Van de wereld

De bomen met hun volle bladerkronen zwiepten als in trance geraakte dansers vervaarlijk rond. Zou het hier vroeger ook zó vaak zó hard hebben gewaaid?

David Marksons Reader’s Block is een knap staaltje ritmisch mompelen; experiment geslaagd.

Grote schrijvers verstaan niet alleen hun vak, oreerde Longinus, maar ze zijn ook grillig en geniaal.

De koe met gekneusde heup ligt nog altijd buiten in het gras, vredig te malen. Volgens Foppe komt ze er wel weer bovenop. Ze wordt dagelijks met een mobiele melkmachine gemolken.

Als je loopt, of tuiniert, ben je eigenlijk even van de wereld. Zei Gerbrand Bakker.

Paracetamolletjes

‘Je moet precies weten waarover je schrijft,’ zegt Gerbrand Bakker in Knecht, alleen, en precies zijn in wat je schrijft, voegde ik eraan toe. Anders wordt het al gauw gezwets, lulkoek.

Vanochtend werd ik wakker met spierpijn in mijn nek. Verkeerd gelegen of gisteren tijdens lichamelijke arbeid in de tuin een nekspier verrekt. En ik moest nogal wat werk verzetten vandaag: grond egaliseren en een waterornament plaatsen. En morgen wordt drieduizend kilo grind afgeleverd, dat rondom het waterornament moet worden gelegd. Er zat weinig anders op dan twee paracetamolletjes in te nemen.

We stonden naar vijf volwassen paarden en een veulen te kijken. Mijn moeder glunderde: ‘Fucking leuke paarden.’ Het drong maar langzaam tot me door: ‘Wat zei je nou?’ Ze keek me lachend aan: ‘Zukke leuke paarden.’

Hij doet het

Bewustzijnsschaal

‘[Voskuil] was een man,’ zegt Gerbrand Bakker in Knecht, alleen, ‘die zich staande hield in een hem vijandig gezinde wereld. Die de boel bezwoer door een dagboek bij te houden, door te schrijven, misschien wel obsessief.’ Herkenbaar, dacht ik gisteravond, al zou ik in mijn geval liever spreken van een chaotische wereld, wanordelijke.

Keek vanochtend naar buiten en werd me bewust van de regen, wind. Radio 4 zond Ryuichi Sakamoto’s ‘Solitude Theme’ uit, uitgevoerd op piano, door Jeroen van Veen. Onder de grijzige hemel oogden de geraniums godsgruwelijk rood. Even scoorde ik hoog op de bewustzijnsschaal.

Na enkele klusjes en een nieuwe haring met uitjes een flinke wandeling gemaakt. Aanvankelijk miezerde het maar toen ik na een half uur in Hantum aankwam klaarde het op en werd het uitstekend wandelweer. Achter de kerk rechts afgeslagen richting het boeddhistische studie- en meditatiecentrum Karma Deleg Chö Phel Ling, dat sinds 1986 in de weilanden tussen Hantum en Hiaure ligt. Onderweg veel vliegverkeer: scholeksters met jong, kieviten die een buizerd wegjoegen, slobeenden, wilde eenden, gierzwaluwen, boerenzwaluwen, zilvermeeuwen, visdiefjes, blauwe reigers etc. Ook zag ik een marterachtige de weg oversteken. In de buurt van Foudgum klom een geheel in het zwart geklede man langs een boom omhoog en stak zijn hoofd in een knots van een nestkas. Jammergenoeg was hij al weg eer ik hem iets kon vragen.

Hantum, 2020 © Ton van ’t Hof

Maar waarheen?

Bleef vanochtend langer stilstaan bij slotbouten dan het ochtendnieuws. Welke geschikte slotbout kon ik waar krijgen? Voor de kastanjehouten pergola.

De pimpelmezen zijn uitgevlogen. Maar waarheen?

Kastanjehouten pergola gefikst. Volgende deelproject: het waterornament. Langzaam beginnen onze ideeën vorm te krijgen.

Ook nog gewerkt aan de vertaling van het derde gedicht uit John Ashbery’s A Worldly Country, ‘Streakiness’. Alleen de titel kostte al heel wat hoofdbrekens.

Dichter? Ik werd het per ongeluk, was het nooit van plan geweest, en weet nog steeds niet waar het nou eigenlijk allemaal over gaat.

En natuurlijk heb ik Gerbrand Bakkers nieuwe boek al binnen, Knecht, alleen, alleen wil ik eerst de twee andere boeken waarin ik bezig ben uitlezen. Geduld!

Terwijl ik dit bericht tikte, klom er op nog geen tien cm voor mijn ogen ineens een groene spin naar het plafond. Zo’n dikke.

Roze champagne

Terwijl wind en regen vanochtend huis en tuin geselde dronk ik koffie, las in Gerbrand Bakkers Jasper en zijn knecht en luisterde naar de Italiaanse postrockband La Biblioteca Deserta. Bakker moet, net als ik, niets hebben van Tommy Wieringa. Wat een kwasterig mannetje. Ik heb nooit een boek van Wieringa gelezen. En ooit een halve column. Toen wist ik genoeg.

09.44 uur: onweer, hagel. Hilarische anekdote van Bakker over een lunch bij de koningin: ‘En toen was het voorbij. Weer een voor een langs de koningin [Beatrix] en het presidentsechtpaar [van Ierland]. De koningin zei weer helemaal niets en ik had inmiddels zoveel drank op dat ik botweg “dank u wel en tot ziens” heb gezegd.’

Als cadet liep ik ooit halfdronken op een receptie van prins Bernhard rond, terwijl op de achtergrond het Cadetten Tamboerkorps onophoudelijk tamboereerde. Bernhard dronk, als enige, roze champagne.

10.08 uur: opklaring. Volgens Buienradar zou het voorlopig niet meer gaan regenen. Poepte voor de tweede keer, trok mijn overall aan en begon met het afbreken van volière annex kippenhok annex geitenhok annex schuurtje. Zon!

Een komen en gaan

Momenteel lees ik Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker. Een uitgave in de onvolprezen Privé-domeinreeks. Nummer 287. Uitgebracht in 2016. Het is een reeks waar ikzelf nog wel eens in zou willen verschijnen, als blogger, met een jaargang blogberichten. Maar dat zal er niet van komen. Dat is een utopie.

Ik hérlees Jasper en zijn knecht, las het twee of drie jaar geleden voor het eerst. Jasper is Bakkers hond en Bakker is de knecht. Geweldig boek. Al vind ik de schrijver een rare snoeshaan, een einzelgänger, maar schrijven kan hij. Overigens is Bakker de eerste die zal toegeven dat hij een eenpittertje is, iemand die niet veel opheeft met anderen. Wat hij zelf moet weten, hoor, dat is zijn goed recht.

Terwijl ik Bakker lees moet ik aan M denken, naast wie wij in 1987 kwamen wonen. M & M. Ze zijn ietsje ouder dan wij. Vier jaar zijn we buren geweest, met veel plezier. M & M proaten Brabants, zijn joviaal, maken van hun hart geen moordkuil. Biertje, glaasje wijn en af en toe een peukje. Veel lachen doen ze ook.

We zijn elkaar nooit uit het oog verloren, hebben nog altijd contact. Ze wonen al jaren in Goes. M’s laatste standplaats was Woensdrecht, en ze zijn in Goes blijven hangen, nooit teruggekeerd naar Eindhoven, waar ze oorspronkelijk vandaan komen.

Maar M gaat dood. Hij is uitbehandeld, vertelde M gisteravond door de telefoon. Slokdarmkanker. Waarvan we dachten dat hij genezen was. Maar de kanker keerde terug. In sneltreinvaart. De goedlachse, altijd vrolijke M moet nu dus de pijp aan Maarten geven. Over enkele weken, of maanden, wie zal het zeggen. Klop klop.

Gisteren werd op een van de boerderijen tegenover ons een kalf geboren. Op de foto hieronder is hij, het is een hij, nog geen twee uurtjes oud. Het leven is een komen en gaan.

Op A.H.J. Dautzenbergs opmerking dat hij het bijhouden van een dagboek soms ervaart als ‘narcistisch’ en ‘ijdeltuiterij’ reageert Gerbrand Bakker met: ‘Ik heb dat helemaal niet. Het is schrijven. Punt. Romans, die zijn pas ijdeltuiterig; alleen al het feit dat je ze uit laat geven door een uitgeverij impliceert dat je vindt dat je de wereld (Nederland) iets mee te delen hebt. Pfft.’ Waarop Dautzenberg tegenwerpt: ‘Jij geeft je dagboek toch ook uit bij een uitgeverij? – in Nederland én Duitsland. Je hebt blijkbaar iets mee te delen. Mijn ongemak komt volgens mij vooral voort uit mijn opvoeding: praten over jezelf, dat doe je niet.’

Terwijl ik dit las schoten me twee dingen te binnen. Ten eerste een open brief van romancier Peter Lenssen in de LC van gisteren, waarin hij fulmineert tegen de huidige overdaad aan literatuur die gebaseerd is op persoonlijke verhalen, de ‘egoïstische zelfpulp’ zoals hij deze soort letteren noemt. Wat me opvalt is dat Lenssen zijn bedenkingen, evenals Dautzenberg, grondt op een fatsoensnorm: je zet jezelf en anderen niet te kakken. ‘Doe dat niet,’ smeekt hij, ‘dit moet je niet willen.’ Wat voor Lenssen kennelijk cruciaal is: dat zelfpulp over echte mensen en ware gebeurtenissen gaat. Want hij ziet geen probleem in confronterende, banale en beschamende ontboezemingen of wraakoefeningen van fictieve personages. Ikzelf heb minder moeite met echte mensen die biechten in het openbaar, geneer me niet voor dat wat ongelogen is.

Ten tweede kwam er een citaat in me op dat ik onlangs in Kate Raworths Donuteconomie las:

‘Elk gezichtspunt is toepasselijk voor een sociale situatie.’ – Karl Mannheim, socioloog

Waarom week Lenssen van zijn eigen fatsoensnorm af en stuurde hij, met het oog op publicatie, zijn scheldkanonnade naar de krant? Ik moet bekennen dat ik even dacht: Zijn romannetjes verkopen zeker niet zo lekker.

Maar alle gekheid op een stokje, er is uiteraard ruimte voor zowel bekentenisliteratuur als fictie. Schrijvers maken hun eigen keuzes. Evenals de lezers. Dat uitgeverijen hun oren vooral naar de laatsten laten hangen, is weer een ander verhaal.

Zoveelste zomerdag dit jaar. En het is nog maar 30 juni. De huidige weersverwachting voor de komende veertien dagen laat geen drupje regen zien. Vitens vroeg me gisteren in een e-mail om mijn waterverbruik tijdens de piekuren te beperken. Ik pak Philipp Bloms De opstand van de natuur (De Bezige Bij, 2017) er nog maar eens bij en lees:

‘In de late middeleeuwen, zo tot aan het midden van de veertiende eeuw, beleefde Europa een warmteperiode: de temperaturen waren gemiddeld twee tot drie graden hoger dan tegenwoordig. Vanaf 1400 ongeveer werd die warmte binnen slechts één eeuw langzamerhand verdrongen door een sterke afkoeling. De temperaturen daalden tot twee graden onder het gemiddelde van de twintigste eeuw, wat in vergelijking met de middeleeuwse warmteperiode dus een verschil betekent van zo’n vier à vijf graden.’

In de warme middeleeuwen, staat nog ergens, groeide het graan in Europa rijkelijk en werd tot in Zuid-Noorwegen wijn gemaakt. Hoewel ik begrijp dat de situatie toen en die van nu onvergelijkbaar zijn, put ik toch een zekere troost uit de wetenschap dat het nog niet eens zo heel lang geleden gemiddeld flink warmer was dan nu en dat die warmte toentertijd, in elk geval in Europa, ook positieve effecten tot gevolg had. Wat me er niet van weerhoudt om mijn eigen verduurzamingsproject met gezwinde spoed te verwezenlijken.

109D6854-E9B1-487A-BC0B-645E37C5FF9F
Onze tuin met wijnstok, 2018 © Ton van ’t Hof

Duitsland-Zweden, gisteravond. Voorbeschouwing. Terwijl zijn buurman een vraag beantwoordt, staart Hugo Borst naar zijn nagels. Borst hangt er al een paar dagen verveeld bij. Hij wordt dik betaald om het de kijker naar de zin te maken, maar minacht alleen maar.  Eergisteren had hij gedurende de wedstrijd nog de krant zitten lezen. Donder dan op, man!

Als de Duitsers verliezen kunnen ze naar huis. Ondertussen probeert Hennie op haar tablet nieuwe kapsels uit. ‘Hoe vind je dit?’ En, als Draxler net voorlangs schiet: ‘Hahah, kijk deze dan!’ Twee schermen tegelijkertijd gaat niet. Zweden wordt een zuivere penalty onthouden. Bo, een van onze katten, ligt, zoals zo vaak, bovenop me.

Hoewel de Duitsers voor rust 70% balbezit hebben, scoren de Scandinaviërs: 0-1. Borst houdt in de rust zijn mond, wordt ook niets gevraagd. Na rust stelt Duitsland, zij het op het nippertje, orde op zaken: 2-1. ‘Voetbal zegeviert,’ zegt Borst, ‘je moet er toch niet aan denken dat Zweden met dit antivoetbal gewonnen zou hebben.’ Ik knik, moet hem hierin gelijk geven.

A.H.J. Dautzenberg in een brief aan Gerbrand Bakker, opgenomen in Ik bestaat uit twee letters (De Arbeiderspers, 2018): ‘Ik weet nog dat je tijdens mijn bezoek in de Eifel zei dat je het zo heerlijk vond om verslag te doen van je leven. Het schrijven van romans vond je maar aanstellerij, daar was je wel klaar mee, het bijhouden van een dagboek ervoer je als een zegen voor je (stokkende) schrijverschap. Misschien moet ik er nog even in komen, maar vooralsnog vind ik het behoorlijk zwaar om het vergrootglas voortdurend op mezelf te richten. Aan de ene kant vind ik het best prettig om mezelf en mijn omgeving een jaar lang te bespieden en te ontleden, aan de andere kant ervaar ik het bijhouden van een dagboek als narcistisch en ijdeltuiterij – ik dit, ik dat. Dat spanningsveld vréét energie.’

Huub Beurskens beschimpte de publicatie van egodocumenten onlangs nog als het voldoen aan ‘de kletsbehoefte van de vigerende bekentenis- en beschuldigingscultuur’. Wat natuurlijk klinkklare nonsens is. Het dagboek is heel wat ouder dan de roman bijvoorbeeld.

In een dagboek draait het volgens Martin Ros om het ‘zichzelf toespreken, troosten, vermanen, inventaris opmaken om weer vooruit te kunnen gaan en verder te kunnen springen.’

Nog een mening, ditmaal van Paul Léautaud: ‘Als ze helder en waarachtig geschreven zijn, door lui met pit die een welgevuld leven achter zich hebben, door mensen die weten te observeren en te vertellen, zijn dagboeken de schrifturen die bij het ouder worden het meest waard blijven gelezen te worden.’

Overigens herinner ik me van Beurskens nog een serie blogberichten, getiteld Weg van de literaire receptie, waarin hij op niets en niemand ontziende wijze zijn frustraties spuide over de literaire wereld en zijn positie daarin. Kennelijk heeft Beurskens twee gezichten.

Voor iedere dagboekschrijver is zijn eigen huichelarij een dankbaar onderwerp. Of zou dat moeten zijn. Een thema dat klam en zwaar is, zich verzet tegen ademhalen.

Alleen toen we vertrokken was het droog. Nog voor we de stad uit fietsten begon het te miezeren. En dat deed het twee uur later, toen we thuiskwamen, nog. Voordeel: we zijn nauwelijks andere mensen tegengekomen. En ook de vogels verwelkomden het frisse bad, floten om het hardst.

933B980B-4748-4B04-9F9C-8ED88400B1BB
Tytsjerk, 2018 © Ton van ’t Hof

Ik lees het bij Gerbrand Bakker en schrijf het op omdat ik het niet vergeten wil: Boudewijn Büch ligt begraven op Driehuis-Westerveld. Ik zoek “Driehuis-Westerveld” op: ‘Westerveld, gelegen aan de Duin en Kruidbergerweg in Driehuis, is een van de oudste particuliere begraafplaatsen in Nederland.’ Driehuis, vlakbij Velsen. Daar ga ik Büch dan nog eens opzoeken. Waarom ligt ie eigenlijk daar?

Begonnen in Het innerlijk blauw. Een keuze uit het dagboek 1918-1939 van de Fransman André Gide. Privé-domein nr. 259. Wie was Gide (1869-1951)? ‘Zonder enige twijfel een van de belangrijkste Europese schrijvers van zijn tijd,’ lees ik op de achterflap, ‘maar ook een vat vol tegenstrijdigheden. Schrijver van de eerste moderne roman van de vorige eeuw (Les Faux-Monnayeurs), zorgvuldig stilist, oprichter van de Nouvelle Revue Française, homoseksueel die zich het hoofd brak over geloofskwesties, moralist en reiziger.’

Ik kende Gide niet, totdat ik enkele weken geleden een citaat uit een van zijn dagboeken tegenkwam, over kunst, waarna ik direct Het innerlijk blauw aanschafte (2e-hands, € 24 exclusief verzendkosten). Het citaat, uit 1918, in het Engels:

‘All great works of art are rather difficult to access. The reader who thinks them easy has failed to penetrate to the heart of the work. That mysterious heart has no need of obscurity to defend it against an overbold approach; clarity does this well enough. Very great clarity, as it often happens for the most beautiful works… is, to defend a work, the most specious girdle; you come to doubt whether there is any secret there; it seems that you touch the depths at once. But ten years later you return to it and enter still more deeply.’

Wat een pil: 662 bladzijden, bijna 6 cm dik. Benieuwd of Gide mijn aandacht weet vast te houden.

Ik vermaak me uitstekend met Gerbrand Bakkers Rotgrond bestaat niet. Over cultuurlandschap en natuur (Cossee, 2018). Bakkers manier van kijken is onderhoudend, zijn toon amusant. Toontje.

Voor Bakker is veel, zo niet alles, betrekkelijk. Steeds weer probeert hij de dingen tot hun juiste proporties terug te brengen.

Maar met betrekking tot het verdwijnen van planten- en diersoorten relativeert hij me toch te veel. Bakker lijkt onvoorwaardelijk in de veerkracht van de natuur te geloven: hier verdwijnt iets, daar komt er weer wat bij.

Op tweederde van het boek ben ik de term biodiversiteit nog niet één keer tegengekomen en heeft Bakker nog geen aandacht gewijd aan ecosystemen die verdwijnen of leefomgevingen die worden ontwricht. Dat verbaast me, in een boek als dit, wel.

Is dat erg? Nee. Het heeft iets recalcitrants. Wat ik dan weer innemend vind.

Update: op pagina 132 kom ik dan eindelijk het woord biodiversiteit tegen, en op pagina 133 nog tweemaal. Bottom line: Bakker moet niets van, in zijn ogen, onvoldoende onderbouwde doemscenario’s hebben. Bovendien is de natuur onvoorspelbaar.

Tja. Geef hem eens ongelijk.