De bascule | H.H. ter Balkt

Uit: Waar de burchten stonden en de snoek zwom, H.H. ter Balkt, De Harmonie, 1979
Wellicht kunnen enkele honderdjarigen zich nog een ongemechaniseerd laaglands boerenbestaan herinneren, maar na hen zal dat rustieke leven voorgoed uit onze directe ervaring verdwenen zijn. Door het verleden in alle toonaarden te bezingen wil H.H. ter Balkt (1938-2015) tegenstand bieden aan de moderne verbrokkeling van de wereld. Zijn hang naar natuurlijke eenheid en authenticiteit stort hij in een taalvloed over de lezer uit. Met uitbundige klanken en concrete bonte beelden weet Ter Balkt ook dit gedicht – een bascule is een ouderwetse weegschaal – een lichamelijkheid te verlenen die tot onze zintuigen spreekt. Bovendien geeft deze ode aan het rurale blijk van sociale bewogenheid. ‘De bascule’ draagt geen boodschap uit maar een mening.

Weekend gevoel

b1

Na een verwerkingsperiode van een week of tien ben ik deze week weer fulltime aan ’t werk gegaan. Toch ff wennen: aan de operating hours, de intensiviteit van denken en doen en de sociale interactie. Ik geloof wel dat ik er klaar voor ben. Of ik het ook leuk vind? Dat doet in mijn situatie, nog twee jaar en tien maanden voor mijn functioneel leeftijdsontslag, niets ter zake: er moet brood op de plank. Heb in elk geval op deze vrijdag het ‘weekend gevoel’ weer terug!

Ik lees Leonard Nolens’ dagboeken en bewonder zijn verbetenheid, standvastigheid, waarmee hij zich in zijn missie bijt: hij zal schrijven en niets dan schrijven, zijn leven lang, altoos werkend aan een oeuvre waarin wordt geprobeerd om het zinloze bestaan van een zinnig randje te voorzien. Lovende woorden overigens van Vicky Vanhoutte in De Standaard van vandaag voor Nolens nieuwe bundel ‘Opzichtige stilte: ‘hij herrijst in deze poëzie als een feniks uit zijn as.’

H.H. ter Balkt over poëzie (in een interview uit 1978): ‘Poëzie moet duidelijk zijn, het moet hartbrekend zijn, en het moet appelleren aan het verstand. Maar niet in hoofdzaak. De hoofdzaak is dat het poëzie is; poëzie is een plaats van warmte. Poëzie is gewoon: ‘Kom maar, nou, kom dan?’

(Dit bericht verscheen eerder, op 03-10-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Vliegtuigmagneet

H.H. Ter Balkt (1938) herhaalt zichzelf telkens weer. Bundel na bundel. Ook Vliegtuigmagneet is geen uitzondering op deze regel. Wat betekent dat eerdere kritiek ook van toepassing is op deze nieuwe reeks gedichten. Ik haal de jury van de P.C. Hooft-prijs 2003 nog maar eens aan:

‘De recalcitrante toonzetting van de gedichten, de wellust die uit de schijnbaar frivole, vindingrijke taalbehandeling spreekt, de suggestieve kracht van vele beklijvende beelden, de sarcastische sneren naar de gemechaniseerde wereld en de roofbouw op de natuur zijn verstechnische, stilistische en inhoudelijke aspecten die het oeuvre van H.H. ter Balkt vanaf het begin kenmerken.’

En verderop in het juryrapport (niet volledig online) staat vast ook nog wel iets over de onvervulbare hoop op eenheid die de wereld in Ter Balkts beleving ooit eens was en dat dit de drijfveer van zijn schrijverschap is, wat onder meer tot uitdrukking komt in het voortdurend teruggrijpen op oude versvormen als sonnet en hymne onder een gelijktijdige aantasting ervan. Etc.

Sinds de eerste uitreiking van de VSB Poëzieprijs in 1994 heeft Ter Balkt een stuk of acht dichtbundels gepubliceerd. Van alle genomineerden voor 2013 heeft alleen hij eerder op de nominatielijst gestaan, met Anti-canto’s en De Astatica, dat werd uitgegeven in 2005.

Maar ik zou het gek vinden als Ter Balkt de prijs voor de neuzen van de anderen zou wegkapen. Vliegtuigmagneet is een bundel die je van hem verwacht, geheel in lijn met zijn oeuvre, geen uitzonderlijk exemplaar. Een eventuele toekenning van de VSB Poëzieprijs als waardering voor zijn gehele werk zou ik nog kunnen billijken, ware het niet dat hij inmiddels drie oeuvreprijzen in zijn kast heeft staan.

Wat allemaal niet wil zeggen dat ik niet van de poëzie van deze ouwe romanticus houd, want dat doe ik wel degelijk. Eén strofe dan.

…grommend; tractorsporen
onverdroten ratelend en grommend
Verpletterdheid loerde op ons

(Dit bericht verscheen eerder, op 25-11-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Paul Claes en het onberegelbare

Ik vernam daar (in zijn rubriek Serendipity, Poëziekrant nr. 4, 2010) dat Paul Claes iets heeft gevonden wat hij helemaal niet zocht, met behulp van och ach toeval en intelligentie – want dat betekent serendipiteit – en wel dat hij tegen ontregeling is. Het is Claes zomaar overkomen, onvoorzien, zonder dat hij er nog op gerekend had, maar nú is hij tegen ontregeling.

Dat is mooi, dacht ik, iemand die anti verwarring is en van orde en regelmaat houdt – niks mis mee. Totdat ik zijn stukje niet één-, niet twee-, niet drie- maar wel víermaal gelezen had en er nog altijd geen snars van begreep! Fijn dat Claes nú in evenwicht verkeerd, maar door zijn geleuter ben ík van het slappe koord gesodemieterd. Zijn stukje luidt als volgt:

‘De term “ontregeling” stamt uit de “Lettre du Voyant” (1871) van Arthur Rimbaud. Met “le dérèglement des sens” doelde hij op een vrij simpele stijlfiguur: de synesthesie, het verbinden van verschillende zintuigsferen. Voor Rimbaud ging het om een “dérèglement raisonné”: een beredeneerde ontregeling.

‘Vandaag de dag is de term een lege formule die critici ervan ontslaat de stijl van dichters precies te beschrijven. De cirkel is rond wanneer de dichters Lucebert en H.H. ter Balkt hun critici napraten en het onberegelbare tot regel maken.

‘Ik begrijp deze extase voor ontregeling niet. Sinds een eeuw holt de avant-garde zich voorbij in steeds vluchtiger modes. Niemand ontsnapt aan de paradoxen van de ontregeling. Wat valt er nog te ontregelen als er geen regels meer zijn? Wie van ontregeling een regel maakt, is als de nar die niemand nog au sérieux kan nemen.’

Paul Claes

Claes is tégen dichters die ontregelen, poëzie schrijven waarvan de lezer zegt: ik snap er geen jota van! Alle lezers? De doorsneelezer of alleen Paul Claes? Ik weet het niet.

Enfin. Klaas duikt de historie in en komt met Rimbaud op de proppen: die zou als eerste de term ontregeling hebben gebruikt met betrekking tot de poëzie. En volgens Claes ging het Rimbaud niet zomaar om een ontregeling, maar om een ‘beredeneerde ontregeling’, eentje die verstandelijk verklaard is, dus. Nou Claes, soms kennen we de diepere oorzaak van een gevolg niet. En dat hebben we dan maar te aanvaarden. Misschien bedoel je hier een opzettelijke ontregeling, maar zeg dat dan. Dichters die de lezer per abuis confuus maken, zijn slechte dichters, en daar houd ook ik niet van.

Dan stelt Claes dat ‘vandaag de dag de term [ontregeling] een lege formule [is] die critici ervan ontslaat de stijl van dichters precies te beschrijven’. Ik sta perplex. Ontregeling een ‘lege formule’? Probeer je te zeggen dat ontregeling niet meer werkt? Of dat een gedicht dat beoogt te ontregelen, niets bevat? Althans, niet wat jij verwacht? En dat dit critici ontslaat (van hun plicht?) om de stijl van dichters precies te omschrijven? Waar gaat dit over? Gezwam is het! En hoezo is ‘de cirkel rond wanneer de dichters Lucebert en H.H. Ter Balkt hun critici napraten en het onberegelbare tot regel maken’? Welke cirkel? En wie papegaait nu wie? Want dat blijkt niet uit je voorbeelden. En wat is dat, ‘het onberegelbare’? Dat wat niet regelbaar is? Maar daar hebben we het toch helemaal niet over! Jíj zou versteld moeten worden: de knop op uit!

Dan volgt de apotheose. Claes beweert dat ‘niemand ontsnapt aan de paradoxen van de ontregeling’ – ik bedoel maar. Mijn god. Welke paradoxen? Oh, hij lijkt er in de volgende zin eentje te willen geven: ‘Wat valt er nog te ontregelen als er geen regels meer zijn’? Pats boem. Van mijn stoel. Er zijn géén regels meer! Óf moet ik de nadruk leggen op ‘als’? Als er geen regels meer zouden zijn? Opnieuw weet ik het niet en blijf ontredderd achter. Van het slotakkoord word ik zelfs hoteldebotel: ‘Wie van ontregeling een regel maakt, is als de nar die niemand nog au sérieux kan nemen.’ Er is dus tóch nog een regel. En wie die naleeft is een nar, een dwaas. Aan wat hij of zij zegt, moet je maar geen waarde hechten. Aan wie? Aan Klaas!

Circa 150 Nederlandstalige poëziebundels per jaar, waarvan het overgrote deel verzorgde, gefinetunede, bevattelijke, doorzichtige, grijpbare, heldere, inzichtelijke poëzie bevat – zoals Paul Claes die schrijft – dát is de regel. Prima hoor. Ben ik niet op tegen. Soms geniet ik ervan. Maar ik houd ook van poëzie die me, vooruit dan, ontregelt. Die niet een-twee-drie verzorgd, gefinetuned, bevattelijk, doorzichtig, grijpbaar, helder, inzichtelijk is. Die specifiek taal als onderwerp heeft, de werking ervan onderzoekt, in welke experimentele vorm dan ook. Die me eerder aanzet tot nadenken dan in vervoering meesleept. Lijkt me ook m’n goed recht.

Ik heb wel een hekel aan frutselwerk, beuzelarij, aan onopzettelijke ontregeling, wat het stukje van Paul Claes is, denk ik, en waaruit ik slechts een gefrustreerde dichter kan losmaken, die teleurgesteld is in de lauwe reacties op zijn eigen werk heden ten dage.

(Dit bericht verscheen eerder, op 24-07-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)