Het komt nogal eens voor dat lezers mijn conceptuele werk, al dan niet met enige aarzeling, als ‘interessant’ kwalificeren. Ik voel me daar, ook als er wordt geaarzeld, nooit ongemakkelijk onder, integendeel; ik vind het prettig als mijn werk serieus genomen wordt.

In ‘Charmless and Interesting: The Conceptual Moment in Poetry’, opgenomen in zijn essaybundel Inventions of a Barbarous Age: Poetry from Conceptualism to Rhyme (MadHat Press, 2016), verheft Robert Archambeau het begrip ‘interessant’ tot een esthetische categorie en brengt het in verband met conceptuele poëzie. Als onderdeel van een grotere kwestie – Wat mist conceptuele poëzie in vergelijking met andere soorten poëzie en wat heeft het te bieden? – belicht Archambeau in dit essay de relatie tussen pure conceptuele poëzie en de esthetische categorieën het aangename en het interessante:

Wat het conceptualisme ook mee heeft, het mist – althans, in zijn pure vorm – het [aangename]. En of je nu veel of weinig met het conceptualisme op hebt, iedereen die zich ermee heeft beziggehouden heeft ondervonden dat het, leuk of niet, zat van het [interessante] heeft.

Pure conceptuele poëzie, dat nog een jonge soort poëzie is, wijst lezen in ‘traditionele tekstuele zin’ van de hand: het concept of idee is het meest belangrijke aspect van een conceptueel gedicht, hoe het ‘eruitziet’ is van ondergeschikt belang; er is geen noodzaak tot een directe ondervinding van de woorden. Een radicaal standpunt voor iets wat zich poëzie noemt. In een interview verwoordde de conceptuele dichter Kenneth Goldsmith, die een zaterdageditie van The New York Times overschreef en in een boek van achthonderd pagina’s – Day – bundelde, het als volgt:

So, in a weird way, if you get the concept – which should be put out in front of the book – then you get the book, and you don’t even have to read it. They’re better to talk about than they are to read.

Als een puur conceptueel gedicht ook nog aangenaam is om te lezen, dan is dat toeval. Aangenaamheid is geen essentieel aspect van een conceptueel gedicht. Het richt zich eerder op een denkerspubliek dan een lezerspubliek.

Het interessante ís de esthetische categorie die het minst gebonden is aan de specifieke kwaliteiten van een tekst of kunstwerk en het meest afhankelijk is van de context waarin tekst of kunstwerk zich ophoudt. We vinden een tekst of kunstwerk vaak interessant als we onvoldoende grip hebben op wat we lezen of zien en tegelijkertijd iets van instemming of afkeuring voelen. Van het interessante worden we ‘wat ongemakkelijk’, zegt Sianne Ngai in haar essay ‘Merely Interesting’ (2008), omdat het verbonden is met de waarneming van iets nieuws, vreemds. Bovendien hebben we de neiging om naar een interessant werk terug te keren om te verifiëren of het nog steeds interessant is. ‘Het interessante zou,’ volgens Ngai, ‘kunnen worden beschreven als een esthetiek zonder inhoud en, als zodanig, eentje die goed past bij de historische verschijning van het moderne subject als een reflectief, radicaal afstandelijk of ironisch ego.’

Met haar bagatellisering van de leeservaring laat conceptuele poëzie zich gemakkelijk koppelen aan het afstandelijke, los van de inhoud opererende interessante. Volgens Ralph Barton Perry (in zijn General Theory of Value, 1926) is nog een andere karakteristiek van het interessant-zijn dat het controverse oproept, uitdaagt tot stellingname: ben je voor of tegen? Niet zozeer vanwege zijn inhoud of een polemische opstelling, maar vanwege de botsing met de verwachtingen van het moment, de opschudding die het nieuwe of vreemde teweegbrengt.

De opvallende afwezigheid van conceptuele gedichten in recent verschenen bloemlezingen van Vlaamse en Nederlandse poëzie (Gert de Jager wees er al eerder op), samengesteld door dichters en literatuurwetenschappers, beschouw ik dan ook als een stellingname tégen het conceptuele en daarmee een ondersteping van zijn succes. Robert Archambeau eindigt zijn essay als volgt:

You may not be reading much conceptualism, and you may well be very much against it, but you’re thinking about it right now, as am I. And whatever else we may think about it, however else we may judge it, we most defenitely find it … interesting.

17012017

~ Stroomstoring in Amsterdam en omstreken vanochtend. Ook bij Tim. Gelukkig bracht de zaklantaarn op mijn telefoon enige uitkomst. Wel koud; ook de verwarming was uitgevallen. Reed nog voor zessen door pikdonker spooky stadsdeel.

~ De boer heeft belangstelling voor huis pa & ma. Hij wil nog wel één ander huis bekijken. Als pa de telefoon neerlegt, lees ik de gemengde gevoelens van zijn gezicht af. Ze willen het liefst in Luttelgeest blijven, maar beseffen tegelijkertijd dat dat gezien hun beider gezondheid geen optie meer is.

~ Niet ver van Luttelgeest maak ik enkele foto’s van een zonovergoten stoppelveld (wat een treffend woord!):

img_4153
Landschap 55, Spanga, 2017 © Ton van ’t Hof
img_4154
Landschap 56, Spanga, 2017 © Ton van ’t Hof

~ Gisteravond met Gert & Nanne bij Kapitein Zeppos gegeten. Het menu is een allegaartje van verschillende keukens, maar de kwaliteit van de gerechten is ruim voldoende! Vooral over poëzie gesproken. We constateerden dat we ons in een grote-dichters-loos tijdperk bevinden, bespeurden vooral een hedendaagse hang naar faam, scoren. De poëzie zelf lijkt van ondergeschikt belang. Over het nut van een Dichter des Vaderlands, stadsdichters en prijzen liepen de meningen uiteen. Ik geloof dat dit instrumentarium vooral bedoeld is om de huidige status quo van het veld te handhaven. De poëzie zelf wordt er geen snars beter van.

img_1266
Gert de Jager (links) en ik bij Kapitein Zeppos in Amsterdam, foto door Nanne Nauta

~ Sebastien Crusener berichtje gestuurd dat ik hem graag uitgeef: ‘Je bundel heeft me enorm verrast. Ik heb niet vaak zulke indringende poëzie van een “debutant” mogen ontvangen.’

Warhoofds gekkenwerk, Alain Delmotte

Dagboek van een uitgever (1)

In het voorjaar van 2012 schreef ik Uitgeverij Stanza bij de Kamer van Koophandel in. Ik wilde poëzie uitgeven, bundels waar ik achter stond, met als enig criterium: mijn eigen smaak. Nu is die breder dan de experimentele verzen die ik zelf schrijf, waardoor het fonds zich niet louter tot deze soort poëzie beperkt. Sinds 2012 zijn er bundels verschenen van uiteenlopende dichters als Frank Keizer, Mark van der Schaaf, Bart FM Droog, Jan Pollet, Chrétien Breukers, Sophia Le Fraga, Nanne Nauta, Martijn Benders, Olaf Risee, Lammert Voos, Sven Staelens, Çağlar Köseoğlu, Gert de Jager, Benne van der Velde, Sacha Blé, Peter van Galen, Estelle Boelsma, Charles Bernstein, Luc Fierens en Martin Knaapen.

Jaarlijks brengt Stanza circa zes bundels uit. De omzet is gestaag gestegen naar vier- á vijfduizend euro per jaar. Als eenmanszaak zit Stanza hiermee aan haar plafond.

Regelmatig ontvangt Stanza manuscripten van bekende en onbekende auteurs. Ik lees ze allemaal. Soms zit daar iets verfrissends tussen. Over de tekst die de Belgische auteur Alain Delmotte me begin februari van dit jaar toestuurde, hoefde ik niet lang na te denken:

‘Hoi Alain,

Top! Dit geef ik graag uit. Ik heb gelachen en gehuild. Ik zit voor dit jaar al wel helemaal vol. Ik zou de publicatie willen inplannen voor het eerste kwartaal 2017. Schikt dat?

Groet, Ton’

Ik kende Alain nog uit mijn periode bij Uitgeverij De Contrabas, die twee bundels van hem publiceerde. Een eigenzinnig dichter, die zich graag van prozapoëzie bedient. Wat ik in handen had, was een volledig uitgewerkte tekst die zo kon worden gedrukt. Een geschenk voor elke uitgever.

De afgelopen maanden hebben we intensief aan de vormgeving gewerkt. Alain had daar goede ideeën over. De proefdruk is binnen. Ik ben zeer tevreden over het resultaat.

img_1089
De proefdruk. Het schilderij op de omslag is van Lucas Devriendt. Johan Duyck verzorgde de vormgeving van de omslag.
Warhoofd is een taalfiguur met een allegorisch karakter, die ook al in vorige bundels van Alain te vinden is, maar ditmaal de hoofdrol heeft. Warhoofd is een geboren loser. Alain beschouwt hem niet als een alter ego. ‘Iedereen is een loser, existentieel gesproken. En dus zou iedereen zich in Warhoofd moeten herkennen.’ Een fragment uit de bundel:

Stoten onder de gordel: voor geen geld in de wereld zou hij die willen missen.

Blunders, flaters, zijn mond voorbijpraten, ondoordachte uitlatingen: allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.

Voor de voeten worden gelopen, is hem een niet te verwoorden zaligheid: hij tekent ervoor.

Noodlot houdt hem bezig. De worp, de gril, de meewarige lol trekt hem daarin aan.

Langs de weg die hij gaat, trapt hij in elke drol. Hij vermoedt dat het de zijne zijn.

Dankbaar is hij voor elke tegenslag en voor wie hem gretig kan manipuleren.

Warhoofds gekkenwerk zal op 25 februari 2017 in de openbare bibliotheek van Harelbeke worden gepresenteerd.

Poëzie superieur aan proza?

1. Waarom dichten? Vanwege het verlangen naar verwoording, een gestileerde concretisering van gemoed en opvattingen.
2. Gisteren een goed gesprek met de makelaar gevoerd: ons huis zal binnen enkele weken in de verkoop worden gezet.
3. Man met messiaanse missie: ‘Verder laat ik al jaren zien hoe het moet, misschien is het je ontgaan. In elk geval vond ik het tijd om es aan te wijzen hoe het niet moet.’ – RHCdG
4. In het plaatsje Irbit, Rusland, werd iemand tijdens een drankgelag doodgestoken omdat hij weigerde te erkennen dat poëzie als genre superieur is aan proza.
5. Vanavond eerst een hapje eten met Nanne en Gert en daarna, als de batterij het nog toelaat, door naar Perdu.

(Dit bericht verscheen eerder, op 31-10-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Auto-summarization

Aiaiai. En ik had me nog zo voorgenomen: géén bier! Maar gezellie was ’t wel, gisteravond in Perdu. Een inspirerende avond met bijdragen van o.a. Maarten van der Graaff en Frank Keizer, waarin Jack Spicer en Brian Kim Stefans aan bod kwamen. ‘Brian Kim Stefans used the auto-summarization function of Microsoft Word, set to filter at 2% of the source-text, to reduce Kenneth Goldsmith’s Soliloquy to its social essence.’ De eerste regels:

‘Uh huh. Yeah, of course. Yeah, I know. Yeah. Oh yeah. Yeah. Right, ok, right. Yeah, Willis. Right. Right. Yeah. Yeah. Eah. Yeah. Yeah. Yeah. Right? Yeah, yeah right. Yeah. Yeah, yeah I’m not interested in that. Yeah. Yeah. Yeah. Right. It’s a book, Yeah. Right. Yeah. Right. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah maybe not. Yeah. Yeah, something like that. Yeah yeah yeah yeah. Yeah. Yeah. Oh right right right. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah, I don’t know. Yeah. Yeah.’ – Brian Kim Stefans, ‘Summary,’ Kluge: A Meditation and Other Works (New York: Roof Books, 2007)

Werd vanochtend met een kater en vijf boeken wakker. De oogst van gisteravond: tweemaal Velimir Chlebnikov, Hélène Gelèns, Lieke Marsman en Alfred Schaffer. We (Johan Herrenberg, Gert de Jager, Nanne Nauta, Mark van der Schaaf, Samuel Vriezen e.a.) hebben het ook nog over uitgeven en contracten gehad, geloof ik. Puik gezelschap. Met één oog naar huis.

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-02-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)