Vier laatste liederen

In het openingsgedicht van Geoffrey G. O’Briens nieuwe bundel People on Sunday (Wave Books, 2013) worden ervaringen beschreven met de ‘Vier laatste liederen’ van Richard Strauss:

VIER LAATSTE LIEDEREN

Dat klonk als het plukken van treurige veldslagen,
Het rood waarvan wit denkt dat het geel is.

Het was het geluid van niet meer weten wat
Men doen moet met de zintuigen, die evenzeer

Verrast zijn door een zachter wordende stem, kom
Langzaam terug, of kruipend naar een echt slot.

Ik had jarenlang verzuimd aandacht te schenken
Aan een lied dat ik voor het eerst hoorde

Aan het eind van een nieuwe herdenkingsplechtigheid,
Een echt lied van Strauss over slapen

Gaan, je eigen dood voorspellen etc.
Laat ik dit zeggen: Ik was verbaasd dat het bleef

Aanhouden toen verbaasd dat het eindigde.
Dit was altijd waar maar zou beter kunnen

Net als al die jaren van ik wist niet
Dat het lied zich nu opgeroepen voelde

Als onoplettendheid ten overstaan van zijn aanwezigheid dan.
En er zijn veel bewerkingen

Van de Vier laatste liederen en van deze,
Zo veel als er mensen zijn

Die ze hebben gemaakt en uitgevoerd.
Elk staat voor die van een ander,

De kleur van vervagende kleuren, het laatste-zijn
Veelvormig gemaakt omdat slapen gaan

De vertaling blijft overdoen
Zonder volledig af te ronden. Maar dit

Geldt alleen voor Beim Schlafengehen
Van de Vier laatste liederen van Strauss.

Alle vier liederen gaan over de dood. De teksten zijn van Joseph von Eichendorff en Hermann Hesse; Strauss zette ze in 1948, vlak voor zijn overlijden, op muziek. In O’Briens gedicht draait het daarentegen niet om inslapen, maar ontwaken, uit een niet-weten van het bestaan van deze wonderschone liederen. Waar Strauss me de vergankelijkheid laat voelen, geeft O’Brien een vakkundig geschreven inkijkje in een persoonlijke ondervinding. Ook ik heb nu een herinnering aan de eerste keer dat ik de ‘Vier letzte Lieder’ hoorde.

(Dit bericht verscheen eerder, op 07-11-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Gedicht John Ashbery

HET VERLANGEN VAN DE HARMONIE

‘de witte machine van het leven’
   Geoffrey G. O’Brien and Jeff Clark

We zijn allemaal bewoners, van de ene
of andere soort: huurders, eigenaars,
gasten. En wat ertoe doet
doet ertoe voor de meesten van ons.
In de gang krimpen we gealarmeerd
zijdezacht ineen – komt daar iemand?
Maar wachters in boa ontvangen ons.

Men vertelde dat we een opdracht deden,
het onderwerp waren, de topic. In feite
maakte het een klein verschil

doch te gering om ons te storen of verstillen.
Concluderend, wellicht juist, van welk slag
wij waren, tekende jij voor gezien.
Het was oké om zich van alles toe te eigenen
maar niet om het te begeren.

John Ashbery
Vertaling Ton van ‘t Hof

‘Ashbery’s poëzie maakt niet zozeer gebruik van het denken om tot gedichten te komen, maar probeert het denken zelf, in “status nascendi” zou je kunnen zeggen, in al zijn vluchtigheid en tastende aarzelingen te betrappen. In een eerder interview heeft hij daarover eens gezegd: “Ik probeer in poëzie de activiteiten van het denkende of in rust verkerende brein weer te geven.” Je zou kunnen zeggen dat Ashbery op zoek is naar een kunst die zich nog niet van het leven heeft losgemaakt.’ (J. Bernlef in De mandril op de slagboom – Een keuze uit zijn gedichten 1956 – 1994, Meulenhoff, 1995)

(Dit bericht verscheen eerder, op 27-03-2009, op 1hundred1.blogspot.nl.)