Deze week werd Dichter & andere dingen tweemaal besproken: door Piet Kaptein en Remco Ekkers. Beide heren hebben geen affiniteit met en geen kaas gegeten van het soort experimentele poëzie dat ik schrijf. Hun recensies zijn navenant. Waar Kaptein zijn gebrek aan kennis nog probeert te verbloemen door aan de hand van andermans oordeel de loftrompet over de bundel te steken, doet Ekkers geen enkele moeite om zijn onkunde te verbergen. Hij kraamt onzin uit: George Oppen en Charles Bernstein zijn geen flarfdichters, mijn gedicht ‘nederland is groot’ is niet tot stand gekomen met behulp van een Markov Generator en ik ben geen beroepsvlieger bij de krijgsmacht geweest. Ekkers neemt zijn lezers niet serieus.

Je vraagt je af waarom deze heren überhaupt aan een recensie van mijn bundel begonnen zijn? Wie heeft er baat bij deze besprekingen? Je laat een poprecensent die geen verstand heeft van klassieke muziek toch ook niet de laatste cd van violiste Liza Ferschtman bespreken?

Vond mijn notitieboekje uit Kandahar terug, bladerde er wat in: 8 november 2008, zaterdag: ‘We hebben geen yoghurt op dit moment omdat de yoghurttruck in het konvooi is aangevallen.’
     Gisteravond naar De Cabaretpoel geweest, vier talentvolle cabaretiers voor de prijs van één. De zaal zat dan ook stampvol. Chris Verlaan stak wat mij betreft boven de drie andere kleinkunstenaars uit. Hij verklaarde in het dagelijks leven data-analist te zijn en grafiekjes te maken van schuldenaars, veelplegers, alcoholisten etc. Hij was blij ze nu eindelijk eens in levende lijve te zien.
     De voornamen van Hennie’s voormoeders zijn Hiske, Tietje, Fokje, Tietje, Fokje, Sjoukje en Tietje, de naam van haar moeder. Als antwoord op mijn vraag of ze Anoek een andere naam zou hebben gegeven als ze deze reeks dertig jaar geleden al had gekend, werd ik voor gek verklaard. Ook mijn pleidooi voor historisch besef hielp niets. ‘Mijn moeder vond het vreselijk dat ze Tietje heette!’
     Terugkijkend op mijn Afghaanse verleden, duikt ook George Oppen weer geregeld in mijn gedachten op. Ik ben in Kandahar in de ban van zijn werk geraakt. Zonder Oppen had Aan een ster / she argued er anders uitgezien. Vanmiddag heb ik wat zitten lezen in The Selected Letters of George Oppen en kwam daarin een begripsbepaling van poëzie tegen, die hij al dertig jaar in ere hield. Een oerbeginsel dat ik onderschrijf:

I thought of a

               PREFACE

My heart leaps up when I behold!

A grain of sand in the world,
An hour in eternity

43D3B986-3939-4216-A6A8-56D7DD89D0CF
Cabaretier Chris Verlaan, Leeuwarden, d.d. 16 december 2017 © Ton van ‘t Hof

Nog altijd op zoek naar het beste boek van de wereld (zie o.a. dit bericht) kom ik in Maarten van der Graaffs debuutroman Wormen en engelen (Atlas Contact, 2017) de volgende passage tegen:

‘Het maakt uit of en aan wie je een verhaal vertelt. Zowel jouw leven als dat van de ander zal erdoor veranderen. Soms begrijp ik hoe ingrijpend het eigenlijk is om gesprekken te voeren waarin je daadwerkelijk iets wil verduidelijken. Het lijkt simpel, maar dat is het niet.’

Een boek schrijven is inderdaad niet simpel, laat staan een goed, extraordinair of zelfs levensveranderend boek. Het boek dat in aanmerking wil komen voor ‘het beste boek van de wereld’ dat ík ooit gelezen heb zal van die laatste orde moeten zijn: levensveranderend. Dat boek zal op zijn minst mijn leven blijvend veranderd moeten hebben.

En er zijn al boeken die dat hebben gedaan. Ze staan in mijn boekenkast. Vijf boeken van vijf blanke mannen (over dit laatste ontluisterende feit volgt nog een bericht). Twee dichtbundels, twee filosofische werken en één roman. In willekeurige volgorde (inclusief jaartal waarin het oorspronkelijke boek voor het eerst werd gepubliceerd):

  • Hotel Lautréamont, John Ashbery, 1992
  • De bot, Günther Grass, 1977
  • Handboek voor de levenskunst, Wilhelm Schmid, 2004
  • Kosmopolis: Verborgen agenda van de Moderne Tijd, Stephen Toulmin, 1990
  • Of Being Numerous, George Oppen, 1968

Na Oppen en Ashbery ben ik andere poëzie gaan schrijven, Grass en Toulmin hebben mijn kijk op de Westerse geschiedenis ingrijpend veranderd en door Schmid ben ik anders gaan leven.

Een levensveranderd boek of vijf op driekwart mensenleven. Dat moet beter kunnen.

In de komende jaren zou ik nog graag een dozijn van dit soort boeken willen lezen. Maar hoe kom ik eraan?

De afgelopen jaren heeft de Amerikaanse dichter George Oppen (1908-1984) bij een handjevol Nederlandse poëten, die regelmatig in Perdu rondhingen, in de belangstelling gestaan. Over mijn band met Oppen hield ik in 2010 nog een lezing onder de titel ‘A sense of being in the world’.

Ik had begin dit millennium via internet kennisgemaakt met Oppens werk en wist niet beter of hij was toen nog een volslagen onbekende dichter in Nederland. Maar niets is minder waar. Een week of twee terug las ik op Facebook of in de weekmail van Terras dat J. Bernlef in zijn essaybundel Het ontplofte gedicht (1978) reeds over hem had geschreven. De Amerikaanse dichter, die in 1969 een Pulitzer voor Of Being Numerous had gekregen, leefde destijds zelfs nog. Bernlefs essaybundel heb ik vervolgens ogenblikkelijk via boekwinkeltjes.nl aangeschaft.

En intussen gelezen. In een stuk over jazz, poëzie en ‘vormloze vorm’ wordt Oppen een kort optreden gegund. Aan bod komen zijn opmerkelijke levenswandel, zijn kijk op poëzie en het belang van zijn oeuvre. Knap dat Bernlef dat laatste al doorzag:

‘Oppens Collected Poems vormen een indrukwekkende prestatie, vooral door de niet aflatende hardnekkigheid waarmee hij iedere gemakkelijke oplossing uit de weg gaat en probeert een indruk in zo weinig mogelijk woorden zo min mogelijk vast te leggen.’

Maar het meest opmerkelijke is de vergelijking die Bernlef maakt tussen de gedichten van Oppen en de schilderijen van Edward Hopper. De gesignaleerde overeenkomsten, die ik nog niet eerder was tegengekomen, vind ik verbluffend en van een verdomd-ja!-kwaliteit. Chapeau voor Bernlef. Ik citeer de passage:

‘Beiden hadden voorkeur voor de kust van New England, voor de architectuur van de Amerikaanse stad, voor een manier van kijken die vanuit de bewoonde wereld, meestal een kamer, naar buiten blikt, of andersom, maar altijd afgebakend door een raam, een lijst. Met hartstochtelijke verbetenheid houden zij vast aan hun visie: de mens is geen meester over de dingen, hij is zelf een ding onder dingen en de eenzaamheid die dat besef mogelijkerwijs met zich meebrengt dient in alle helderheid onder ogen gezien te worden (“I have not and never did have any motive of poetry / But to achieve clarity”). De stugge manier van schilderen van Hopper vindt bij Oppen zijn pendant in korte, rompachtige zinnetjes, samengevoegd in strofen van drie of vier regels, zoals deze:

For we are all housed now, all in our appartments,
The world unintended to, unwatched.
And there is nothing left out there
As night falls, but the rocks

Het zou een beschrijving van een van Hoppers schilderijen kunnen zijn.’

En is dat misschien ook wel.

Oké. Vooruit dan: ik ben een controlfreak. Geen extreem geval, maar toch eentje die een behoorlijk aantal onzekerheden wil uitbannen. Omdat ik niet graag iets kwijtraak, geef ik veel dingen een vaste plaats. Omdat ik overzicht wil blijven houden, structureer ik onophoudelijk zaken.

Deze ordentelijkheid strekt zich ook tot mijn boekenkast uit: ik rangschik boeken op auteursnaam, niet op genre, en volgens de letters van het alfabet. Op een van de laatste planken ligt een ongeordend stapeltje lectuur: de boeken die nog gelezen moeten worden.

Nu ik na enige maanden afwezigheid weer bij Goodreads terugben, heb ik grote drang om deze ongelezen lectuur op mijn Want-to-Read-lijstje te zetten. Verzet hiertegen heeft, weet ik, geen enkele zin. Daar word ik alleen maar ongedurig van. Dit zijn ze dan:

  • Adder onder adders: Mijn jeugd tijdens de Russische revolutie, Victor Alexandrov, De Arbeiderspers, 1966
  • T as in Thether, David Bromige, Chax Press, 2002
  • Flarf: An Anthology of Flarf, red. Drew Gardner e.a., Edge, 2017
  • Vet hart, Koenraad Goudeseune, Bokeh, 2016
  • De stem op de 3e etage, Gerrit Kouwenaar, Querido, 1960
  • 21 Poems, George Oppen, New Directions, 2017
  • The Selected Letters of George Oppen, red. Rachel Blau DuPlessis, Duke University Press, 1990
  • Verder struinen op IJsland, Ruud Schaafsma, eigen beheer, 2016
  • Gelatenheid, Wilhelm Schmid, De Bezige Bij, 2015
  • Monet or the Triumph of Impressionism, Daniel Wildenstein, Taschen, 2010
  • Walking the Himalayas, Levison Wood, Hodder & Stoughton, 2017