Halverwege was ik Cyrille Offermans’ geletterheid zó beu, dat ik zijn boek Een iets beschuttere plek terzijde schoof. Niets tegen geletterheid hoor, maar wel als het zonder praktijkervaring wordt geëtaleerd; dan heet het wijsneuzigheid. Zo lang Offermans schrijft over plekken en kringen waarin hij doorgaans verkeert of verkeerde – leslokaal, werkkamer, museum, schouwburg, Zuid-Limburg, familie, Rasterredactie – of uitweidt over boeken die hij las, kan ik hem velen. Maar zodra hij zijn visie op de rest van de wereld begint uit te meten, breed en hautain, haak ik geïrriteerd af. Een moraliserend stuk over Syrië, gebaseerd op krantenberichten, deed de deur dicht. Afgewogen schrijven over dingen die buiten je leven staan is maar weinigen gegeven.

Ik moet aan Hans Groenewegen denken. Hij publiceerde ooit een essay over mijn dichtbundel Aan een ster / she argued, die ik in Kandahar schreef. Hij hekelt daarin het feit dat er in het gedicht Kamer geen tekst voorkomt over de culturen, geschiedenis of godsdiensten van Afghanistan. Niet wetende wat een privé-vertrek voor een militair in missiegebied betekent, niet wetende dat mijn werkkamer vol stond met boeken over Afghanistan inclusief een bloemlezing Afghaanse poëzie. Groenewegen had het allemaal bedacht vanuit zijn leunstoel.

Leunstoel, 2018 © Ton van ’t Hof