Het Hogere in de buitenlucht

‘De natuur kent het grote geheim en glimlacht.’ – Victor Hugo

image

Nog even terug naar de Gerrit Jan Zwiers romantische wandelaar, over wie ik hier al eerder schreef. Tegen het einde van zijn enthousiasmerende boek De wandelaar is een weeskind van de romantiek vult Zwier het portret van de gevoelvolle wandelaar verder in:

‘De betrokkenheid van de romanticus bij natuur en landschap kan zich op vele manieren uiten. Hij kan het landschap als spiegel van zijn ziel ervaren: zodra hij een bevallig bosmeertje ziet dat nog een stukje van de avondhemel weerkaatst, wordt hij vervuld van een vroegere herinnering. De aanblik van een eenzame boom op een heuvelkam of van een kronkelend beekje roept gevoelens van heimwee en weemoed op. Zijn houding tot de natuur is die van ‘ik’ tot ‘Gij’, niet die van ‘ik’ tot ‘het’, zoals meer praktisch ingestelde mensen die de natuur bekijken.’

Dat wandelen ‘goed voor je is’, is mij met de paplepel ingegoten. Mijn moeder deed niets liever en al heel vroeg nam ze me mee (zie foto). In mijn vroegste herinneringen wandel ik. En ik ben met mijn ouders mee blijven gaan totdat ik het huis uitging. En ik was het huis nog niet uit of ik wandelde in mijn eentje, rugzak op, drie weken lang in Cornwall over het South West Coast Path etc. Zwier besluit zijn portret als volgt:

‘In het gedrag van de natuurminnaar komt deze eerbied voor de omgeving ook tot uitdrukking. In bos en heideveld tracht hij niets te verstoren en zo stil mogelijk te zijn. Hun manier van doen heeft alles gemeen met die van de kerkganger. De romanticus zoekt het Hogere echter in de buitenlucht, in de natuur, net als primitieve volken dat doen.’

Afgezien van de overdrijving in de laatste zin, herken ik me wel in Zwiers beschrijving; ik heb inderdaad eerbied voor mijn omgeving, medemens én natuur. Ik trek mijn wandelschoenen maar eens aan.

De wandelaar is een weeskind van de romantiek, Gerrit Jan Zwier, Uitgeverij Noordboek, 2012.

Ruimtebesef

‘Het is een feit dat veel landschappen in West-Europa in enkele generaties zo sterk zijn veranderd dat oude mensen er soms nauwelijks meer het landschap van hun jeugd in herkennen.’ – Ton Lemaire

Ooit werd ik door een criticus een ‘romanticus’ genoemd, gniffelend, alsof ik een enorme stommiteit zou hebben begaan. Ik moest aan dit voorval terugdenken, toen ik Gerrit Jan Zwiers boek De wandelaar is een weeskind van de romantiek: Op stap in Noord-Nederland uit de openbare bibliotheekkast pakte. Verkies ik voelen boven denken? Zin boven nut? Nu en dan, meen ik. Ik ben wel dol op de natuur. Zwier ging mee naar huis.

Wat verwacht ik van een wandelboek? Dat het informatie geeft. Over wat er tijdens de wandeling wordt gezien, op ooghoogte, en gehoord en geroken. Ik ben ook geïnteresseerd in historische details: waarom ziet het landschap eruit zoals het eruitziet? Waarom doen de mensen in dat landschap wat ze doen? Tot slot mogen de gemoedsbewegingen van de schrijver-wandelaar niet ontbreken, al hoeven ze niet uitputtend te worden behandeld. En dit alles helder beschreven, zonder opsmuk (géén Joyce-Roodnat-geneuzel dus), en met een zeker enthousiasme dat me doet verlangen naar mijn eigen wandelschoenen. Dat verwacht ik van een wandelboek.

De wandelaar is een weeskind van de romantiek voldoet op al deze punten aan mijn verwachtingen. Het is een vlot geschreven, onderhoudend wandelboek. Vooral Zwiers methodiek om steeds met boeken van anderen in de hand te wandelen, waarop hij naar hartelust reflecteert, werkt bijzonder goed. Twee van die boeken heb ik naar aanleiding van Zwiers reflecties intussen zelf aangeschaft. Maar hoe zit het nou met die romantiek? Hierover zegt Zwier het volgende:

‘De wandelaar, die puur voor zijn genoegen op stap gaat, mag dan een product zijn van welvaart en vrije tijd, hij is ook een erfgenaam van de romantiek. Wat hij zoekt, is de intimiteit van de natuur en het oude landschap. “Wandelen is zowel een activiteit als een kunst,” zegt filosoof Ton Lemaire (in Wandelenderwijs). Volgens hem is het de kunst “zich opgenomen te voelen in de totaliteit van de wereld”. Ja, dat is het streven van de ware romanticus: die wil opgaan in de natuur, ermee versmelten.’

Ik heb inderdaad een nostalgisch verlangen naar het Oudhollandse landschap, zoals ik dat ken van oude schilderijen: weids, veel weide en water, monumentale wolkenpartijen, en bovenal een schone horizon: geen flatgebouwen, windmolens, verkeerspleinen etc. Eenmaal in de natuur vergeet ik mijn zorgen, raak vervuld van het hier en nu, vergroot mijn ruimtebesef. In dit verband klinkt ‘versmelten’ me net iets te mystiek, maar dat ik graag in het gezelschap van de natuur verkeer, is zeker. In dat opzicht ben ik voorwaar ‘een weeskind van de romantiek’.

De wandelaar is een weeskind van de romantiek, Gerrit Jan Zwier, Uitgeverij Noordboek, 2012.