A Theological Definition | George Oppen

Uit: Of Being Numerous, New Directions, 1968
Wat is geluk? Volgens Van Dale Online een ‘aangenaam gevoel van iemand die zich verheugt’. We nemen geluk niet met zintuigen waar, maar zíjn gelukkig. Of niet. Geluk laat zich niet gemakkelijk definiëren. In ‘A Theological Definition’, uit zijn bekroonde bundel Of Being Numerous (1968), brengt George Oppen (1908-1984), die geenszins gelovig was, geluk in verband met aardse dingen, die hij nauwkeurig omschrijft. Met deze nauwkeurige omschrijving van kamer en uitzicht hoopt Oppen het geluksgevoel op te roepen. Of iets wat we houden voor geluk. Maar aan het bestaan ervan wordt in dit gedicht niet getwijfeld.

    Awakened
by the ticking

not the alarm.

Op poëticaal niveau beschrijft Joseph Massey hier het motortje van dit miniscule gedicht: het wordt niet door opschudding maar ritme tot leven gebracht. Uiteraard kun je je ook afvragen waarom iemand nog voor het afgaan van de wekker wakker wordt. Maar in beide gevallen hoor ik getik – tik-tik-tik, dat nadrukkelijk aan een vorm van existeren gekoppeld is.

Het is het veelzeggende openingsgedicht uit Massey’s debuutbundel Minima St. (Range Press), een chapbook dat hij in 2002 zelf uitbracht in een oplage van vijftig stuks. Later zou het ook nog als e-boek verschijnen. In de hoop te worden opgemerkt, stuurde Massey zowel Rae Armantrout als Ron Silliman een exemplaar toe en trof doel: Armantrout had zich in een schrijven aan Silliman positief uitgelaten over de bundel en Silliman wijdde er vervolgens een blogbericht aan. Een ideale start voor een jonge dichter.

Toch zou het nog tot 2009 duren eer zijn eerste full-lenght bundel, Areas of Fog (Shearsman), zou worden uitgegeven. Maar daarna ging het snel; zijn vierde en laatste bundel tot nu toe, Illocality (Wave Books, 2015), werd al door The New York Times besproken.

    television light
lies on the
        American lawn

Dit is minimale poëzie, dat volgens The Princeton Encyclopedia of Poetry and Poetics een bewuste reductie van woorden is die, onder spanning geplaatst, moet leiden tot ‘poëtische authenticiteit’ – ofwel, zoals William Carlos Williams al zei: ‘no ideas but in things’. Massey plaatst zich hiermee in een lange traditie, waarin o.a. werk van de volgende Amerikaanse dichters staat: WCW, Louis Zukofsky, George Oppen, David Ignatow, Gary Snyder, James Laughlin, Clark Coolidge, Aram Saroyan en Robert Lax. Maar ook in Europa kennen we minimalisten: Francis Ponge, Ernst Jandl, Tom Raworth, Bob Cobbing, Ian Hamilton Finlay en onze eigen Jürgen Smit, om er een stuk of wat te noemen.

Voor deze dichters is poëzie vooral ‘een netwerk van fenomenologische percepties en expressieve taal’ dat een individueel bewustzijn laat doorschemeren.

Opvallend vind ik dat Massey zijn chapbook aan Armantrout en Silliman toestuurde, twee dichters die in hun werk eerder op zoek zijn naar esthetische structuren dan naar bewustzijnspatronen. Alsof je in het andere kamp buurten gaat. Maar dat liep dus goed af; Armantrout en Silliman herkenden het grote talent.

SUNDAY

Old news – after a storm –
torn apart between two lawns.

Van links naar rechts: Robert Duncan, Charles Reznikoff, George Oppen en Carl Rakosi

In 1984 overleed George Oppen op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van alzheimer. Ondanks de Pulitzer Prize voor zijn Of Being Numerous in 1969 werd hij toen hij stierf door het establishment niet als een belangrijk dichter gezien. Dat ligt vandaag de dag toch wel wat anders. Er verschijnt steeds meer secundaire literatuur over Oppens oeuvre, dat hij grotendeels tussen zijn vijftigste en zeventigste levensjaar neerpende, en in 2001 bracht New Directions zijn collected uit.

Oppens poëzie is een poëzie van de bedachtzaamheid, waarin hij het geleefde leven overdenkt en ontdoet van alle onbenulligheden en banaliteiten, om zich vervolgens uit te spreken over wat er dán overblijft.

Na zijn dood vond men 26 papiertjes op zijn bureau of aan de muur geprikt, waarop invallen waren gekrabbeld. Ze zijn allemaal opgenomen in de selected die in 2002 onder redactie van Robert Creeley bij New directions verscheen.

Eén van Oppens invallen verwijst direct naar de ziekte van Alzheimer, die vaak begint met geheugenproblemen, waarna men steeds meer moeite krijgt met alledaagse dingen zoals plannen maken, beslissingen nemen of het volgen van een gesprek. Nu ook mijn moeder tekenen van dementie vertoont, grijpt Oppens ‘gedicht’ me nog meer aan dan het al deed:

Ik merk dat ik alles vergeet
waarover men      spreekt
en de getallen                    (bv.
hoe je je ze voorstelt
———————–
ook de getallen

Ron Sillimans eerste blogbericht
In zijn essay ‘Een taal van Nederland’, dat als inleiding in mijn nieuwe bundel Dichter & andere dingen is opgenomen, geeft Frank Keizer terecht aan dat ik als dichter ben beïnvloed door ‘de speelse experimentalist’ Charles Bernstein en ‘de plechtstatige serialist’ George Oppen. Hun bundels zijn altijd binnen handbereik, lees ik keer op keer. Sommige dichters gaan deel van je leven uitmaken, andere muzenkinderen vergeet je na de laatste pagina direct weer. Het moet klikken. Als met een goede vriend of vriendin.

Als blogger heb ik veel van Ron Silliman geleerd. Hij begon zijn vermaarde Silliman’s Blog in 2002 en publiceerde jarenlang vrijwel dagelijks berichten over hedendaagse Amerikaanse poëzie. Met zijn eigenzinnige kijk wist hij in de hoogtijdagen van zijn blog een wereldwijd publiek aan zich te binden en meer dan eens de gemoederen flink in beweging te brengen. De heftigheid van sommige reacties op berichten deed hem op een gegeven moment zelfs besluiten om de reactiemogelijkheid uit te zetten.

In zijn eerste post geeft Silliman aan dat hij zijn blog als dagboek wil gebruiken, waarin hij zijn kritische gedachten de vrije loop zal laten. Het is hem niet zozeer om een gehoor te doen, al vraagt hij zich wel af of er mensen op hem af zullen komen. Al gauw zal hij de voor- en nadelen van het openbare internetdebat leren kennen.

Ook op De Contrabas was het al dan niet modereren van reacties regelmatig onderwerp van gesprek. Ik heb me altijd op het standpunt gesteld dat de mogelijke leereffecten opwegen tegen eventueel abject online gedrag. Maar als iemand écht over de schreef ging, dan werd de reactie verwijderd.

Niet alleen van Sillimans kennis van poëzie en zijn ervaringen binnen de poëtische gemeenschap stak ik veel op, maar ook van zijn onderzoekende wijze van schrijven, die zowel op vorm als inhoud gericht is. Tegenwoordig publiceert hij nog maar sporadisch een blogbericht, maar ik sla er nooit eentje over.

Ik heb me voorgenomen om zijn blog de komende jaren van voor tot achter te herlezen en hier regelmatig verslag van mijn ervaringen te doen.

Dichter & andere dingen verschijnt over enkele weken bij Uitgeverij Stanza. Van Bernstein verscheen in het Nederlands reeds Denken dat ik denk dat ik denk. In 2018 of 19 wil ik een vertaling van Oppens fameuze Of Being Numerous uitbrengen.

Als ik naar Schiphol moet, sta ik om 04:30 uur op: om files voor te zijn en bij tijds op m’n werk te verschijnen. Ik loop zo wel wat uren slaap per week mis. Waar je blijkbaar weer van alles van kunt krijgen: concentratiegebrek, lusteloosheid, geprikkeldheid, depressies, hartaanvallen, obesitas, kanker, alzheimer etc.

Lekker dan, dacht ik vanochtend in de auto en herinnerde me een quote die ik van de week las: ‘Tenzij je er heel bewust voor kiest om slapen tot een prioriteit te maken, ga je er namelijk niet voldoende van krijgen.’

Tja … En toen?

Toen volgde de ene gedachte de andere op. Waarom, dacht ik, vindt er in de VS al enkele jaren een heropleving van laatmodernistische dichters plaats (George Oppen, Charles Olson, James Schuyler, Cid Corman, Jack Spicer, Frank O’Hara etc.) en in Nederland niet? Ligt hier een (al dan niet academisch) cultuurverschil aan ten grondslag?

Toen ik me afvroeg welke Nederlandse laatmodernistische dichters weleens voor een heropleving in aanmerking zouden kunnen komen, kwam er geen enkele naam in me op.

Wat me irriteerde.

Toen ik probeerde om ‘laatmodernistische poëzie’ te definiëren, begon ik gevaarlijk te slingeren.

Wat me deed schrikken.

Waarna ik snelheid terugnam, mijn aandacht weer op de weg vestigde en vloekte.

Voor George Oppen vormde de ervaring een belangrijke grondslag van zijn poëzie, zijn eigen ervaring. Wat hij schreef moest doorleefd zijn. Dat leverde poëzie op met een hoog realiteitsgehalte.

Het zicht was voor Claude Monet de basis van zijn schilderkunst. Alles wat hij schilderde had hij, meestal en plein air, met eigen ogen gezien. Dat leverde schilderijen op met een hoog realiteitsgehalte.

Ik ben dol op beiden. Draag ze al heel lang bij me. Twee van mijn helden. En dat kan ten dele worden toegeschreven aan dat hoge realiteitsgehalte van hun kunst. Bij Oppen vooral in combinatie met de aanwending van poëzie als stimulus van zijn denkproces, en bij Monet in samenspel met zijn fenomenale kleurgebruik en losse toets.

Literair dagboek, over Michael Heller & Dichters van het nieuwe millennium

image

Ruim tien jaar geleden nam ik voor het eerst contact op met de Amerikaanse dichter Michael Heller (1937). Ik vroeg en kreeg zijn toestemming voor de plaatsing van een vertaling van een van zijn gedichten op het inmiddels ter ziele gegane weblog poëziepamflet.nl.

Sindsdien zijn we met elkaar, zij het op onregelmatige basis, in contact gebleven. Onlangs wees hij me op een boek over zijn werk, dat in 2015 verscheen: The Poetry and Poetics of Michael Heller: A Nomad Memory. Ik heb het onmiddellijk aangeschaft. Heller krijgt steeds meer waardering.

In de introductie heb ik een opmerking van Heller onderstreept, die hij enige tijd terug tijdens een interview maakte:

‘Since I am not caught up in a conceptual poetics, i.e. a poetics which, a priori, has worked things out, including its idea of reality and therefore knows precisely what to do about it, I’ve always felt that each poem of mine heals (for me) a dissonance between what has already been said or written and what a constantly changing world would require to be understood or felt or experienced.’

Heller zoekt voortdurend naar nieuwe gezichtspunten en wil zichzelf daarbij geen beperkingen opleggen. In deze poëticale uitspraak klinkt George Oppen door, wiens gedachtegoed hij uitvoerig heeft bestudeerd.

Dit citaat zou het motto kunnen zijn van één van de bundels die ik nog moet schrijven.

***

Andermaal aandacht voor Dichters van het nieuwe millenium, waarin we onder redactie van Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre kennis kunnen maken met ’24 uiteenlopende dichters uit Nederland en Vlaanderen die in dit millennium debuteerden.’ Al eerder noemde ik dit een lekker boek en beloofde in een volgend bericht nog op de inleiding in te gaan.

Een inleiding waarover al het nodige door anderen is gezegd. Een inleiding waarin kort enkele tendensen in het 21e-eeuwse poëzieveld worden behandeld en we kunnen lezen dat het boek primair voor ‘de klas’ is bedoeld.

Een inleiding ook waarin Dera, Posman en Van der Starre op één selectiecriterium na – je moet als dichter in dit millennium zijn gedebuteerd – niets over het selectieproces prijsgeven.

En toch hebben ze gekozen.

Uit meer dan vijfhonderd debutanten (volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie verschenen er in de jaren 2000-2015 ruim 540 debuutbundels – en de lijst is nog niet compleet – bij reguliere uitgeverijen).

Slechts 4,4 % van deze debutanten wordt in Dichters van het nieuwe millennium behandeld. ‘Veel belangrijke 21e-eeuwse dichters, met debuten na en uiteraard ook voor 2000,’ geven Dera, Posman en Van der Starre in hun inleiding toe, ‘ontbreken.’

Omdat er geen inzicht in het selectieproces wordt gegeven, blijven de 24 behandelde dichters tot een willekeurig lijstje behoren en kan Dichters van het nieuwe millennium, ondanks dat het lekker leest, het label arbitrair niet ontlopen. Wat ik jammer vind.

***

The Poetry and Poetics of Michael Heller: A Nomad Memory, red. Jon Curley en Burt Kimmelman, Fairleigh Dickinson University Press, 2015: via bol.com.

Dichters van het nieuwe millennium: Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw, red. Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre, Uitgeverij Vantilt, 2016: via bol.com.

Het heldere licht van schipbreuk

‘The old men knew their own lives not the end of the world …’ – George Oppen

image
Mijn eerste drukje, dat toentertijd $1,45 kostte.

Net als Terry Eagleton (zie vorig bericht) is ook George Oppen van mening dat de dood het leven rijker en krachtiger maakt. In Of Being Numerous, waar Oppen in 1969 de Pulitzer Prize voor kreeg, valt regelmatig het woord ‘shipwreck’, schipbreuk, dat, zo lezen we in een brief van Oppen uit 1973, een metafoor is voor de dood die ons allen, ieder individu, uiteindelijk te wachten staat:

‘Ik schreef “de schipbreuk van het enkelvoud”. We kunnen niet leven zonder het concept van de menselijkheid, het einde van het eigen leven staat geenszins gelijk aan het einde van de wereld, als dat wel het geval was, dan zouden we geen moeite doen om onze eigen levens tot het einde toe te slijten. En toch kunnen we hier niet aan ontsnappen: dat we alleen zijn. En daarom schipbreuk onder ogen moeten zien. En toch is dit, dit tragische feit, de schittering van ieders leven, het is “het heldere licht van schipbreuk” dat “alles” … openbaart.’

Deze fundamentele paradox – dat het ‘tragische feit’ van onze singulariteit, die uitmondt in de dood, eigenlijk ‘de schittering van ieders leven’ is – geeft Oppen als volgt in het negende gedicht van de serie ‘Of Being Numerous’ weer (ik citeer de laatste regels):

To dream of that beach
For the sake of an instant in the eyes,

The absolute singular

The unearthly bonds
Of the singular

Which is the bright light of shipwreck

Of Being Numerous, George Oppen, New Directions, 1968: via AbeBooks.

Kamikaze poëtica

‘If we still possessed the word “is”, there would be no need to write poems.’ – George Oppen

image

Als Piet Gerbrandy deze week in De Groene Amsterdammer schrijft dat poëzie weinig heeft te maken ‘met scherpe observaties en [niet] behoort te resulteren in al dan niet verrassende collages van fraai gekleurde plaatjes’, dan voert hij geenszins een waarheid op, maar geeft slechts zijn eigen mening weer. Volgens Gerbrandy heeft het woord ‘zijn eigen domein, zijn eigen ruimte, die is opgebouwd uit klanken en gedachten. Een gedicht speelt zich af in de tijd en behoeft in de allereerste plaats bewegingsenergie.’ Deze opvatting ligt ten grondslag aan Gerbrandy’s eigen poëzie (de openingsstrofe uit zijn bundel Drievuldig feilloos vals):

Kom
krijger van lopende woorden verdovende
oren in listlaag op ruiswind gespitst wacht
af tot ze zijgen openend liggen in adem.

Prima hoor, maar deze ronkende poëzie is not my cup of tea. Ik ben het dan ook niet eens met Gerbrandy’s opvattingen over wat poëzie is of behoort te zijn. Ik geef sowieso de voorkeur aan abstractere contouren, waarbinnen ruimte is voor grote verscheidenheid, voor talloze individuele poëticale invullingen. Ik kan slecht tegen Gerbrandy’s beknottingen.

Een van de contouren die mijn poëtica weergeven, beschouwt het gedicht als een gebeurtenis – de verschijning van een wereld – waarin mensen en dingen tot hun recht komen als echt bestaand. Een fundamenteel uitgangspunt voor dichters die hun poëzie boven het taalspel willen laten uitstijgen. Zoals Estelle Boelsma dat in Alles is een onderbreking van de lege ruimte, de bundel die Gerbrandy deze week in De Groene bespreekt, zo uitermate knap doet:

en de prunus, de prunus golft spontaan roze
schematisch en zonder argwaan groeit het vanuit de takken
de lucht in – ik ben bang om te vallen als ik omhoog
kijk – de gebouwen die steeds vanuit mijn ooghoeken
opdoemen

de kamikaze bloesem
de kamikaze regen van vorig jaar
het kamikaze leger

Voor meer over mijn poëtica zie mijn reeks ‘Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis’.

Drievuldig feilloos vals, Piet Gerbrandy, Meulenhoff, 2005: via bol.com.
Alles is een onderbreking van de lege ruimte, Estelle Boelsma, Stanza, 2016: via ollauogalanestas.nl.

Oppen over Pounds ‘afstandelijkheid’

‘Pound’s ego system, Pound’s organisation of the world around a character, a kind of masculine energy, is extremely foreign to me.’ – George Oppen

image
Ezra Pound in Rapallo, Italië

George Oppen en Ezra Pound kenden elkaar. In 1933 zocht Oppen de ruim twintig jaar oudere Pound in Italië op. Oppen bewonderde Pound toen nog als dichter, maar had volgens Mary Oppens memoires al in 1933 grote twijfels over Pounds politieke ideeën. In 1934 verscheen Oppens eerste dichtbundel Discrete Series, waar Pound een voorwoord voor schreef:

‘I salute a serious craftsman, a sensibility which is not every man’s sensibility and which has not been got out of any other man’s book.’

Later neemt Oppen steeds meer afstand van Pound. Hij kan zich niet (langer) vinden in Pounds poëtica (zie citaat bovenaan) en veroordeelt Pounds ‘blindheid’ voor de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog: ‘he didn’t speak of the gas chambers.’ In een van Oppens dagboeken komen we iets van een verklaring voor Pounds literaire en politieke gedragingen tegen:

‘The root of his fascism is remoteness, self hatred. In fact his literariness [has] an operatic quality, a vision of history rooted in no real sense of time and the sense of his presence on a mineral world, but a swirl of heroes and words in his mind.’

Uiteindelijk kwam Oppen lijnrecht tegenover Pound te staan.

Wat Oppen weer aan het schrijven bracht

‘I was,’ recalls Oppen, ‘even in 1929 consciously attempting to trace, to re-produce, the act of the world upon the consciousness.’

image

Momenteel lees ik George Oppen and the Fate of Modernism van Peter Nicholls, dat in 2007 door Oxford University Press voor de belachelijke prijs van £ 98 (hardcover, 236 pagina’s) werd uitgebracht (intussen is het boek ook in een goedkopere paperback uitgave verkrijgbaar). Ik heb onlangs via AbeBooks voor nog geen $ 50 inclusief verzendkosten een ongeschonden eerste drukje weten te bemachtigen.

Na zijn eerste poëziebundel, Discrete Series, uitgebracht in 1934, schoof Oppen mede om politieke redenen het schrijven voor een periode van bijna vijfentwintig jaar aan de kant. In Nicholls’ boek lees ik voor het eerst, en ik heb intussen veel van en over Oppen gelezen, iets over de aanleiding die Oppen weer tot de poëzie bracht. Een fraaie anekdote:

‘For early in 1958, when George visited Mary’s therapist, he reported to him a dream in which he and his sister were looking through his father’s papers after his father’s death. In Mary Oppen’s words:

“In a file marked ‘miscellaneous’ was a paper entitled ‘How to prevent Rust in Copper’. George thought, ‘My old man was a little frivolous perhaps, but he certainly knew that copper does not rust.’ … When he told the doctor the dream, laughing again at its ridiculousness, the doctor stopped him. ‘You were dreaming that you don’t want to rust,’ he said. On the way home George stopped and bought a pad of paper and some pencils and started to write The Materials.”

Whatever the meaning of this odd dream, Oppen was suddenly writing again.’

George Oppen and the Fate of Modernism, Peter Nicholls, Oxford University Press: bol.com.

Gevoel van oprechtheid

m29

Ik vind Tony Trigilio’s collagebundel White Noise (Apostrophe Books, 2013) om twee redenen interessant: (1) Trigilio doorzoekt Google discussiegroepen op bruikbare collagefragmenten en (2) hij handelt, zoals hij dat zelf zegt, vanuit ‘a sense of sincerity’ – een gevoel van oprechtheid.

Google biedt de mogelijkheid om gratis online groepsdiscussies op te starten, over welk onderwerp dan ook, in besloten dan wel openbare vorm. Openbare discussiegroepen kunnen door iedereen met behulp van een zoekmachine worden doorzocht. In die vijver heeft Tony Trigilio voor zijn bundel gevist. Zijn vangst zal vooral hebben bestaan uit gevoels- en meningsuitingen. Zoekresultaten uit Google discussiegroepen zijn vaker lyrischer van aard dan die uit het wereldwijde web waarin ook krantenartikelen, wetenschappelijke opstellen en beursnotities, om maar enkele voorbeelden te noemen, zwemmen. Het verbaast me dan ook niet dat Tyler Mills, die Trigilio begin dit jaar interviewde, is getroffen door ‘a single mind’ die in White Noise lijkt te spreken, ‘a represented consciousness that is perhaps even lyric,’ wat voor een deel dus met de visgrond te maken heeft.

And as I stood there staring at the sky, the clouds merged together, forming a huge face. I ran all the way home in a panic.

In datzelfde interview geeft Trigilio aan dat hij vanuit een gevoel van oprechtheid te werk gaat en op dat punt ‘aanzienlijk afwijkt’ van flarf. In oorsprong mikte flarf ‘als daad van verzet tegen malafide uitgeverspraktijken’ op de fabricage van ‘aanstootgevende, sentimentele en infantiele’ gedichten, waarin balorigheid en ironie de boventoon voerden en oprechtheid geen hot issue was. Trigilio zet zich af tegen Kenneth Goldsmiths uitlating dat flarfers en conceptuele dichters geen woord van hun gedichten menen:

‘But I [Trigilio] did operate from a sense of sincerity: 1) a sincere effort to explore our relationship to Internet discourse by actively immersing myself in the discourse – not just appropriating the language, but sculpting it and paying very close attention to the new ways of thinking about language and community that emerged from the sculpting; and 2) a sincerity in the sense that Objectivist poets like Zukofsky, Oppen, and Niedecker, among others mean the word – as a sincerity to my materials, to my methodology, to the clarity of what I’m seeing, and to the clarity of the language for what I’m seeing.’

Hier lijkt Trigilio te zeggen dat hij niet zomaar wat bij elkaar veegt, maar voor zijn collages instaat, er op aangesproken mag worden. Hij bevestigt de rijkdom van het online discours maar wil het gevonden woordmateriaal niet ironisch aanwenden; wat me als een laatpostmoderne houding toeschijnt, waarbij waarden als menselijkheid, authenticiteit en eerlijkheid weer nadrukkelijk aan de orde mogen worden gesteld. White Noise staat intussen op mijn verlanglijstje.

(Dit bericht verscheen eerder, op 30-09-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)