Op A.H.J. Dautzenbergs opmerking dat hij het bijhouden van een dagboek soms ervaart als ‘narcistisch’ en ‘ijdeltuiterij’ reageert Gerbrand Bakker met: ‘Ik heb dat helemaal niet. Het is schrijven. Punt. Romans, die zijn pas ijdeltuiterig; alleen al het feit dat je ze uit laat geven door een uitgeverij impliceert dat je vindt dat je de wereld (Nederland) iets mee te delen hebt. Pfft.’ Waarop Dautzenberg tegenwerpt: ‘Jij geeft je dagboek toch ook uit bij een uitgeverij? – in Nederland én Duitsland. Je hebt blijkbaar iets mee te delen. Mijn ongemak komt volgens mij vooral voort uit mijn opvoeding: praten over jezelf, dat doe je niet.’

Terwijl ik dit las schoten me twee dingen te binnen. Ten eerste een open brief van romancier Peter Lenssen in de LC van gisteren, waarin hij fulmineert tegen de huidige overdaad aan literatuur die gebaseerd is op persoonlijke verhalen, de ‘egoïstische zelfpulp’ zoals hij deze soort letteren noemt. Wat me opvalt is dat Lenssen zijn bedenkingen, evenals Dautzenberg, grondt op een fatsoensnorm: je zet jezelf en anderen niet te kakken. ‘Doe dat niet,’ smeekt hij, ‘dit moet je niet willen.’ Wat voor Lenssen kennelijk cruciaal is: dat zelfpulp over echte mensen en ware gebeurtenissen gaat. Want hij ziet geen probleem in confronterende, banale en beschamende ontboezemingen of wraakoefeningen van fictieve personages. Ikzelf heb minder moeite met echte mensen die biechten in het openbaar, geneer me niet voor dat wat ongelogen is.

Ten tweede kwam er een citaat in me op dat ik onlangs in Kate Raworths Donuteconomie las:

‘Elk gezichtspunt is toepasselijk voor een sociale situatie.’ – Karl Mannheim, socioloog

Waarom week Lenssen van zijn eigen fatsoensnorm af en stuurde hij, met het oog op publicatie, zijn scheldkanonnade naar de krant? Ik moet bekennen dat ik even dacht: Zijn romannetjes verkopen zeker niet zo lekker.

Maar alle gekheid op een stokje, er is uiteraard ruimte voor zowel bekentenisliteratuur als fictie. Schrijvers maken hun eigen keuzes. Evenals de lezers. Dat uitgeverijen hun oren vooral naar de laatsten laten hangen, is weer een ander verhaal.

Zoveelste zomerdag dit jaar. En het is nog maar 30 juni. De huidige weersverwachting voor de komende veertien dagen laat geen drupje regen zien. Vitens vroeg me gisteren in een e-mail om mijn waterverbruik tijdens de piekuren te beperken. Ik pak Philipp Bloms De opstand van de natuur (De Bezige Bij, 2017) er nog maar eens bij en lees:

‘In de late middeleeuwen, zo tot aan het midden van de veertiende eeuw, beleefde Europa een warmteperiode: de temperaturen waren gemiddeld twee tot drie graden hoger dan tegenwoordig. Vanaf 1400 ongeveer werd die warmte binnen slechts één eeuw langzamerhand verdrongen door een sterke afkoeling. De temperaturen daalden tot twee graden onder het gemiddelde van de twintigste eeuw, wat in vergelijking met de middeleeuwse warmteperiode dus een verschil betekent van zo’n vier à vijf graden.’

In de warme middeleeuwen, staat nog ergens, groeide het graan in Europa rijkelijk en werd tot in Zuid-Noorwegen wijn gemaakt. Hoewel ik begrijp dat de situatie toen en die van nu onvergelijkbaar zijn, put ik toch een zekere troost uit de wetenschap dat het nog niet eens zo heel lang geleden gemiddeld flink warmer was dan nu en dat die warmte toentertijd, in elk geval in Europa, ook positieve effecten tot gevolg had. Wat me er niet van weerhoudt om mijn eigen verduurzamingsproject met gezwinde spoed te verwezenlijken.

109D6854-E9B1-487A-BC0B-645E37C5FF9F
Onze tuin met wijnstok, 2018 © Ton van ’t Hof

Duitsland-Zweden, gisteravond. Voorbeschouwing. Terwijl zijn buurman een vraag beantwoordt, staart Hugo Borst naar zijn nagels. Borst hangt er al een paar dagen verveeld bij. Hij wordt dik betaald om het de kijker naar de zin te maken, maar minacht alleen maar.  Eergisteren had hij gedurende de wedstrijd nog de krant zitten lezen. Donder dan op, man!

Als de Duitsers verliezen kunnen ze naar huis. Ondertussen probeert Hennie op haar tablet nieuwe kapsels uit. ‘Hoe vind je dit?’ En, als Draxler net voorlangs schiet: ‘Hahah, kijk deze dan!’ Twee schermen tegelijkertijd gaat niet. Zweden wordt een zuivere penalty onthouden. Bo, een van onze katten, ligt, zoals zo vaak, bovenop me.

Hoewel de Duitsers voor rust 70% balbezit hebben, scoren de Scandinaviërs: 0-1. Borst houdt in de rust zijn mond, wordt ook niets gevraagd. Na rust stelt Duitsland, zij het op het nippertje, orde op zaken: 2-1. ‘Voetbal zegeviert,’ zegt Borst, ‘je moet er toch niet aan denken dat Zweden met dit antivoetbal gewonnen zou hebben.’ Ik knik, moet hem hierin gelijk geven.

A.H.J. Dautzenberg in een brief aan Gerbrand Bakker, opgenomen in Ik bestaat uit twee letters (De Arbeiderspers, 2018): ‘Ik weet nog dat je tijdens mijn bezoek in de Eifel zei dat je het zo heerlijk vond om verslag te doen van je leven. Het schrijven van romans vond je maar aanstellerij, daar was je wel klaar mee, het bijhouden van een dagboek ervoer je als een zegen voor je (stokkende) schrijverschap. Misschien moet ik er nog even in komen, maar vooralsnog vind ik het behoorlijk zwaar om het vergrootglas voortdurend op mezelf te richten. Aan de ene kant vind ik het best prettig om mezelf en mijn omgeving een jaar lang te bespieden en te ontleden, aan de andere kant ervaar ik het bijhouden van een dagboek als narcistisch en ijdeltuiterij – ik dit, ik dat. Dat spanningsveld vréét energie.’

Huub Beurskens beschimpte de publicatie van egodocumenten onlangs nog als het voldoen aan ‘de kletsbehoefte van de vigerende bekentenis- en beschuldigingscultuur’. Wat natuurlijk klinkklare nonsens is. Het dagboek is heel wat ouder dan de roman bijvoorbeeld.

In een dagboek draait het volgens Martin Ros om het ‘zichzelf toespreken, troosten, vermanen, inventaris opmaken om weer vooruit te kunnen gaan en verder te kunnen springen.’

Nog een mening, ditmaal van Paul Léautaud: ‘Als ze helder en waarachtig geschreven zijn, door lui met pit die een welgevuld leven achter zich hebben, door mensen die weten te observeren en te vertellen, zijn dagboeken de schrifturen die bij het ouder worden het meest waard blijven gelezen te worden.’

Overigens herinner ik me van Beurskens nog een serie blogberichten, getiteld Weg van de literaire receptie, waarin hij op niets en niemand ontziende wijze zijn frustraties spuide over de literaire wereld en zijn positie daarin. Kennelijk heeft Beurskens twee gezichten.

Voor iedere dagboekschrijver is zijn eigen huichelarij een dankbaar onderwerp. Of zou dat moeten zijn. Een thema dat klam en zwaar is, zich verzet tegen ademhalen.

Alleen toen we vertrokken was het droog. Nog voor we de stad uit fietsten begon het te miezeren. En dat deed het twee uur later, toen we thuiskwamen, nog. Voordeel: we zijn nauwelijks andere mensen tegengekomen. En ook de vogels verwelkomden het frisse bad, floten om het hardst.

933B980B-4748-4B04-9F9C-8ED88400B1BB
Tytsjerk, 2018 © Ton van ’t Hof

Ik lees het bij Gerbrand Bakker en schrijf het op omdat ik het niet vergeten wil: Boudewijn Büch ligt begraven op Driehuis-Westerveld. Ik zoek “Driehuis-Westerveld” op: ‘Westerveld, gelegen aan de Duin en Kruidbergerweg in Driehuis, is een van de oudste particuliere begraafplaatsen in Nederland.’ Driehuis, vlakbij Velsen. Daar ga ik Büch dan nog eens opzoeken. Waarom ligt ie eigenlijk daar?

Begonnen in Het innerlijk blauw. Een keuze uit het dagboek 1918-1939 van de Fransman André Gide. Privé-domein nr. 259. Wie was Gide (1869-1951)? ‘Zonder enige twijfel een van de belangrijkste Europese schrijvers van zijn tijd,’ lees ik op de achterflap, ‘maar ook een vat vol tegenstrijdigheden. Schrijver van de eerste moderne roman van de vorige eeuw (Les Faux-Monnayeurs), zorgvuldig stilist, oprichter van de Nouvelle Revue Française, homoseksueel die zich het hoofd brak over geloofskwesties, moralist en reiziger.’

Ik kende Gide niet, totdat ik enkele weken geleden een citaat uit een van zijn dagboeken tegenkwam, over kunst, waarna ik direct Het innerlijk blauw aanschafte (2e-hands, € 24 exclusief verzendkosten). Het citaat, uit 1918, in het Engels:

‘All great works of art are rather difficult to access. The reader who thinks them easy has failed to penetrate to the heart of the work. That mysterious heart has no need of obscurity to defend it against an overbold approach; clarity does this well enough. Very great clarity, as it often happens for the most beautiful works… is, to defend a work, the most specious girdle; you come to doubt whether there is any secret there; it seems that you touch the depths at once. But ten years later you return to it and enter still more deeply.’

Wat een pil: 662 bladzijden, bijna 6 cm dik. Benieuwd of Gide mijn aandacht weet vast te houden.

Ik vermaak me uitstekend met Gerbrand Bakkers Rotgrond bestaat niet. Over cultuurlandschap en natuur (Cossee, 2018). Bakkers manier van kijken is onderhoudend, zijn toon amusant. Toontje.

Voor Bakker is veel, zo niet alles, betrekkelijk. Steeds weer probeert hij de dingen tot hun juiste proporties terug te brengen.

Maar met betrekking tot het verdwijnen van planten- en diersoorten relativeert hij me toch te veel. Bakker lijkt onvoorwaardelijk in de veerkracht van de natuur te geloven: hier verdwijnt iets, daar komt er weer wat bij.

Op tweederde van het boek ben ik de term biodiversiteit nog niet één keer tegengekomen en heeft Bakker nog geen aandacht gewijd aan ecosystemen die verdwijnen of leefomgevingen die worden ontwricht. Dat verbaast me, in een boek als dit, wel.

Is dat erg? Nee. Het heeft iets recalcitrants. Wat ik dan weer innemend vind.

Update: op pagina 132 kom ik dan eindelijk het woord biodiversiteit tegen, en op pagina 133 nog tweemaal. Bottom line: Bakker moet niets van, in zijn ogen, onvoldoende onderbouwde doemscenario’s hebben. Bovendien is de natuur onvoorspelbaar.

Tja. Geef hem eens ongelijk.

Gerbrand Bakker was vijftig toen hij een oud huis in de Eifel kocht. Hij wilde al heel lang iets buiten, terug naar het platteland, maar niet terug naar zijn geboortegrond, in Noord-Holland, omdat hij bang was dat hij daar dan overspoeld zou worden door weemoed en melancholie. ‘Dat zou ik niet trekken,’ schrijft hij in Jasper en zijn knecht, ‘vandaar dat ik zo tevreden ben met heuvels en dalen, beuken- en sparrenbossen, beekjes en rivieren, zwarte ooievaars, ringslangen en hazelwormen (ik wil Koos van Zomeren en zijn vrouw hier nog eens uitnodigen), duizenden overtrekkende kraanvogels in maart (naar het noorden) en in november (naar het zuiden), een voor mij vreemde taal.’

Zat vanochtend al rond tienen aan de overkant van de Westersingel terwijl de zon langzaam door de sluierbewolking heen brak. Zitten schilderen tot de batterij van mijn iPad leeg raakte (ik schilder op een iPad Pro). Tegen enen weer thuis met razende honger en opgefrist hoofd.

Je thuis voelen, dat is wat Bakker doet in de Eifel en ik in het Friese gewest doe. Ik ben geboren in Haarlem en opgegroeid in Den Haag en Leiderdorp, maar ga er voor geen goud naar terug. Te veel mensen, te druk. Beton en bakstenen. Geef mij de lage Friese horizon maar, waarboven de duizelingwekkende wolken.

D3FBA97F-7335-44DC-BB4B-F8DF3366971E
Westersingel, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

‘Over de hele wereld raakt het water sneller op dan het wordt aangevuld’, lees ik in de ochtendkrant, we verbruiken te veel en verspillen te veel. De hoogleraar die wordt aangehaald is ‘positief over de toekomst, maar dan moet de wereld de komende jaren grote stappen zetten.’ Ik ben minder positief. Dé wereld is té verdeeld om grote stappen te kunnen zetten. Dikke kans dat er strijd wordt aangegaan. Lees vervolgens ook maar weer eens dat rundvlees om idiote hoeveelheden water vraagt, ruim 15.000 liter per kilo, en schrap alle vlees van mijn boodschappenlijstje.

Een uurtje door de stad gewandeld. Ik heb last van mijn linkerachillespees – oude kwaal – en moet het deze week wat rustiger aan doen. Het is vandaag alwéér grijs en alwéér winderig; ik word er zo langzamerhand behoorlijk sikkeneurig van. Thuis dan toch eindelijk begonnen aan het samenstellen van het eerste deel van mijn schrijversdagboek, dat een keuze uit mijn blogberichten uit de periode 2009-2017 omvatten zal. Zonder notenapparaat maar met een namenregister. Om het e.e.a. zelfstandig leesbaar te maken zal er ook moeten worden geredigeerd. Al met al best een klusje.

In bad aan Gerbrand Bakkers deeltje in de Privé-domeinreeks begonnen, Jasper en zijn knecht (2016). Had nog nooit wat van hem gelezen en moest wennen aan zijn, uh, enigszins houterige stijl. Maar hij boeit me vooralsnog wel. Ben benieuwd of zijn verhuizing naar de idyllische Duitse Eifel ook de uitwerking heeft die hij beoogde. Daarnaast wil ik weten wat Bakker van het dagboekschrijven bakt. De lineaire tijdlijn die aan het boek ten grondslag ligt en loopt van december 2014 t/m december 2015, wordt in elk geval herhaaldelijk doorbroken door herinneringen, oude verhalen, een terugkijken op het verleden.