Levenslot in de Peel

Wanroij en Ledeacker rond 1800: wat moet ik me daarbij voorstellen? Mijn oudvader Peter Verstraten werd in 1799 te Wanroij geboren en zijn eerste echtgenote, mijn oudmoeder Gertrui Peters, in 1803 te Ledeacker. Deze dorpen liggen in de Peel, op vijf kilometer van elkaar.

Op de site van het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) leer ik dat Wanroij tot aan het begin van de twintigste eeuw een ‘landbouwdorp’ is geweest, waarna er zich een beetje industrie vestigde. Merkwaardig genoeg groeide de bevolking in de negentiende eeuw niet, maar bleef rond de duizend inwoners schommelen. Mogelijk werd dit veroorzaakt door het veelvoudig uitkopen van armere boeren, die vervolgens met hun gezinnen naar naburige gemeenten vertrokken.

Ook Peter was ‘bouwman’ van beroep en werkte vermoedelijk, al dan niet als dagloner, voor een grotere boer. Ik heb nog geen document kunnen vinden waaruit blijkt dat hij beschikte over eigen grond en erf. Toen Peter in 1825 met Gertrui trouwde verliet hij Wanroij voor Ledeacker.

Ledeacker ligt op schrale zandgrond dat flink moet worden bemest. In 1800 werd het ook nog eens geflankeerd door zompige gebieden. Er woonden toentertijd ca. honderd mensen. Een arm gehucht, meer was het niet. Gertrui en Peter zouden er samen vier kinderen krijgen, van wie er drie heel jong stierven. In de negentiende eeuw was de kindersterfte in deze contreien hoog: in Wanroij liet vijftien procent van de zuigelingen binnen een jaar na hun geboorte al weer het leven.

Helaas was het gezinnetje nog een droevig lot beschoren. Op 36-jarige leeftijd overleed Gertrui in het kraambed. Het kind waar ze net van was bevallen, Antonia, werd slechts tien weken oud. Zes weken na de dood van Antonia hertrouwde Peter. Tijdens mijn stamboomonderzoek ben ik al heel wat korte rouwperiodes tegengekomen – sociale bijstand en fatsoenlijke kinderopvang kwamen pas in de twintigste eeuw tot wasdom – maar ik blijf er toch een ongemakkelijk gevoel bij hebben.

Oude schoolplaat

Leven & dood

In 1849 kwam Adrianus van Hooff ter wereld, halfbroer van mijn betovergrootmoeder Johanna Gertruda Baijens-Van Hooff. Hij is een man met een verhaal. Adriaan had potentie. Hij schopte het tot ‘chef sigarenfabriek’ en werd vader van minstens zestien kinderen. Maar hij had ook de dood aan zijn kont hangen.

Adriaan stapte driemaal in het huwelijksbootje: op zijn 24e, 27e en 35e. Zijn eerste echtgenote stierf drie maanden na de echtverbintenis, doodsoorzaak onbekend. Met zijn tweede echtgenote, Constantina, zou hij vier kinderen krijgen. Maar in 1881 lieten Constantina en twee van hun kinderen kort na elkaar het leven. In 1885 trouwde Adriaan met de vijftien jaar jongere Maria Margaretha Notermans, die twaalf kinderen zou baren.

Tragisch is de constatering dat minsten acht van Adriaans zestien kinderen binnen twee jaar na hun geboorte de geest gaven. Van slechts twee weet ik dat ze een respectabele leeftijd haalden. Van zes heb ik hun overlijdensdatum (nog) niet kunnen achterhalen. Evenals van Adrianus en zijn derde echtgenote Maria Margaretha.

Natuurlijk begin je rare dingen te denken.

Sigarenfabriek in Weert, waar Adrianus mogelijk heeft gewerkt, ca. 1899

Nat worden zou ik sowieso

[20.10.2020] Terwijl ik gevallen bladeren bijeenharkte lieten onze bomen er bijna evenveel los. Toch had ik niets beters te doen. Echt niets. Bijvangst: opgeruimde bovenkamer.

De gevoelstemperatuur was 8°C, de regen vrij nat.

Familieaangelegenheid, 1846: pettenmaker trouwde met kleermaakster.

YouTube: bij -48°C op de schommel in Jakoetsk. De stad kraakte onder een dikke laag ijs, maar functioneerde nog wel. Ik blijf van een bezoekje dromen.

[21.10.2020] Wat ik in de loop der tijd leerde: mijn positie als auteur is afhankelijk van gunsten en willekeur.

Wat ik per se wilde: lopen. Op en neer naar de Coop, 6,5 km. Maar niet bij windkracht zeven. Nat worden zou ik sowieso. Dus voor achten al op pad. Ik kon wat ik wilde en deed dat dan ook. Plukte nog een egel van straat¹ en liet hem op het kerkhof, anderhalve meter hoger, weer los. Levend.

Deze week zijn de bieten aan de beurt.

¹Ids Wiersmastrjitte, Brantgum.

Baijens & Van Gogh

‘De aardappeleters’ van Vincent van Gogh werd geschilderd met verf die was ‘gewreven’ in de winkel in ‘glas en verfwaren, lakken en vernissen, chemicaliën, drogerijen en specerijen enz. enz.’ van mijn neef Johannes Josephus (Jan) Baijens.

Jan was een kleinzoon van een broer van mijn oudouder Ludovicus (Louis) Baijens. Jans moeder was de winkel aan de Rechtestraat in Eindhoven ooit begonnen om wat geld bij te verdienen. Jan was net als zijn vader Louis opgeleid als huisschilder en nam de winkel later van zijn moeder over.

Mijn familie is vergeven van de huisschilders. Sommigen konden nog aardig tekenen & kunstschilderen ook. En dat laatste geven we nog altijd door aan nazaten.

Overigens was Van Gogh niet helemaal tevreden over de kwaliteit van enkele geleverde kleuren. Maar kennelijk was hij op mijn neef aangewezen. Wellicht leverde Jan voordelig of was hij de enige leverancier van olieverf in die contreien. Ze hebben elkaar in elk geval regelmatig ontmoet.

Mijn neus krult van deze anekdote.

Vandaag dus niet

In Giethoorn neergestreken, waar we enkele dagen zullen doorbrengen in een blauw houten huisje aan de Dorpsgracht.

Bij Smit geluncht (fish & chips) en onder een halfbewolkte hemel door het vredige dorp gewandeld. Buiten het seizoen lijkt Giethoorn, ondanks alles, trouw gebleven aan wat het ooit was. Het heeft dan iets geruststellends, een schijn van logica en gemoedelijkheid.

Vlooide ook nog uit dat oudvader Ludovicus Baijens, roepnaam Louis en ‘huisverver’ van beroep, in 1825 voor de tweede keer in het huwelijksbootje stapte. Hij was toen 67 en ruim vijf maanden weduwnaar. De ouwe bok had de 26-jarige dienstmeid Johanna Clephas aan de haak geslagen, met wie hij nog vijf kinderen zou krijgen, onder wie een tweeling.

Dronk, na een ongekend lange periode zonder alcohol, twee overheerlijke Belgische biertjes.

Elke dag, bedacht ik me naderhand, heeft een veelvoud van betekenissen, die onderling tegenstrijdig kunnen zijn, elkaar kunnen ondermijnen. Een dag kan zichzelf dus misleiden als het ware. Maar dat hoeft niet. Vandaag dus niet.

Kaasstengels

Vroeg wakker, nokkievol adrenaline. Stelde na enig zelfonderzoek vast dat de oorzaak schuilt in een shitload aan aspiraties. Wat in mijn geval een terugkerend dingetje is en onderdeel lijkt te zijn van mijn persoonlijkheidsstructuur. Het goede nieuws: het gaat vanzelf weer over.

Mijn favoriete literaire personage? In elk geval niet de held.

Liep tegen de vader van de vader van de vader van de vader van mijn vader aan: oudouder Adrianus van ’t Hof, geboren in Heeze (1785) en overleden in Eindhoven (1857). Hij was metselaar van beroep en trouwde in 1814 met Hendrika van Baarschot, die op dat moment dienstmeid was, maar spoedig moeder zou worden.

Groot deel van de dag in de tuin gewerkt, gezonde bodemmicroben opgesnoven en emmers mos uit het grasveld geplukt. Hennie schilderde met kennelijk plezier een garageraam en verwijderde wortels en een gazen hek. Bezig blijven: de sleutel tot geluk?

At samen met m’n meissie in no time een doos kaasstengels – ‘verdraaid lekker’ – leeg.

De Olifant, Aldtsjerk, 2020 © Ton van ’t Hof

Toos Bol

Catharina Johanna Maria van ’t Hof, roepnaam Toos, stierf in 1995, in Heusden, als echtgenote van de bekende kunstschilder Kees Bol.

Kees en Toos trouwden in 1941, hij 25 jaar oud, zij 23. Hoewel hij al schilderde, verdiende Kees destijds de kost als kantoorbediende. Mijn vader heeft hem verscheidene keren opgezocht, om te praten over het schildersvak.

Toos was een dochter van een broer van mijn opa, en dus een volle nicht van mijn vader en een achternicht van mij. In de huwelijksakte lees ik dat haar ouders geen toestemming gaven tot het huwelijk met Kees. Door tussenkomst van de kantonrechter kon de verbintenis alsnog worden aangegaan.

Wat een toestand moet dat zijn geweest. Je vraagt je af waarom haar ouders Kees niet zagen zitten. Van enig standsverschil was geen sprake. Kees’ vader was bloemist, die van Toos huisschilder. Zou er een geloofskwestie aan de afwijzing ten grondslag hebben gelegen? Toos’ ouders waren, vermoed ik, streng katholiek, Kees kwam zelf uit de bijbelvaste bollenstreek. Enfin, je weet het niet.

Ik heb nog geen foto van mijn achternicht kunnen vinden, maar gelukkig heeft Kees zijn echtgenote vaak geschilderd. Er is zelfs een boek met alleen maar portretten van haar. Ik heb een exemplaar besteld.

Toos aan tafel met een olielamp, Kees Bol, 1962

Pekalongan, Midden-Java

Stormachtige wind en traag internet; er zijn leukere dingen.

Stormschade: drie afgebroken takken, groot formaat, van een van onze essen achterin.

De jongste broer van een van mijn overgrootvaders van moederszijde, Albert Spann, was veldwachter van beroep. Hij trouwde in 1921 met Wilhelmina Peperkamp en ging met haar in Balgoij, niet ver van Nijmegen, wonen.

In 1925 werd hun zoon Albert Henri geboren. Vlak na de Tweede Wereldoorlog nam hij dienst en werd als soldaat der 1e klasse ingedeeld bij het 3e Bataljon, 11e Regiment Infanterie, Limburgse Jagers.

Een boot bracht hem vervolgens naar Indonesië, om daar met zijn makkers de orde te herstellen. Albert Henri overleefde de politionele acties niet. Hij stierf op 3 november 1948 in het militair hospitaal te Pekalongan, Midden-Java.

Bidprentje, Albert Henri Spann, 1948

Op de versiertoer

Asjemenou: er lag een dikke drol op onze oprit.

Tijdens een wandeling veel kieviten gezien, foeragerend, om op te vetten, voor de lange tocht naar het zuiden. Daarboven: een wolkenveld op de versiertoer.

Ook nog noodreparaties uitgevoerd aan onze houten schuur, die aan een opknapbeurt toe is. Daarna, met het oog op de naderende storm, de buitentafels en -stoelen goed ingepakt.

Ik heb me er regelmatig schuldig aan gemaakt: het veroordelen, verfoeien of bespotten van anderen. Klootzak.

Voegde vandaag een onderwijzer, veldwachter en scheepstimmerman aan mijn stamboom toe. Machtig mooi vond ik dat.

Foudgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Gezegend

Na lang zoeken ontdekte ik vanochtend eindelijk waar twee oudere zussen van mijn overgrootvader Spann, uit Millingen aan de Rijn, naartoe waren gegaan: Duisburg, Duitsland. Hun mannen hadden daar werk in de binnenhavens gevonden.

Ze kregen er kinderen en zouden er alle vier, tussen 1914 en 1944, overlijden. Sommige kids vonden partners in Duitsland, andere in Nederland, Hoensbroek o.a.

En zo breiden families zich in allerlei richtingen uit.

Daarna gewandeld en op familiebezoek geweest. Wat me van de afgelopen weken is bijgebleven: de vele gesprekken die ik voerde over corona. Van gelijkgestemdheid was nauwelijks sprake. Nog erger dan bij voetbal.

Gelukkig waren we wel telkens met voldoende aardse wijn gezegend.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof