Winkelier in schoenen

Toen mijn grootvader van vaderszijde, Theodorus Antonius van ’t Hof, in 1926 te Eindhoven trouwde met Johanna Maria Verstraaten, woonde hij, 29 jaar oud, bij zijn moeder thuis, aan de Hoogstraat 225 te Gestel. Zijn vader was in 1923 overleden.

Op moment van trouwen oefende grootvader Theo het beroep van ‘winkelier in schoenen’ uit en grootmoeder Jo dat van ‘winkeljuffrouw in een banketzaak’.

In het bevolkingsregister van Gestel ontdekte ik dat Theo in augustus 1919 weer bij zijn ouders was ingetrokken. Vreemd genoeg wordt ‘Hollogne aux Pierres’ als zijn vorige woonplaats vermeld, een dorp ten westen van Luik. Nog gekker is het eerst opgegeven, later doorgehaalde beroep: ‘Religeuze’, waarmee, naar ik aanneem, religieuze wordt bedoeld. Kwam mijn grootvader op 23-jarige leeftijd als geestelijke terug uit België? Had hij wellicht een opleiding gevolgd aan het grootseminarie te Luik? En ingezien dat het priesterschap toch niks voor hem was?

Zoveel gedoe

Vijftienhonderd kilo grind versjouwd. Af en toe regende het. Ik werd oplettend gadegeslagen door een witte kwikstaart, die sinds een week in onze tuin huist. Een olijk beestje.

Tegen koffietijd kwam een vriendin even aanwippen en meldde dat de kogel door de kerk was: ze ging scheiden, en liet ons ontsteld achter.

Fröbelde ’s middags wat en luisterde naar enkele nummers van Bob Dylans nieuwe plaat, die ik maar zozo vond. Scharrelde, eindelijk, de overlijdensakte van overgrootvader Geert Leupen op, die in 1939 op 75-jarige leeftijd te Epe (GD) stierf. Hitler was Polen nog niet binnengevallen. Las wat, dronk Ricard, at een handvol ongezouten noten. Et cetera.

Zo’n middag waarop je wacht op iets waarvan je weet dat het niet gaat gebeuren. En het gebeurde dan ook niet.

Of het moet Hennie zijn geweest: ‘Wij blijven bij elkaar hoor! Ik heb helemaal geen zin in zoveel gedoe, moet er niet aan denken!’

Ego’s & emo’s

‘We laten ons hier niet leiden door onze ego’s,’ zei iemand uit smeltkroes Antakya gisteravond, ‘maar leven samen als broeders.’ Wat ik van wijsheid getuigen vond.

Ja, zekers, poepdruk vandaag. Kwam later, na de drukte, een foto tegen, waarop Hennie (links) en ik ons wild hebben uitgedost. Het is begin 1988. We wonen en werken in Duitsland. Hennie is zwanger van Anoek, ik ben nog geen dertig en bekleed de rang van kapitein. We zijn net aangekomen – welkomsdrankje in de hand, nog nuchter – op het punkfeest van Jaap & Wilma. Het zou een gedenkwaardige avond worden, die iedereen paste. Bizar en ademloos.

Kon, nadat ik bovenstaande herinnering neerpende, nog juist een aanval van melancholie afslaan met een glas wijn uit de Loire.

Arm leven, rijk sterven

‘Dit bestelautootje heb ik voor honderd en tien eurootjes gekocht,’ zei de oude boer, terwijl hij zijn wollen muts verder over zijn voorhoofd trok. Hoewel het nog vroeg was, was het al drukkend warm. ‘Voor die andere kreeg ik er honderd terug, dus ik moest nog tien eurootjes bijbetalen. En hij is al drie keer door de APK gekomen.’ De oude man grijnsde. ‘Niet slecht,’ reageerde ik. ‘Een boer is arm,’ zei hij en keek me triomfantelijk aan, ‘maar sterft rijk.’ ‘Je bedoelt,’ antwoordde ik, ‘dat een boer een rijk leven heeft.’ ‘Dat is it krekt!’ En hij stoof weg in zijn brikkie.

Toen mijn overgrootvader Geert Leupen in 1909 zijn café en ruim 28 hectare grond in veiling bracht, verkocht hij in elk geval niet alle grond. In 1910, mijn overgrootvader was inmiddels met zijn gezin verhuisd van Rolde naar Weperpolder, bood hij verschillende malen via de krant negentien hectare heideveld ter overname aan. Het betrof een stuk van het nog altijd bestaande Westersche Veld, even ten zuiden van Rolde. Het had ook al op de veilinglijst gestaan.

In het boekje Rolde in oude ansichten trof ik een ansicht aan van het Rolderveld, heidegrond dat grensde aan het Westersche Veld. De foto is nog voor de bebossing van het Rolderveld genomen, omstreeks 1924. Het Westersche Veld heeft er vermoedelijk niet veel anders uitgezien.

Het Westersche Veld en het Roldeveld werden gescheiden door de Grolloërstraat, die vanuit Rolde richting Grolloo liep. Het café van mijn overgrootvader, Het Witte Paard, lag eveneens aan die straat, ongeveer ter hoogte van de Molen van Rolde. In 1908 werd de Grolloërstraat verhard, een jaar later vertrok mijn overgrootvader uit het Drentse dorp. Onderstaande opname, waarop zowel molen als Grolloërstraat te zien zijn, is in 1943 gemaakt.

Muizenissen

Nee, ik heb geen boodschap uit te dragen en houd dit dagboek domweg bij om (1) het schrijven en (2) mijn handel en wandel niet meteen prijs te geven aan de vergetelheid.

Dagboek van decadente westerling met welvaartsmuizenissen.

Herinner me plots het enthousiasme van enkele mensen op Facebook, die het coronavirus verwelkomden als een historische gebeurtenis waar zij deel van mochten uitmaken. Ellende om de verveling tegen te gaan. Waar ik dan weer gallisch van werd. Leunstoelradicalen.

Verniste vanochtend tuinstoelen en spotte tussendoor het mannetje: familie grauwe vliegenvanger is compleet. At tussen de middag zelfgemaakte soep van Chinese kool, haalde vervolgens twee deursloten en plaatste ze.

Vond het fraaie boekje Rolde in oude ansichten in de brievenbus en staarde lang naar een prent van Café Het Witte Paard, dat mijn overgrootvader Geert Leupen van 1892-1909 in bezit heeft gehad. Volgens het bijschrift is de foto uit het begin van de 20e eeuw en behoorde het café op dat moment toe, zoals ook (met moeite) boven de deur te lezen is, aan ene G. Hommes. Het is goed mogelijk dat hij het in 1909 van mijn overgrootvader overnam.

Begin 20e eeuw

In een greppel achter de koeien

Saai zou ik het leven van een logementhouder aan het begin van de vorige eeuw in Rolde, Drenthe, niet willen noemen. Ik heb krantenberichten gevonden over diefstal, vechtpartijen en mishandeling in logement Het Witte Paard, in de tijd dat het aan mijn overgrootvader Geert Leupen toebehoorde. Tragisch zijn de paar regels in het Nieuwsblad van het Noorden, d.d. 21 november 1901:

Buitendijks gewandeld, bij Paesens-Moddergat en windkracht vijf. Onderweg een dood lam en een dode ree gezien. De ree leek verdronken, van het lam was een oog uitgepikt. Gelukkig waren er ook veel opgewonden scholeksters en hollende bontbekplevieren, en luchten van duivelse schoonheid.

Paesens-Moddergat, 2020 © Ton van ’t Hof

Palmslag

Mijn in Drenthe geboren overgrootvader Geert Leupen (1863-1939) is de kleurrijkste figuur die ik tot nu toe in mijn stamboom ben tegengekomen. Van zijn vader leerde hij als jongeling het vak van wever, diende in 1888 en 1889 bij de veldartillerie, verrichtte vervolgens karweitjes als dienstknecht, ging na zijn huwelijk in 1891 als tapper in Assen aan de slag en werd niet veel later logementhouder in Rolde.

Lang wist ik niet welk logement het betrof, maar vanochtend ontdekte ik dat Geert op 19 december 1892 Het Witte Paard overnam, gelegen aan de Grolloërstraat te Rolde. Hij betaalde er f 1584,50 voor en zou het tot september 1909, bijna zeventien jaar, in bezit houden.

Dat het geen vetpot was, maak ik op uit het feit dat Geert het logement in 1895 en 1897 te koop en in 1902 te huur aanbood, zonder succes overigens. Wat opvalt is dat telkens, ook in 1895 al, niet alleen het logement maar ook land werd aangeboden, ‘groen- en bouwland en heide’ met, in 1909, een totale oppervlakte van bijna 29 hectare.

Hoe is Geert aan al dat land gekomen? En waar kwam het geld vandaan waarmee hij in 1892 Het Witte Paard kocht? Zou de erfenis die zijn grootmoeder in 1887 naliet – een huis, tuin en 6,5 hectare bouwland, weide, heide en bos – hierbij een rol hebben gespeeld? Zou hij toch beter hebben geboerd dan ik denk?

Geert vertrok na verkoop van zijn onroerend goed in 1909 met zijn gezin naar Weperpolder, een negorij in Friesland, ten noordoosten van Oosterwolde, waar hij als landbouwer de kost zou verdienen. Hoeveel had de veiling opgebracht? Had hij nog schulden moeten aflossen? Was werk de enige reden waarom hij uit Rolde vertrok? Etc.

Van Het Witte Paard schijnt een oude ansichtkaart te bestaan. Ik heb een boekje besteld, waarin die ansichtkaart is afgedrukt. Na 1909 veranderde de naam van het logement eerst in De twee linden en later in Hotel Erkelens, dat in 2019 werd gesloopt. Helaas kan ik er dus niets meer in het echt van zien.

Palmslag = ‘slag met de vlakke rechterhand in die van een ander ter bevestiging van een koop of gelofte’.

Provinciale Drentsche en Asser Courant, 30 augustus 1909

De Botstraatkliek

Stond vanochtend voor zevenen al te sproeien. De bovenlaag is hier keidroog, sommige planten hingen er slapjes bij. Duur twee uur, verbruik ca. 1,5 kuub water.

Daarna de azalea’s beperkt gesnoeid (bloemstelen verwijderd) en gemulcht (rondom stammetjes een deklaag van organisch materiaal aangebracht).

Geluncht, twee wandslanghouders aangeschaft en opgehangen (voor onze twee tuinslangen die een gezamenlijke lengte hebben van vijftig meter) en de auto gewassen en gestofzuigd.

‘Fleißig, Herr Van ’t Hooof!’

Gisteren werd op de Facebookpagina Eindhoven Toen een foto geplaatst van een optreden van The Band Masters, dat op 18 april 1953 plaatsvond in uitgaansgelegenheid Astoria te Eindhoven. Mijn vader speelde mondharmonica in dat bandje. Op de betreffende foto (zie hieronder) staat hij tweede van links.

Pa was toen negentien en vermoedelijk net als kvv’er (luchtverkeersleider) in dienst getreden bij de Koninklijke Luchtmacht. Links van hem staat Geert Leupen, de oudste broer van mijn moeder.

Van links naar rechts: Geert Leupen, Lambert van ’t Hof, Jan Tonneijk, Toon Hendriks, Toon Vermeeren en Fons Groenland.

Via een kennis kwam ik in contact met de dochter van de drummer, Caroline, die de foto op Facebook had geplaatst. Zij wist mij te vertellen dat haar moeder een dochter was van een zus van mijn grootvader van vaderskant. Asjemenou, ik chatte geheel onverwacht met een nicht (2e graads) van me! Nog een saillant detail, haar vader en moeder woonden net als mijn vader en moeder in de jaren vijftig (als adolescenten) in de Botstraat te Eindhoven. De Botstraatkliek, zeg maar.

The Band Masters, Astoria, Eindhoven, 18 april 1953.

Herenboer

Rond 1730 kwam hij ter wereld, in Frensdorf, Duitsland: Harm Hindrik Rigtering, mijn oudovergrootvader. Tussen zijn twintigste en dertigste levensjaar trouwde hij driemaal en werd tweemaal weduwnaar. Hij kreeg zes kinderen en was landbouwer van beroep. Er is een aanwijzing dat hij in 1776 is overleden. Zijn derde echtgenote, Stine Lucassen, mijn oudovergrootmoeder, hertrouwde in 1777 met ene Evert Johanning, die mogelijk een zoon was van de herenboer voor wie Harm Hindrik zijn hele leven werkte.

Wandelen houdt me op de been, wandelpaden zonderen me af van het moderne leven. Wandelde vanochtend met Hennie over de Heemstrawei, een oude klinkerweg die alleen nog te voet mag worden begaan, naar in zonlicht badend Foudgum.

Eenmaal thuis wakkerde de wind aan tot kracht vier, waardoor het te fris werd om buiten te zitten. Binnen geurde het naar stoofvlees met peperkoek, Zwolsche stoofkruiden en een scheutje wijnazijn.

In de wei lummelden de koeien rond alsof ze nooit anders gedaan hadden.

Foudgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Goed speurwerk

Zouden mijn overgrootouders Geert Leupen en Geertruid Rutgers, die in 1891 in Rolde met elkaar huwden, hebben geweten dat ze familie van elkaar waren, 4e neef en nicht om precies te zijn? Hoever ging in die tijd het familiale geheugen terug?

Geert en Geertruid delen een stel oudouders (en dus twee stellen oudgrootouders, vier stellen oudovergrootouders etc.): Arent Harms Kors en Albertjen Hindriks, die beiden aan het eind van de 18e eeuw in Drenthe ter wereld kwamen.

Geert en Geertruid zijn dus achterachterachterkleinkinderen van Arent en Albertjen. Overigens heeft iedereen zestien stellen oudouders. Al met al een wetenswaardig feit waar ik vandaag bij toeval – of was het goed speurwerk? – op stuitte.

De tiende tien kuubs container arriveerde vandaag evenals De omgevallen boekenkast van Hans van Straten (privé-domein, 1987).

Kocht een kloofhamer en probeerde hem uit: wow, daarmee kloof je met gemak stammetjes met een doorsnee van 30-40 cm.

En toen, eindelijk, regen. De azalea opende een eerste goddelijke bloem, en de blauweregen zit haar op de hielen.

Hoe stilletjes bloemen groeien, potdomme!