Twaalf ambachten, dertien ongelukken. Wie telkens weer van beroep verandert, slaagt nergens in. Overgrootvader Geert Leupen oefende vele beroepen uit: wever, veldartillerist, dienstknecht, tapper (verkoper van alcoholische dranken), logementhouder, landbouwer, koopman en slager.

Wat kun je hieruit concluderen? Dat hij weinig goeds van zijn leven wist te maken? Nogal wat pech moet hebben gehad? Een arme sloeber was? Mijn moeder herinnert zich hem als ‘een hele aardige man’, maar mijn grootmoeder (Geerts schoondochter) haalde haar neus voor hem op en maakte hem uit voor ‘rassocialist’.

Mijn overgrootvader heeft de industrialisatie volop meegemaakt. Het zou me niet verbazen als hij vanwege mechanisering zijn eerste baantje, dat van wever, verloor. Gezien de verscheidenheid aan ambachten zat Geert niet gauw bij de pakken neer en nam van alles aan om zijn grote gezin te kunnen onderhouden.

Nu eens was hij in loondienst, dan weer probeerde hij als eigen baas zijn brood te verdienen. Het is niet zo verwonderlijk dat hij in deze omstandigheden sympathiseerde met het socialisme.

Uit alles wat ik inmiddels over hem weet komt een trotse man naar voren, die graag zelfstandig wilde zijn. In de kwestie betreffende de boerenplaats, waar ik hier eerder over berichtte, acteerde hij als een rouwdouwer. Daarnaast was hij gek met zijn gezin, bij elk huwelijk van zijn kinderen, dat zich soms ver weg voltrok, waren hij en Geertruid aanwezig.

Ik denk dat ik deze gozer wel mag.

De Varkensmarkt te Assen, waar Geert en Geertruid Leupen van 1891-92 woonden

Muggen. Ik behoor tot het type dat door steekmuggen al op honderd meter afstand wordt waargenomen. Dwars door muren heen. Als er zich één mug in onze straat bevindt weet zij (alleen vrouwtjesmuggen steken) mij te vinden.

Om half vijf wakker. Mug. Naar beneden. Ook daar mug. Zen’sect opgesmeerd, met 40% deet, waarna er prompt een mug op mijn hand landde. Haar met andere hand doodgeslagen. Hoe oud is dat antimuggenspul eigenlijk?

De twee zorgkantoren die zich buigen over de aanvraag van een persoonsgebonden budget voor ma vergen idioot veel van mijn geduld. Ik bespeur drukdoenerij zonder énige concrete output en voel aandrift om met een houthakkersbijl te gaan zwaaien. (Wees niet bang, ik kan en zal me beheersen.)

‘Er is ook een theorie denkbaar dat de kwaliteit van de boekhandel bepaald wordt door de boeken die je er niet vindt.’—Ad ten Bosch

Eindelijk heb ik ze op een rijtje: de kinderen van mijn overgrootouders Geert Leupen en Geertruid Rutgers: elf stuks. Ga er maar aan staan! Lammegien (1891-1970) was de eerste, mijn grootvader Harm Geert (1910-1992) de een-na-laatste. Daar tussenin zaten Jacob, Jan, Annechien, Willem, Roelof, Roelof, Anna en Harmina. De benjamin heette Evert Geert, die in 1911 ter wereld kwam.

Roelof 1 werd ruim dertien maanden oud en Roelof 2 stierf—waaraan is (nog) onduidelijk—op 16-jarige leeftijd. Harmina hield het al na 34 dagen voor gezien. Hoewel ik nog niet weet wanneer Jacob, Jan en Anna de geest gaven, zou het me niet verbazen als mijn grootvader als laatste van het gezin de grote reis aanvaardde. Ik zal mijn herinneringen aan hem op een later moment boekstaven.

Een vraag die me ook bezighoudt: waarom liet zijn jongere broer Evert Geert, die slechts 61 werd, zich als Geert Leupen—dus zonder Evert—begraven?

Al vroeg in de ochtend: genealogisch gepiel. Stamboommanie. Wat je er aan hebt? Niets natuurlijk. Wat volgens boeddhisten een groot goed is.

Vroeg me al langer af waarom mijn overgrootouders Geert & Geertruid Leupen, die vrijwel altijd in de buurt van Assen hadden gewoond, hun oude dag ineens in Epe (GD) sleten. Geert stierf er zelfs. Kom ik online (graftombe.nl) plots het graf van hun jongste zoon Evert Geert tegen op een begraafplaats te Epe. Hij stierf in 1973, 61 jaar oud. Ging Evert nog met zijn ouders mee naar Epe of gingen zijn ouders met hem mee?

Vragen, vragen, vragen.

Hennie had een tuinbank bij Intratuin gezien. Wij naar Intratuin. Bleek de bank niet meer op voorraad. In Drachten nog wel. Wij naar Drachten, 25 km verderop. Tuinbank aangeschaft. Bleek het ding nét niet in de auto te passen. Zonder bank terug naar Leeuwarden.

Bij het instappen schade aan de auto ontdekt. Deuk plus twee krassen. Lijkt van een fietsstuur plus handrem te zijn. Tweede schade binnen een jaar. En we hebben per gebeurtenis een eigen risico van € 250. Het is een private lease, de schade zal dus moeten worden hersteld. Kassa!

Tuinbank door Hennie met grotere auto van schoonzus opgehaald. Rijden maar!

Leren leven met al die anderen die anders denken dan ik is een kunst. En soms een treffen, tussen beelden en echte mensen.

Mijn overgrootvader Geert Leupen en mijn overgrootmoeder Geertruid Rutgers trouwden op zaterdag 18 april 1891 te Rolde, in aanwezigheid van Geerts vader, Jan Geerts, en vier getuigen. De bruidegom 27 jaar oud, de bruid 23. Acht maanden ervoor had Geert zijn moeder verloren en Geertruid was al sinds 1889 wees.

Online weet ik te achterhalen dat half Europa in deze periode te maken had met een koudegolf en dat het op de 18e niet alleen ‘s nachts maar ook overdag tot diep in Frankrijk vroor. Dikke jas aan dus.

Onder Geertruids dikke jas moet overigens ook een dikke buik hebben gezeten, want nog geen drie maanden later beviel ze van hun eerste kind, dochter Lammegien.

In de trouwakte vind ik niet alleen Geerts beroep op moment van trouwen terug, dienstknecht, en hun beider woonplaats, Deurze, maar ook dat er aan de Ambtenaar van den Burgerlijken Stand zeven documenten ter hand zijn gesteld: twee geboorteakten, drie overlijdensakten en, mijn belangstelling wekkend, twee bewijzen:

  • ‘bewijs voldaan te hebben aan de wet op de nationale militie’;
  • ‘bewijs van toestemming tot het aangaan van dit huwelijk afgegeven door den Kommanderenden Officier van het eerste Regiment Veldartillerie’.

Tot mijn voldoening—alle lof voor het Drents Archief—heb ik ook de bijlagen kunnen downloaden.

In het begin van de 19e eeuw werd in Nederland—middels de ‘Wet omtrent de inrigting der Nationale Militie’—de conscriptie (dienstplicht) ingevoerd. Iedere jongeman diende zich in te schrijven, waarna door loting werd bepaald wie daadwerkelijk werd opgeroepen. Als je werd ingeloot bestond er de mogelijkheid om ‘zijne dienst [te] doen waarnemen door een plaatsvervanger’, die tegen betaling jouw plaats als militielid innam. De hoogte van dat bedrag was in 1861 een zaak geworden tussen loteling en plaatsvervanger, voor die tijd gold een tarief ‘naar mate van de gegoedheid der personen’ van f 25 tot f 75.

De dienstplicht duurde vijf jaar. De eerste achttien maanden kwam je op in werkelijke dienst, waarna je nog drie en een half jaar oproepbaar bleef.

Geert schreef zich in 1882 als negentienjarige in, maar werd uitgeloot. Hij woonde op dat ogenblik in Anloo, waar hij het vak van wever uitoefende. Zes jaar later, op 1 mei 1888, kwam hij alsnog onder de wapenen, bij het 1e Regiment Veldartillerie te Utrecht, waar hij de plaats van iemand anders innam.

Geert kon ongetwijfeld het geld goed gebruiken. Thuis hadden ze het niet breed en de toenemende mechanisering van de textielindustrie zorgde voor minder vraag naar wevers. Na zijn diensttijd zou hij niet meer achter het weefgetouw plaatsnemen.

Toen Geert en Geertruid op die koude zaterdag trouwden, was de bruidegom weliswaar niet meer in werkelijke dienst, maar nog wel oproepbaar. Daarom had hij van zijn commandant toestemming voor het huwelijk nodig.

Ik ga ervan uit dat ze na afloop van de plechtigheid een goed glas bier of wijn hebben gedronken in de plaatselijke herberg.