naar de Postdwarsweg of pas erna?

Nog een opmerkelijk detail: in tegenstelling tot de adresboeken in de jaren ervoor staat er in de editie van 1951 dat er naast mijn grootvader (met zijn gezin neem ik aan) ook nog de personen J.F.H.J. Elbers en B.J. Klein Gunnewiek aan de Postdwarsweg 15 verbleven. Mijn grootouders hadden op dat moment al negen kinderen. Dat moet een hele bedoening zijn geweest. Hielden ze wellicht kostgangers om wat centjes bij te verdienen?

Postdwarsweg 15, Nijmegen, via Google Maps

Muggen. Ik behoor tot het type dat door steekmuggen al op honderd meter afstand wordt waargenomen. Dwars door muren heen. Als er zich één mug in onze straat bevindt weet zij (alleen vrouwtjesmuggen steken) mij te vinden.

Om half vijf wakker. Mug. Naar beneden. Ook daar mug. Zen’sect opgesmeerd, met 40% deet, waarna er prompt een mug op mijn hand landde. Haar met andere hand doodgeslagen. Hoe oud is dat antimuggenspul eigenlijk?

De twee zorgkantoren die zich buigen over de aanvraag van een persoonsgebonden budget voor ma vergen idioot veel van mijn geduld. Ik bespeur drukdoenerij zonder énige concrete output en voel aandrift om met een houthakkersbijl te gaan zwaaien. (Wees niet bang, ik kan en zal me beheersen.)

‘Er is ook een theorie denkbaar dat de kwaliteit van de boekhandel bepaald wordt door de boeken die je er niet vindt.’—Ad ten Bosch

Eindelijk heb ik ze op een rijtje: de kinderen van mijn overgrootouders Geert Leupen en Geertruid Rutgers: elf stuks. Ga er maar aan staan! Lammegien (1891-1970) was de eerste, mijn grootvader Harm Geert (1910-1992) de een-na-laatste. Daar tussenin zaten Jacob, Jan, Annechien, Willem, Roelof, Roelof, Anna en Harmina. De benjamin heette Evert Geert, die in 1911 ter wereld kwam.

Roelof 1 werd ruim dertien maanden oud en Roelof 2 stierf—waaraan is (nog) onduidelijk—op 16-jarige leeftijd. Harmina hield het al na 34 dagen voor gezien. Hoewel ik nog niet weet wanneer Jacob, Jan en Anna de geest gaven, zou het me niet verbazen als mijn grootvader als laatste van het gezin de grote reis aanvaardde. Ik zal mijn herinneringen aan hem op een later moment boekstaven.

Een vraag die me ook bezighoudt: waarom liet zijn jongere broer Evert Geert, die slechts 61 werd, zich als Geert Leupen—dus zonder Evert—begraven?

Om 02.15 uur wakker. Gevolgd door een gedachtestroom over zaken die nog geregeld moeten worden met betrekking tot de verhuizing van ma. Opgestaan toen de kerkklok vier keer sloeg.

Brief ontvangen waarin staat dat de as van pa op 5 juli jl. verstrooid is vanuit een vliegtuig over de Noordzee. Toen dit aan ma werd voorgelezen zei ze lachend: ‘Dat vind-ie leuk hoor, uit het vliegtuig!’

Zag een vlog over een gezellig samenzijn in een verlaten sanatorium in het Georgische plaatsje Skaltoebo, waar heet bronwater door de straten loopt. Een Georgiër, Wit-Russin en Londenaar brachten een toost uit op hun vrijheid & Europeaan-zijn. Kennelijk rekbare begrippen. En waarom ook niet!

Je zoekt het een, vindt iets anders:

  • de geboorte- en overlijdensakte van mijn overgrootvader Geert Leupen: geboren op 28 oktober 1863 in Gasteren (DR), overleden op 28 juli 1939 in Epe (GD);
  • de vermeldingen van de geboorte van mijn moeder in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant en De Gelderlander, beide op zaterdag 19 oktober 1935;
  • vijf edities van het Algemeen adresboek van de stad Nijmegen en omliggende dorpen, waaruit blijkt dat mijn grootvader Harm Geert Leupen van 1936-1951 met zijn gezin aan de Postdwarsweg 15 te Nijmegen woonde en al die tijd het beroep van ‘kellner’ (sic) uitoefende.

Laat ik nou onlangs met Tim tijdens onze 2-daagse wandeltocht in Drenthe in de uitspanning Pannenkoekenboerderij Brinkzicht te Gasteren thee met gebak hebben geconsumeerd! En mijn moeder is dus op een woensdag geboren (weetfeitje).

kelner: ‘ober, bediende in café of restaurant’; ontleend aan Duits Kellner, ontwikkeld uit Oudhoogduits kellenāri ‘keldermeester, beheerder van de voorraadkelder’, ontleend aan middeleeuws Latijn cellenarius, afleiding van klassiek Latijn cellārium ‘voorraadkelder, wijnkelder’.

Bovenop de stapel lag een familiefoto waarop een van mijn overgrootmoeders van moederskant centraal staat, Maria Spann, geboren Eerden. Ze poseert samen met twee dochters, hun echtgenoten en een zootje kleinkinderen. Links heeft mijn grootvader Harm Geert Leupen een hand op de schouder van zijn oudste dochter (mijn moeder) gelegd, en helemaal rechts kijkt mijn grootmoeder Gerarda met nauwverholen trots in de camera. Ik schat dat deze foto in 1947 genomen is. Mijn overgrootmoeder is dan al enkele jaren weduwe.

Via het Gelders Archief vond ik een kopie van haar geboorteakte: Maria Eerden werd op 20 maart 1876 in Millingen aan de Rijn geboren. Haar vader Jacobus was op dat moment 37 jaar oud en riviervisser van beroep, haar moeder Margaretha, meisjesnaam De Bruijn, was twee jaar jonger dan Jacobus en zwaaide de scepter over het huishouden.

Stomtoevallig kreeg een oudere broer van Jacobus, Hermanus, op dezelfde dag eveneens een dochter: Helena. De vader van deze broers, Cristoffel Eerden, blijkt voordat hij riviervisser werd militair te zijn geweest. Hij is de derde militair die ik tot nu toe in mijn stamboom ben tegenkomen—de twee anderen zijn mijn vader (KVV’er geweest) en ikzelf. Ik heb nog veel uit te zoeken. Elke nieuwe genealogische vondst roept nieuwe vragen op.

Wat ik vandaag via allefriezen.nl nog meer over de familie Leupen te weten kwam:

Vermoedelijke geboortejaren van mijn overgrootouders:
1863: Geert Leupen;
1867: Geertruida Rutgers.

Met betrekking tot hun kinderen:
1910: geboorte zoon Harm Geert, mijn grootvader;
1911: geboorte zoon Evert Geert;
1914: huwelijk dochter Lammegien, dan 22 jaar oud;
1918: overlijden zoon Roelof, dan 16 jaar oud;
1919: huwelijk dochter Annechien, dan 23 jaar oud;
1929: huwelijk zoon Willem, dan 32 jaar oud.

Woonplaatsen van Geert en Geertruida:
1910: Oosterwolde;
1911: Oosterwolde;
1914: Oosterwolde;
1918: Kampen;
1919: Kampen;
1920: Fochteloo (nabij Oosterwolde);
1921: Oosterwolde;
1922: Weperpolder (nabij Oosterwolde)
1929: Epe.

Beroepen van Geert:
1910: landbouwer;
1911: landbouwer;
1914: landbouwer;
1918: koopman;
1919: slager;
1929: koopman.

Met betrekking tot de dood van mijn overgrootouders:
1942: overlijden van Geertruida te Assen. Ze was op dat moment weduwe van Geert en woonde weer in Oosterwolde.

En dan is er nog een kwestie met betrekking tot een boerenplaats te Oosterwolde, waar Geert een bod op uitbrengt en die hem begin 1918 ‘provisioneel’ wordt toegewezen. In het Lycaeus Juridisch Woordenboek vind ik onder het kopje ‘provisionele en finale toewijzing’ de volgende uitleg:

‘Soort akte of proces-verbaal uit de 19de en begin 20ste eeuw, waarin de notaris het geveilde onroerend goed zonder voorbehoud aan de hoogste bieder toewijst. De hoogste bieder weet dan zeker dat hij het huis kan kopen. De akte ‘provisionele toewijzing’ wijst erop dat toewijzing plaatsvindt onder voorbehoud van toestemming van de verkoper, omdat de hoogst geboden prijs kennelijk lager is dan de minimumprijs die de verkoper wilde hebben.’

Eind 1921 koopt Geert vastgoed in Oosterwolde voor het bedrag van fl. 8845. Mogelijk betreft het de boerenplaats waar hierboven sprake van is. Begin 1922 spreekt een notaris echter een royement uit, wat vermoedelijk betekent dat Geert met betrekking tot de koop een ‘waardeloze’ hypothecaire inschrijving had overlegd.

Het heeft er alle schijn van dat mijn overgrootvader met betrekking tot de koop had gebluft, onvoldoende kapitaalkrachtig was geweest.

Saillant in dit verband zijn twee gerechtelijke vonnissen die in deze periode worden uitgesproken: (1) in mei 1920 worden Geert en zonen Jan en Willem schuldig geacht aan huisvredebreuk, en (2) in augustus 1921 gaat zoon Jan wegens brandstichting negen maanden het gevang in.

Wellicht hebben deze delicten iets met de aankoop van de boerenhoeve te maken; je weet het niet.

Mijn grootvader van moederskant, Harm Geert Leupen, was de échte Fries in onze familie. Hij werd op 16 december 1910 in Oosterwolde (FR) geboren, dat twintig kilometer ten westen van Assen ligt, op de grens tussen Friesland en Drenthe. Zijn ouders, Geert Leupen en Geertruida Rutgers, kwamen uit de buurt van Rolde, niet ver van Assen.

Vanochtend vond ik op allefriezen.nl de geboorteakte van mijn grootvader. Daarin las ik dat hij om vijf uur ‘s ochtends werd geboren, dat zijn vader op dat moment landbouwer was en zijn moeder zonder beroep.

Leupen is een ongewone naam. Volgens de Nederlandse Familienamenbank droegen in 1947 slechts 154 personen in Nederland die naam en zestig jaar later 254.

Een vijftien jaar oudere zus van mijn grootvader, Annechien, huwde in 1919 met Alle de Jong uit Makkinga, dan arbeider van beroep. Ze zullen hun hele leven lang in Oosterwolde en omgeving blijven wonen. Vanmiddag bezocht ik hun gemeenschappelijke graf op de Algemene Begraafplaats aan de Pradingaweg te Oosterwolde.