Over literaire mores, politieke taal & afvalkunst

Vrijdagmiddag 28 okt: kussen in de rug, poes op schoot, glas whisky & iPad binnen handbereik en surfen maar. Stuit al direct op Arjen Fortuins column in de NRC van de 27e: over de mores in de literaire wereld. Hij geeft af op belangenverstrengeling in literaire jury’s: ‘Als een naaste collega (of partner, of vriend) in aanmerking komt voor een prijs, moet je de jury verlaten.’

Ik neem een slokje whisky, aai de poes en denk: da’s waar. Maar in de literaire niche poëzie zal Fortuins voorstel niet gemakkelijk kunnen worden verwezenlijkt: het poëzieveld is zó klein, dat zowat ieder jurylid met een beetje affiniteit met poëzie wel collega en/of partner en/of vriend (en/of concurrent/rivaal/vijand) van bijna alle ingezonden dichters zal zijn. Waardoor vrijwel níemand alléén op zijn of haar literaire kwaliteiten zal worden beoordeeld. Wat nu? Hoe lossen we dit op? Wie laten we dan jureren? Of, voor deze, subsidieaanvragen beoordelen?

We kunnen dit niet afdoen als oninteressant of onbelangrijk. Daarvoor is er te veel prijzen- en subsidiegeld mee gemoeid. Te veel macht ook. En achterstelling. De veelgehoorde klacht dat het meestal blanke heteromannen van middelbare leeftijd zijn die met een prijs aan de haal gaan, dient serieus te worden genomen. Het wordt tijd, hoe lastig ook, voor een uitweg. Een uitweg die altijd begint met de erkenning van het probleem. Waarna men op basis van een analyse oplossingsrichtingen kan gaan bedenken.

Een bagatellisering zoals Das Mag dat in een advertentie met betrekking tot de NS Publieksprijs laat zien – ‘Het wordt eindelijk eens tijd dat een witte man van middelbare leeftijd een literaire prijs wint.’ – is (inderdaad Obe Alkema) uit den boze.

Zaterdagochtend 29 okt: Rondje digitaal nieuws. Ik begin met de column van Bas Heijne: ‘Het is tijd voor een nieuwe taal‘. Hij heeft eigenlijk een geruststellende boodschap: Trump en Wilders frustreren met hun ‘uitzinnige, opwindende en hyperbolische taal […] hun eigen politieke ambities. Zij zijn zelf hun grootste tegenstander.’ De kans dat Trump of Wilders ooit president dan wel minister-president wordt, acht Heijne daarom klein.

Bij Heijne’s slotparagraaf moet ik ook aan de hierboven aangehaalde advertentie van Das Mag denken. Ook reclamemakers kunnen zich uit scoringsdrang vergalopperen. Heijne:

‘Taal die louter vijandig is, die geen publieke zaak erkent, en zich weigert te committeren aan de meningen en denkbeelden van een ander, maakt alleen nog stemming. […] De verwording van het publieke discours is niet enkel de schuld van populisten. We moeten afscheid nemen van onze eigen verlekkerde hyperbolen, van onze verbale uitzinnigheden, de neiging alles en iedereen in dramatische termen te gieten, van onze zelfrijzende verontwaardiging en ontsteltenis. Het is tijd voor een nieuwe taal.’

Op Artist’s Books and Multiples kom ik een werk van de Belgische kunstenaar Sophie Nys tegen: een ‘plastic pumpkin leaf bag’, bedoeld voor bladerafval, maar waarin Nys geshredderde documenten heeft gestopt. Het werk is in een oplage van 25 stuks verschenen en wordt voor $ 300 per stuk verkocht.

img_0790
‘Leaf Bag’, Sophie Nys, 2016, oplage 25 stuks

In het begeleidende persbericht lees ik dat Nys alledaagse objecten transformeert en herpositioneert om vragen op te roepen over oorzaak, gevolg & vergankelijkheid en nieuwe ruimtes te open voor reflectie, verzet & creativiteit.

Een reclamepraatje of zet dit kunstwerk je daadwerkelijk aan het denken? Dat we met z’n allen veel afval produceren is een bekend gegeven. Evenals de noodzaak tot hergebruik. Veel vernieuwends kan ik aan deze oranje zak dan ook niet ontdekken. Hoewel het uiteraard nuttig blijft om het afvalprobleem, zo lang het bestaat, steeds weer onder onze aandacht te brengen. Grappig vind ik het ding wel. Stel me voor hoe hij in onze woonkamer zou staan. En hoeveel nieuwsgierigheid hij daar zou opwekken. Verbazing ook. Over de prijs die je ervoor hebt betaald.

Stellingname

  • De moderne revolutie in de poëzie is Amerikaans (conceptual poetry, flarf, slow poetry).
  • Aanvaarding hiervan wordt ook bepaald door een ja of nee tegen de VS in het algemeen (hun cultuur, hun gezamenlijk buitenlands optreden).
  • Dat deel van het Nederlandse publiek (inclusief critici) dat (vrijwel) louter van papier leest, onthoudt zichzelf belangrijke literaire informatie.
  • Veel critici laten zich nog altijd (jawel) leiden door rubriceringsdrift en persoonlijke verwachtingspatronen, waardoor recensies bol staan van idiote splitsingen van wat een ononderbroken (soms levenslang) poëtisch proces is, van het creëren van kunstmatige tegenstellingen binnen een poëtisch oeuvre en van particuliere oordelen die vooral de eigen stem moeten kleuren.
  • Niet nabootsen, maar leren van Kenneth Goldsmith, K. Silem Mohammad en Dale Smith, door hun poëzie en theorieën te bestuderen, en te onderzoeken of wij die kunnen gebruiken voor onze eigen adem, onze eigen vorm en de dingen waar wij bij betrokken zijn.
  • Wat onze politieke poëzie betreft: die verkeert in deplorabele staat (evenals de politiek zelf). De Nederlandse dichters hebben zich afgekeerd van politieke vraagstukken en verschijnselen. Ik bedoel een brede, positieve ongerustheid over het lot van de mens, over zijn relatie tot de natuurlijke omgeving waarin hij leeft.
  • Fuck Wilders.
  • Vertaalde poëzie is in Nederland van nul en generlei waarde.
  • ‘If a poetry is to be produced, it can only come out of the interplay of concern for the objective world and concern for the inner existence. The poet runs along his rails; his poetry alongside him; the world alongside that: keeping the three together is the secret of art.’
  • Neem en eet, want dit is jouw lichaam.
  • Ik zag in een droom brood op mijn hoofd / waarvan de vogelen aten.

(Dit bericht verscheen eerder, op 01-09-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)

‘Carl De Strycker’ levert 2170 Google hits op

In het laatste nummer van de Poëziekrant bespreekt Carl De Strycker Flarf, een bloemlezing. Hij trekt o.a. de volgende conclusie: 

‘Voor flarfdichters is het internet dus de ultieme bron van intertekstualiteit. En ja, een flarfgedicht dat volledig bij elkaar gegoogled is, is een statement: de originele taal, de nieuwe tekst bestaat niet. Maar is dat een nieuw inzicht? Allesbehalve. Levert de illustratie van die filosofische idee (Roland Barthes, toch?) boeiende poëzie op? Nee. Intertekstualiteit is pas interessant wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft, maar daarvoor moet wel herkenbaar zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt. Dat is in flarfgedichten niet het geval: daar is alles gestolen, gesampled, geknipt en geplakt. Het levert over het algemeen redelijk onbeduidende poëzie op en in de gevallen dat er toch iets interessants uit de computer rolt, is het nog maar de vraag of dat in de buurt komt van Dirk van Basteleare of Peter Holvoet-Hanssen, die eigenlijk met soortgelijke technieken werken. De demarcatielijn tussen hun poëzie en flarf? De inzet, de achterliggende bedoeling. Flarf is vormexperiment, bij Van Bastelaere of Holvoet-Hanssen staat de techniek in functie van de inhoud.’

Julia Kristeva introduceerde het begrip ‘intertekstualiteit’ en Roland Barthes theoretiseerde er op voort.

‘Theorists of intertextuality problematize the status of “authorship”, treating the writer of a text as the orchestrator of what Roland Barthes refers to as the “already-written” rather than as its originator. “A text is […] a multidimensional space in which a variety of writings, none of them original, blend and clash. The text is a tissue of quotations […]. The writer can only imitate a gesture that is always anterior, never original. His only power is to mix writings, to counter the ones with the others, in such a way as never to rest on any one of them.”‘ (Daniel Chandler)

En nu dan De Strycker, die aan intertekstualiteit een geheel eigen waardeoordeel hangt:

‘Intertekstualiteit is pas interessant wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft, maar daarvoor moet wel herkenbaar zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt.’

Dat mag je vinden, maar verkoop het niet als de waarheid. Ik val hierover omdat vervolgens op grond hiervan de poëzie van Van Bastelaere en Holvoet-Hanssen hoger wordt aangeslagen dan flarf. Per definitie. Flarf wordt als genre door De Strycker afgeserveerd omdat het louter zou citeren, alleen maar vormexperiment is. Ook als ‘er toch iets interessants uit de computer rolt’.

En dat er soms iets interessants uit de computer rolt geeft De Strycker ook herhaaldelijk aan. En echt: dat waardeer ik. Hij heeft de bloemlezing goed gelezen. Hij zegt onder meer het volgende:

‘Dit soort flarfgedichten, waarin op intelligente manier het medium internet met zijn zogezegde ongebreidelde communicatiemogelijkheden op de korrel genomen wordt, draagt wel degelijk iets bij aan de poëzie. Zo is Erwin Vogelezangs “Gevoelens van eenzaamheid zijn te verminderen via internet” een spottende aanklacht tegen het valse gevoel van sociaal contact dat het net biedt. En ook Ton van ’t Hof gaat op een ingenieuze manier met zijn materiaal om. Zijn gedicht “In reactie op de eis van Geert Wilders om in navolging van Mein Kampf de Koran te verbieden” is een striemend antwoord waarin allerlei stemmen over dit onderwerp met elkaar geconfronteerd worden tot een angstaanjagende glossolalie.’

Laat ik samenvatten wat De Strycker beweert: sommige flarfgedichten dragen wel degelijk iets bij aan de poëzie, maar ze komen niet in de buurt van het werk van Van Bastelaere en Holvoet-Hanssen (die eigenlijk met soortgelijke technieken werken) omdat niet duidelijk is wat eigen tekst is en wat wordt geciteerd. De flarftechniek staat niet in functie van de inhoud.

Tja. De Strycker signaleert naast middelmatige ook geslaagde flarfpoëzie, maar vindt die laatste categorie vervolgens toch niks omdat het bijeen geflarft is. Hij lijkt hierbij uit te gaan van de vooronderstelling dat poëzie een persoonlijk spreken is of moet zijn. Alleen dan kan er volgens hem, zo meen ik te lezen, sprake zijn van een ‘inzet’, een ‘achterliggende bedoeling’.

Evenals andere critici heeft ook De Strycker moeite met de afwezigheid van een uitgewerkt manifest, waarin flarfers hun poëtica tot in detail verklaren en vernieuwing claimen. In plaats van in te gaan op deze afwezigheid verzint De Strycker zelf maar een aanspraak op innovatie: ‘De combinatie van gerespecteerde avant-gardetechnieken en een hedendaagse context zou dan een vernieuwende poëzie moeten opleveren.’ In de inleiding van de bloemlezing valt iets anders te lezen:

‘FLARF is: een opleving van de collage binnen de poëzie.

‘De combinatie van de eigenheid en charme van de collage als kunstvorm en de aard van de door FLARFdichters gebruikte tekstmateriaal is ESSENTIEEL.

‘De nieuwe technologische innovaties in combinatie met een verlangen om de moderne tijd in al haar taalhoedanigheden in de poëzie te onthalen en de uitgelezen mogelijkheid die de collage hiertoe biedt, vormen samen een verklaring voor het ontspruiten van FLARF in deze tijd.’

Flarf problematiseert opnieuw de concepten van originaliteit, creativiteit en expressiviteit. En door zichzelf als een beweging te presenteren zonder manifest, zonder claim op vernieuwing, wordt deze problematisering nog eens versterkt. Noem flarf nihilistisch, ironisch, hedonistisch, absurdistisch, humoristisch of sceptisch, maar vernieuwend? Nee.

Over intertekstualiteit laat ik graag Daniel Chandler nog eens aan het woord:

‘Texts are instrumental not only in the construction of other texts but in the construction of experiences. Much of what we “know” about the world is derived from what we have read in books, newspapers and magazines, from what we have seen in the cinema and on television and from what we have heard on the radio. Life is thus lived through texts and framed by texts to a greater extent than we are normally aware of. As Scott Lash observes, “We are living in a society in which our perception is directed almost as often to representations as it is to ‘reality.'” Intertextuality blurs the boundaries not only between texts but between texts and the world of lived experience. Indeed, we may argue that we know no pre-textual experience. The world as we know it is merely its current representation.’

Je zou van een flarfgedicht kunnen beweren dat het een tekst is die ultiem intertekstueel is. En dat het door het gebruik van flarden internettekst een beeld van de wereld kan geven zoals wij die nu kennen. Maar kom niet aan met de flauwekul dat de ene vorm van intertekstualiteit beter is dan de andere, dat ‘intertekstualiteit pas interessant is wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft’, gevolgd door de nog grotere onzin dat ook nog ‘herkenbaar moet zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt’. Ook Van Bastelaere lacht zich rot.

Carl De Strycker eindigt zijn recensie zo:

‘Wie de biootjes aan het eind van de bloemlezing doorneemt, merkt dat de verzamelde dichters vooral uit het blogmilieu komen. Flarf is dus niet meer of niet minder dan een strategische zelfpositionering, een poging om, gelegitimeerd als erfgenamen van dada, vanuit het nog steeds als perifeer beschouwde internetcircuit een plaatsje in het literaire centrum te verwerven. Want hoewel al deze dichters op het net veel hits hebben, blijken ze toch vooral met hun papieren publicaties geassocieerd te willen worden, zo blijkt uit hun cv’s. Ondanks hun geloof in de kracht van Google, zelfs als poëtisch middel, blijken ze de slogan “if you don’t find it, google it” niet te vertrouwen als het op zichzelf aankomt. Toch maar liever met hun naam in de literatuurgeschiedenis dan ergens op het www blijkbaar.’

Hé! ‘Carl De Strycker’ levert 2170 Google hits op!

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-12-2009, op 1hundred1.blogspot.nl.)