Smaakoordeel gestut door gatenkaas

De titel van Calvin Bedients essay, Against Conceptualism: Defending the Poetry of Affect, spreekt boekdelen: deze hoogleraar in ruste heeft iets tegen conceptuele poëzie. Hij maakt zich zorgen over onze toekomst: ‘de 20e eeuw heeft menselijkheid synoniem gemaakt met onmenselijkheid’. Daar zou Bedient wat aan willen doen. Van dichters verlangt hij in dit verband dat ze het verleden en de toekomst niet ‘negeren’ en de poëzie ‘levend’ houden door – en hier worden Deleuze & Guattari geciteerd – ‘nieuwe beelden en affecten te creëren’. Conceptuele poëzie focust evenwel op het concept, waardoor de verbeelding en het gevoel op de achtergrond raken. In deze armzalige staat kan geen betere toekomst worden opgebouwd.

Cruciaal in deze redenering zijn de veronderstellingen dat (1) poëzie alleen levend kan worden gehouden door het scheppen van nieuwe beelden en affecten, en dat (2) conceptuele poëzie niet in staat is om deze nieuwe beelden en affecten voort te brengen.

Bedient zet de aannemelijkheid van veronderstelling 2 zelf op losse schroeven door meerdere malen te wijzen op conceptuele poëzie die afwijkt van de veronderstelde regel, bijvoorbeeld Srikanth Reddy’s ‘Voyager’ en Juliana Spahrs ‘HR 4811 is a joke’. Dit betekent dat, aangenomen dat veronderstelling 1 waar is, Bedient zelf al aangeeft dat ook het conceptualisme kan bijdragen aan het in leven houden van de poëzie en het opbouwen van een betere toekomst.

Veronderstelling 1 levert vragen op als: Wat wordt precies bedoeld met levend houden? En: Klopt de opsomming wel en is zij inderdaad limitatief? Stof om verder over na te denken.

Wat overblijft van Bedients essay is een mening van iemand die de poëzie van ‘Rimbaud, Vallejo, Césaire en meer recent Raúl Zurita’ liefheeft en een afkeer van het werk van dichters als Kenneth Goldsmith en Christian Bök; een smaakoordeel gestut door gatenkaas.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-09-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (15)

Henri Bergson (1859-1941) suggereert dat mensen door de vorming van herinneringsbeelden uit het voorwaardelijk aanwezige, virtuele verleden in staat zijn om creatief te reageren op problemen in het heden. Volgens Gilles Deleuze houden gewoontes het verleden in ons lichaam vast, in anticipatie op de aanname dat de toekomst als dat verleden zal zijn en blijven. Gewoontes maken het passieve geheugen van het virtuele verleden uit. Uit de actieve synthese tussen herinneringsbeelden en begrip ontspruit het verleden als een chronologische reeks voorstellingen waarop het subject kan reflecteren. Maar voegt Deleuze eraan toe, het betreft een verleden dat nooit echt is geleefd. Uit Een lijn is een vore:

05.053

Ik zeg: Soms hebben zaken
een oorzaak. Kijk om je heen, daar
en ginder bijvoorbeeld,
de Wollinghuizersluis in het Ruiten-Aa-Kanaal,
gegrondvest op kunstmest en Dollarslib,
wat eigenlijk verleden is
en al bereikt is.

Ton van ’t Hof

De reflectie wordt creatief als zij zich voorbij de chronologie begeeft en de relatie tussen het virtuele verleden en de respons op een probleem in het heden actualiseert. Zo is het virtuele verleden voor verbetering vatbaar: door de verschijning van een nieuw heden dat uitdrukking is van onze respons. Tegelijkertijd wordt het virtuele verleden met terugwerkende kracht herschreven.

(Dit bericht verscheen eerder, op 04-05-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)