Sprekend en vibrerend

Ik herlees H.C. ten Berge’s Levenstekens & Doodssinjalen (De Bezige Bij, 1980), ‘een ruime keuze uit artikelen en essays die ruwweg tussen 1964 en 1975 geschreven werden.’ Ten Berge’s nieuwsgierigheid naar het onbekende komt al in de titel tot uiting: benieuwd, begerig zelfs, naar de wereld van anderen, die je kunt herkennen aan levenstekens en doodssignalen.

Wat me in de gauwigheid opvalt: ook toen al lag de kritiek onder vuur, was de marktsituatie van de poëzie precair en vochten dichters om dat beetje media-aandacht dat er dan nog is voor de poëzie. Pak ’m beet dus veertig á vijftig jaar geleden. Daarnaast een citaat van Nijhoff dat ik vanwege zijn voorspellende waarde niet vergeten wil:

‘Ik geloof, dat in ons tijdperk, waarin de eeuw van het individualisme overgaat in die van de collectiviteit, geen groter moeilijkheid voor de schrijver bestaat dan de vorm zelf van zijn taal. Uit drang naar universaliteit zou men latijn, zou men nog liever geheel taalloos willen schrijven. De traditionele vorm is evenzeer verraderlijk geworden als de spontane ontlading. Om uit deze impasse te geraken, kan men tweeërlei doen. Of teruggrijpen naar een zo oude traditie dat zij onbewust is geworden; of de huidige omgangstaal sprekend en vibrerend maken.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 20-08-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)