Gecanoniseerd dus

Kreeg vandaag een ‘melding’ binnen van Noordhoff Uitgevers van de ‘overname in een van onze publicaties van een kort gedeelte van een werk.’ Het betreft een deel (minder dan 200 woorden) van mijn lange gedicht ‘nederland is groot’ uit mijn eerste bundel Je komt er wel bovenop (Stanza, 2007), dat wordt overgenomen in Nieuw Nederlands 5e havo 3 leerboek (oplage 5000). Grappig. Gaat potdomme € 56,20 kosten, dat boek! Gecanoniseerd dus, dit gedicht, tot referentiepunt verklaard door het onderwijs. (En nee, dit gedicht gaat niet over verwondering, en ja, het wordt doodgezwegen door de ‘official verse culture’, en nee, van Hans Groenewegen mag ik mij niet de auteur noemen van dit gedicht (dat hij niet uit zijn hoofd kende), en ja, ik word voor de overname betaald.)

En om nog maar eens te illustreren dat in Nederland vooral het kleine wordt geëerd, de volgende uitspraak die Arjan Peters vandaag in de Volkskrant doet: ‘Lees liever het gedicht van Schippers over moedervlekken. Of herlees Lodeizen over mieren. Zo klein kunnen mooie dingen zijn. De dichter laat ze zien.’ Niet altijd dus (een fragment):

nederland is groot

afrika is een arm continent en het verschil met nederland is groot

nederland is groot in zuivel
in de productie en de uitvoer van groenten en fruit
in doorgeslagen milieuregels
in het oplossen van kleine problemen
in documentaires, in het thuis bevallen en dat moet zo blijven
in keurmerken en het afrekenen van een ieder op een zwakke plek
nederland is groot is een bedrijf is de koepel

nederland is groot genoeg voor kansrijke grondgebonden landbouw
groot genoeg voor verenigingen van islamitische advocaten, medici, ondernemers, docenten etc.

(Dit bericht verscheen eerder, op 08-02-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Echte dichters bedenken hun gedichten zélf

Ik las het en herkende het:

‘Als laattwintigste-eeuwse avant-garde literatuur volgens de logica der kritiek te werk gaat – dat wil zeggen, als het tracht aan de internationale bourgeoisie de hypocrisie te laten zien van haar zelfbeeld als traditionele brenger van voorspoed en hoogontwikkelde beschaving – dan volgt flarf, als een eenentwintigste-eeuwse avant-garde, een andere strategie. Het richt zijn pijlen op, drijft de spot met wat je, Peter Nisbet volgend, de “vermanende klassen” zou kunnen noemen, de intellectuelen die zich verplicht voelen het gros van de mensen op te voeden en te motiveren.’ – Brian M. Reed, Nobody’s Business: Twenty-First Century Avant-Garde Poetics, Cornell University Press, 2013

Poëzie als middel om te prikkelen. En oh wat waren sommigen geïrriteerd, ontstemd over het verschijnsel flarf. In mijn lezing ’Poëzie voor klootzakken?’ (2007) ga ik op Amerikaanse irritaties in. In Nederland schreef Hans Groenewegen een artikel, gepubliceerd in zijn laatste essaybundel Met schrijven zin verzamelen: Over poëzie in de Lage Landen (Wereldbibliotheek, 2012), waarin hij zijn ergernis over flarf niet onder stoelen of banken steekt en er zelfs onsamenhangend van wordt. Halfweg maakt Groenewegen zich een voorstelling van hoe een flarfdichter te werk gaat en eindigt de passage zo:

‘Dan heeft [de flarfdichter] een gedicht. Print het uit. Leest het over. En nog eens. Hij blijft ontevreden. Pakt een schaar. Knipt, verzamelt de knipsels in het broodmandje en gaat halverwege de trap staan. Met vaste hand tikt hij over wat hij daarna achtereenvolgens heeft opgeraapt en brengt wit aan. Hij leest het geheel nog eens over en weet: dit is het. Weliswaar herken ik mezelf niet, niet ik, de dichter, zing in het gedicht, maar iemand of iets anders, maar het zingt voor mij, al heb ik het allemaal niet bedacht, zoals het mij nu bedenkt sta ik ervoor, ik heb het gemaakt omdat niemand anders dit vreemde zo zou kunnen maken, al waren we allemaal met dezelfde zoektermen begonnen, in elk trapgat en elk ochtendhumeur tocht het op een andere manier, en ik ben nu degene die ziet dat het af is, helemaal af in zijn gebrokenheid, daarom vraag ik er copyright op aan, dit ritme van woorden, beelden, betekenissen, dissonanten, klanken, witten klopt in mij, deze tekst maakt mij tot de dichter die ik blijkbaar ben.’

Ik heb heel wat flarfgedichten geschreven, maar niet één is op bovenstaande wijze tot stand gekomen, en ook de door Groenwegen veronderstelde gedachtegang van de fictieve flarfdichter is mij volkomen vreemd. Dit stukje zegt meer over Groenewegens dogma’s dan over flarf: échte dichters bedenken hun gedichten zélf.

Zo jammer hè als anderen voor jou menen te moeten denken. Voor je het weet heb je er weer een verzinsel bij.

(Dit bericht verscheen eerder, op 25-10-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Mijn poëzie

De wind was me gedienstig van de week (we waren een weekje op vakantie in Giethoorn): voor het varen én voor de finalisering van het lange titelgedicht van mijn nieuwe chapbook dat begin volgend jaar zal verschijnen. ‘Mijn poëzie’ is qua idee dat er aan ten grondslag ligt een navolging van David Bromige’s gedicht ‘My Poetry’ (uit My Poetry, The Figures, 1980). Beide gedichten zijn een collage, waarbij knipsels uit recensies van het eigen werk aan elkaar zijn geplakt. In mijn geval gaat het om kritieken van Chrétien Breukers, Jeroen Dera, Hans Groenewegen, Laurens Ham, Frank Keizer, Erik Lindner, Joep van Ruiten, Mark van der Schaaf, Carl de Strycker en Samuel Vriezen. De eerste strofe van mijn prozagedicht luidt als volgt:

‘Mijn poëzie is bij elkaar geveegd in een omslag. Ik heb mijn naam erop gezet, het een boek genoemd en mijzelf auteur. Zo eenvoudig is dat. Hoewel wisselvallig en niet altijd even samenhangend, is mijn werk ambitieus, uniek en relevant voor de hedendaagse ontwikkeling van poëzie. Breed opgevat gaat het me om het verlies van de relatie tussen woord en leven, dat een keten van lege woorden voortbrengt. Het is tijd om het prestige dat taal in onze cultuur geniet te verwerpen. Mijn poëzie is conceptueel, lijkt lastig of zelfs onleesbaar, wat mede voortkomt uit een radicale drang om álles te tonen. En soms is er lyriek, een persoonlijke lyriek, even geen afstand meer tussen persoon en dichter, momenten waarop ik me laat gaan en lezers probeer te raken.’

Ik ga a.s. zondag naar de ‘book launch’ van Rob Halperns Rampensuites, vertaald door Frank Keizer & Samuel Vriezen en uitgegeven door Perdu. De presentatie vindt plaats tijdens de eerste editie van het Read My World Festival, dat speciale aandacht heeft ‘voor journalistiek, literatuur en alles daartussenin.’ Halpern is een ‘coming man’ binnen de Amerikaanse poëzie en zijn Disaster Suites een spektakelstuk. Ik ben benieuwd naar de Nederlandse vertaling ervan. Het festival wordt georganiseerd door een jongere generatie met oog voor wat er op politiek en literair gebied zowel binnen als buiten onze landsgrenzen afspeelt.

Iemand die ook interesse toont in de hem omringende politieke & literaire wereld is H.C. ten Berge, al weer 74 jaar oud. Ter voorbereiding op het interview dat Olaf Risee en ik hem in oktober zullen afnemen, lees ik momenteel De honkvaste reiziger – Dagbladen, veldnotities I uit 1995 (is er ooit een deel II verschenen?). Ik geniet. Verplichte kost voor iedere poëzieliefhebber.

‘Telkens weer blijkt een van scheppingskracht verstoken leven nauwelijks de moeite waard.’

Zowel Read My World als H.C. ten Berge brengen me in contact met dichters van wie ik nog niet eerder had gehoord en die mijn horizon verbreden. Uit ontmoetingen die aan het toeval worden overgelaten groeit soms iets moois. Vanwege een terloopse opmerking van Ron Silliman schafte ik David Bromige’s My Poetry aan, voor $ 50 + verzendkosten. Daar heb ik geen spijt van.

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-09-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)