Waarom ik lees

Ik heb me de afgelopen jaren in mijn werk op sommige ogenblikken verloren gevoeld, in een lege ruimte verzinkend, verstoken als ik dan was van enige aandacht van mijn werkgever, waarbij ik me telkens ook afvroeg of ik misschien gefaald had. Dat waren nare ervaringen die een wrok bij me hebben nagelaten. En de wil om niet meer in zulk een omstandigheid terecht te komen. Nu, terugblikkend, kom ik tot de conclusie dat ook ik op punten – te ongedurig, te weinig geduld, te opvliegend – tekort ben geschoten. Maar tekortschieten is niet per se een doodzonde, voor niemand niet, zo houd ik me nu voor.

Ik lees de nieuwe nY, nr. 22, waarin auteurs en critici het belang van literatuur onder woorden trachten te brengen. Op blz. 46 blijf ik even hangen, herken me in een situatie: ‘dat de lezer niet weet,’ zegt Hans Demeyer, ‘waarom hij leest.’ En inderdaad, ik geloof niet dat ik me ooit bewust de redenen heb afgevraagd van mijn leesgedrag. Waarom lees ik literatuur? Op de volgende bladzijde formuleert Demeyer een antwoord: ‘om geruststelling; om de wereld, jezelf en anderen beter te begrijpen; om gecharmeerd of verrast of gedegouteerd [degout = afkeer, walging] te worden; om verstrooiing.’ Jammer genoeg laat hij het hier bij, probeert zijn antwoord, dat me onvoldoende bevredigt, niet verder aan te scherpen. Tegen het einde haalt Demeyer de Chileen Alejandro Zambra aan, als voorbeeld van een schrijver van ‘literatuur als hoopvolle onderneming’. Als ik in Zambra’s citaat het woord ‘vertellen’ vervang door ‘lezen’ verschijnt er iets van een bevredigend antwoord op de vraag waarom ík literatuur lees:

Dat niemand voor een ander hoort te praten. Dat al willen we graag vreemde verhalen lezen, we altijd uiteindelijk ons eigen verhaal zullen lezen.

Willen lezen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 11-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)