Levenscoaches

Over een gedicht van John Ashbery

O God! daar heb je Ashbery weer. Hij schreef gedichten die je vrees inboezemen. Ter nagedachtenis aan deze grote Amerikaanse dichter zei Paul Muldoon in 2017 in The New Yorker: ‘To read a John Ashbery poem is to be scrutinized by it.’ Wie een gedicht van John Ashbery leest, wordt door dat gedicht nauwkeurig bekeken, in detail onderzocht. Waarmee Muldoon natuurlijk bedoelde dat je geneigd bent om Ashbery’s poëzie op jezelf te betrekken, dat zijn gedichten je aanzetten tot zelfbespiegeling, zelfonderzoek. O God! daar heb je Ashbery weer. Hij schreef gedichten die je vrees inboezemen.

En telkens blijk ik weer even magistraal onsamenhangend te zijn.

Het vierde gedicht uit Ashbery’s fenomenale bundel A Worldly Country (2008), ‘Feverfew’, luidt in mijn vertaling als volgt:

MOEDERKRUID

Het is allemaal lang geleden gebeurd –
een dikke, troebele neerslag
van een bepaalde periode die afliep
zoals rioolputten verzakken. Woede op de weg had flanken doorbroken;
alles was onzeker op de Via Negativa
behalve de zekerheid van terugkeer, terugkeer
naar het om en nabij.

‘s Nachts en ‘s ochtends klonk er een hoorn,
die de volgelingen opriep tot gebed, de afvalligen tot plezier.
In dat onmogelijke steegje ademde ik eerst uit
scherts voor je koddige gepaneerde lippen:
Wat als we allemaal niet weten wat ons allemaal overkomen is,
het lied dat om middernacht begint,
de droom later, van ezelsoor en mos
vlakbij waar Acheron indertijd stroomde?

Maar nu ben ik alleen, ik kwam omdat je huilde en ik moest.
Gevlochten schors dempt de klopper, maar de deurbel
dringt diep door in de hersens van iemand die hier woonde.
O brak wolkendek en riskant,
de maan is ondubbelzinnig.

‘Moederkruid’ is een plantje dat vroeger werd gebruikt om weeën op te wekken en kraamvrouwenkoorts te verdrijven.

‘Via Negativa’ is een theologische praktijk waarin je God benadert door te zeggen wat hij níet is.

‘Acheron’ is de rivier van het leed waarover Charon de veerman de schimmen van de doden naar de onderwereld bracht.

De strekking van dit gedicht is: als je geboren wordt weet je één ding zeker: je gaat ook weer dood. Alles wat daar tussenin gebeurt blinkt uit in onzekerheid.

En wat ik ook proef: de liefde van Ashbery voor zijn moeder, de sympathie die uitgaat naar alle moeders, onze eerste levenscoaches. 

Oogverblindende schittering

Over een gedicht van John Ashbery

In zijn bespreking van A Worldly Country omschrijft Forrest Gander de late John Ashbery als een dichter die niet alleen clichés laat zingen, maar ook morrelt aan de syntaxis, het DNA van het Engels, om lezers te dwingen tot het inhouden van hun pas, zodat zij het ‘continuüm’ kunnen zien, van het leven in het algemeen en de Amerikaanse geschiedenis, inclusief haar taal, in het bijzonder.

Mooie, maar wellicht ook wat vergezochte woorden. Ahsbery was geen dichter die een programma had, maar iemand die op zijn gevoel afging, intuïtief handelde. Wat mij opvalt aan Ashbery’s latere poëzie zijn de vele passages die buitengewoon schoon en tevens raadselachtig zijn, momenten waarop taal ongenaakbaar is maar tegelijkertijd een betoverende abstracte gratie heeft, waar ik maar geen genoeg van kan krijgen.

Neem, bijvoorbeeld, de afsluitende zin van het derde gedicht van A Worldly Country: geen idee wat de betekenis ervan is, maar o God wat een oogverblindende schittering!

STREEPJESPATROON

Bij het passeren van de lage brug geeft je lot lucht
aan een scheldkanonnade. De kastanjebomen
laten hun bladeren één voor één vallen. Terwijl het ene
na het andere gespreksonderwerp werd aangesneden, liet de deur
telkens een enkele bezoeker toe. Waarom ook niet?

Was dit de reden dat we aandachttrekkende
momenten op het plein schuwden nadat de zon
was uitgemokt? Er waren konijnen in de oase
en wij wisten van niets, al helemaal niet
van opeengepakte nogahandelaren. Eén
slaapliedje voor iedereen. Het verhoor kent geen clausule,
alleen lichtvoetige reuzen die perspectief schrokken
of eenzaamheid komen voor zichzelf op, kleurloosheid
die contrasteert met lichtpillen.

Een eenzame archetypische ergernis

Over een gedicht van John Ashbery

In een recensie van John Ashbery’s A Worldly Country (2007) wijst Bryan Appleyard op een grondtoon van Ashbery’s poëzie die ik herken: ‘het constante, treiterende vermoeden dat er in feite iets te zeggen valt’ over de wereld waarin wij ons bevinden, iets wezenlijks.

In een van zijn gedichten verwoordt Ashbery dit als volgt: ‘Zo velen zaten goed fout / over bijna alles, het doet er / nauwelijks toe, iets anders wel / anders zou alles kassiewijle zijn.’

Geen bakerpraatjes, maar essentialia.

Wat gemakkelijker gezegd is dan gedaan. Ashbery zoekt zijn heil niet in generaliserende beweringen, maar in omtrekkende bewegingen en falsifiëringen.

In het tweede gedicht van A Worldly Country, ‘To Be Affronted’, komt de term ‘mandala’ voor. Een mandala (zie illustratie hieronder) is een symbolische uitbeelding van het heelal en heeft een oosterse oorsprong (Sanskriet: cirkel). Vooral Ashbery’s latere gedichten, waarin het zinnebeeld en de allegorie niet worden geschuwd, hebben wel iets weg van mandala’s.

OPENLIJK BELEDIGD

Een tijdje vingen we het wezen van de dingen op
zoals ze in het verleden hun beloop hadden gehad. En we leerden ze
heel goed kennen. Spinnenwebben hingen
boven de kust. Onverschrokken plukte het meisje
ze uit de wolken, een en al geheimzinnigheid
en elasticiteit. Later tilde een waas
ze boven de cementen droom van taxie en leven uit.
Dit was de min of meer gebruikelijke
wijze waarop dingen uit- en weer
samenvloeien. Wat we niet konden zien was
verrukkelijk. Juli ging heel snel voorbij.

Meer dan een mankement, meer zelfs
dan cirkels die tegen het midden
en het einde loslaten, was de kaars die onder het gewelf stond
en barre dingen mompelde tegen het weer,
de gevels. Stel je een film voor die lijkt
op iemands leven, dezelfde lengte, dezelfde waarderingscijfers.
Stel je nu voor dat jij erin speelt en de tweede hoofdrol vervult,
een rol die eigenlijk belangrijker is dan die van de opdrachtgevers.
Hoe weet je dat meer dan de helft
voorbij is? Terwijl pastellen toendra
als een mandala van alle kanten toestroomt
kan het kleine meisje nergens heen.
Ze speelt met ons, in onze pronkstoet; je schaamt je
omdat je zo lang bent weg geweest en laat wat dan ook
in de toestand geraken waarin het nu verkeert. Te laat, de berenkop
op de schoorsteen loopt rood aan van eenzame
archetypische ergernis over de wijze waarop tijd zojuist verstreek.

Het is te laat voor de huzaren en de gebogen figuur
op de achtergrond: toen ik jong was dacht ik
dat hij een tovenaar was, of misschien een vergeten
charlatan uit een verre hoofdstad. Nu weet ik dat niet zo zeker meer.

Net als in het openingsgedicht van A Worldly Country staat ook in dit tweede gedicht de tijd – als ‘grootheid van de voortgang en opeenvolging van de gebeurtenissen als een ononderbroken stroom’ – centraal. Meer specifiek: het besef dat de tijd snel gaat.

En wie, net als ik, in ‘de gebogen figuur op de achtergrond’ de man met de zeis ziet, hoort uit dit gedicht de prangende vraag opklinken – Ashbery werd tachtig in 2007 – ‘Wanneer zal het mijn tijd zijn?’

Voordat God ons bevrijdt

Over een gedicht van John Ashbery

Naar de latere gedichten van John Ashbery, die hij vanaf zijn zeventigste schreef, is in tegenstelling tot zijn eerdere werk nog nauwelijks diepgaand onderzoek gedaan. Ashbery werd 91 en publiceerde in de laatste twintig jaar van zijn leven nog elf bundels met nieuwe gedichten, meer dan een derde van zijn totale poëtische oeuvre.

In het jaar dat Ashbery 80 werd, in 2007, werd A Worldly Country uitgebracht. Kenners beschouwen deze bundel als een van zijn successtukken. Ik vertaalde de afgelopen dagen het titelgedicht, waarmee de bundel ook opent. En, zo vroeg ik mij vanmiddag af, waarom vertaal ik deze zomer de hele bundel niet? Om wat dieper in Ashbery’s latere poëzie door te dringen.

EEN WERELDSE STREEK

Niet de vreedzaamheid, niet de waanzinnige klokken op het plein,
de geur van het bemeste stadsperkje,
niet de stoffering, de bijtende spot van Tweety,
niet de verse troepen die toe waren aan een opfrisbeurt. Als het
real time plaatsvond, was het oké, en als het romantijd betrof
was het ook oké. Vanuit paleis en krot
overstroomde de grote parade laan en zijweg
en knollenvelden veranderden in een snelweg.
Overgebleven bonbons werden gevoerd aan krielen
en ganzen, die ploertig bliezen.
De rust van de badkamer was verstoord, net als van de porseleinkast
en de banken, waar niemand geld kwam storten.
Kortom, die bonte middag brak de hel los.
Tegen de avond heerste er weer een vredige sfeer. Een maansikkeltje
hing in de lucht als een papegaai op zijn stokje.
Vertrekkende gasten glimlachten en riepen: 'Tot in de kerk!'
Nacht wist zoals gewoonlijk wat hij deed
en bood slaap ter compensatie van het grote losmaken
dat morgen zeker weer brengen zou.
Terwijl ik de zwijgende puinhopen aanstaarde
bracht één ding me in verwarring: wat was er gebeurd en waarom?
Het ene moment waren we druk in de weer met opstandigheid,
het andere moment was vrede door de linies van helsheid gebroken.

Het gebeurt zo vaak dat de tijd waarin we ronddraaien
rap de zandbank wordt waarop onze lullige skiff zal vastlopen.
En zoals golven verankerd zijn aan de bodem van de zee
moeten wij de ondieptes bereiken voordat God ons bevrijdt.

Tijd. Daar gaat dit gedicht over. Dat tijd verstrijkt. Dat tijden veranderen. Dat alles zijn tijd heeft. Dat sommige dingen van alle tijden zijn. Et cetera. En, vooruit, ook over vuig Amerika, waar toentertijd Bush junior de scepter zwaaide en zinloze oorlogen voerde in Afghanistan en Irak.

Maar wat is de pointe van dit gedicht? Is er überhaupt een pointe? Dat de boel stelselmatig door elkander ligt? Dat dát de grondtoon van ons leven is? Mogelijk. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Wie een gedicht van Ashbery leest, raakt op drift, zoveel is zeker.

Ik drijf stuurloos rond, maar wát een zicht, wát een ervaring.

Een dag aan de poort

John Ashbery in Can You Hear, Bird (1995):

EEN DAG AAN DE POORT

Een slobberige en demotiverende
wind nam het over van het knarsende verkeer.
Wolken van de stokerij
bedekten de hemel. De verkoop van ocarina’s kelderde.

Geloof me, het was een situatie waarin Aladins lamp
misschien een ommekeer teweeg had kunnen brengen. En waar was ik?
Tussen architectuur, tijdschriften, gerecyclede vis,
wachtend totdat slijtage
in mijn grafiek zou verschijnen. Succes,

bonne chance. Wijs de citers
en hun vrienden op me, de ondes-Martenot.
Alleen zeg ik: Wat hierheen komt verkwijnt
automatisch. En de mist, ingrijpend.

Zoals een gevleugelde traan
geheime rijksdocumenten becommentarieert,
verminderen andere tederheden de scherpe kantjes
van het wachten. Groot, pislink,
gekleed in de kleren van de dag,
zijn paraplu vasthoudend, draaide hij zich half om
en riep kst. Zei dat hij ons nodig had.
Zei dat de lucht vanavond Iers groen zou zijn.

Wie ooit vol spanning op de uitslag van een medisch onderzoek heeft gewacht, zoals ik, herkent zichzelf wellicht in dit gedicht. De vreselijkste gedachten spookten door mijn hoofd. Ik klopte bijkans aan de hemelpoort. Want je weet: op een dag is het voorbij: ‘Wat hierheen komt verkwijnt / automatisch.’

Ashbery was bijna zeventig toen Can You Hear, Bird werd uitgebracht. Een leeftijd waarop je je nadrukkelijk realiseert dat alles verandert, vergankelijk is. Het is niet onaannemelijk dat hij dit gedicht schreef met een nare wachtkamerervaring in zijn achterhoofd.

Maar wie is die ‘hij’ in de laatste strofe? De arts die de uitslag van het onderzoek meedeelt? Een gepikeerde man met de zeis? Petrus, eerste der apostelen? God zelve? Niets is zeker bij Ashbery.

Over een gedicht van Kenneth Koch

AAN HET ONBEKENDE

Hoewel we niets van je weten,
Windt zelfs een kleine verandering in je ons op – we willen trouwen.
We veranderen van baan. We veranderen van land. We slaan een boek open
En weer dicht en weten nog steeds niets van je. We ontdekken dat er meer en meer van je is.
Miljoenen dingen. Je leunt achterover en laat ze
Eén voor één gemakkelijk los. Toch bleef en blijf je immens.
Sommigen hebben je geschilderd, maar het waren maar piepkleine vegen.
Hoe kunnen we veel van je laten zien? Ik heb een vaste afspraak met je,
Maar dat heeft uiteindelijk iedereen. Tegen die tijd weten wij niets
En ben jij weer gewoontjes, zoals je in het begin was.
Je sproot voort uit het te weten komen.
Zodra men weet, bijvoorbeeld, dat een vriend een naam heeft
Wordt men zich er langzaam van bewust dat er miljarden namen moeten zijn
Die men nooit allemaal kan kennen, en je kwam dicht bij me en zei:
'Het doet er nauwelijks toe. Maar sommige dingen zijn nog zoeter,
Veel veel zoeter, en misschien zul je die ook nooit te weten komen
Tenzij je ze in me vindt.’ ‘Waar ben je? Hoe kan ik
Dichter bij je komen?’ zei ik. Ik was maar klein
En door jou – was dat gek? – voelde ik me fantastisch,
Belangrijk, als een van de groten,
Die jou kenden, en niet kenden, evenzogoed. Wij waren, ten aanzien van jou, partners.
In jou klinken de stemmen van alle levende wezens door
Als readymades. Misschien is jouw idee van betekenis
(Ik ga ervan uit dat je een idee hebt) om dingen te laten
Rondzwerven totdat er geen beweging meer is.
Als er een manier is om meer over je te weten te komen,
Laat me dat dan van tevoren weten, dan kom ik naar je toe
Tot aan het open stuk waar je woont.

Twee jaar voor zijn dood bracht Kenneth Koch (1925-2002) de bundel New Addresses uit, met vijftig gedichten waarin hij het woord richt tot concrete en abstracte zaken: ‘To Some Buckets’, ‘To Psychoanalysis’, ‘To Testosterone’, To Driving’, To the Roman Forum’, ‘To Some Abstract Paintings’ etc. Koch personifieert deze zaken door ze met ‘jij’ aan te spreken (stijlfiguur apostrof). Het resultaat is nu eens hilarisch, dan weer doodserieus.

Koch wordt met John Ashbery, Barbara Guest, Frank O’Hara en James Schuyler gerekend tot de dichters die – samen met een aantal schilders, dansers en musici – aan de basis stonden van de ‘New York School’, een losjes gevormde experimentele kunstbeweging die na de Tweede Wereldoorlog in Manhattan opkwam en wortels heeft in het expressionisme en surrealisme. 

De poëzie van de New York School wordt gekenmerkt door directheid, spontaniteit, intimiteit, gerichtheid op het dagelijks leven en frequent gebruik van eigennamen en dagboekachtige vormen. Dat Koch zich ook bewust was van het materiaal waarmee hij werkte, drukte Charles Simic ooit kernachtig uit in The New York Review of Books: ‘[Kochs] idee is om iets met taal te doen dat nog nog nooit eerder is gedaan.’ Ook later bleven een intieme toonzetting en experimentele inzet karakteristiek voor de gedichten van Koch.

Eigenlijk is ‘Aan het onbekende’ een ode aan het experiment. Voor Koch maakte het onbekende niet onbemind maar nodigde juist uit tot verkenning, exploratie. Het inzicht dat het ongekende oneindig groot is en zal blijven schrok Koch niet af, integendeel, het stelde hem gerust: er valt gelukkig nog eindeloos veel te achterhalen, we kunnen eeuwig op ontdekking blijven uitgaan. Want om de zoetheid van de ontdekking was het hem allemaal te doen. En dat het daarbij niet alleen om objecten maar ook om subjecten draaide kunnen we lezen in de zin: ‘In jou klinken de stemmen van alle levende wezens door / Als readymades.’ Ieder schepsel is uniek, ieder schepsel is een ontdekkingstocht waard.

In dit gedicht laat Koch zijn pioniersgeest zien, legt die als het ware bloot, bestempelt zichzelf als nieuwsgierig aagje. Eigenlijk is ‘Aan het onbekende’ een lierdicht van het zuiverste water.

Over een gedicht van Frank O’Hara

EEN WARME DAG VOOR DECEMBER

57th Street
straat van plezier
ik ben een microkosmos in jouw macrokosmos
en dan weer een macrokosmos in jouw microkosmos
een waterstofbom die te klein is
om een oog te laten tranen
en toch wandel ik door
langs de imponerende etalages van Tiffany
met zijn diamanten clips voor papieren zakjes
straat der dromen artistieke
Sidney Janis en Betty Parsons
en Knoedler is zo Teutoons vol
dat je me niet opmerkt
behalve dat ik te kijk loop met mijn nieuwe kapsel
en meer Brâncuși lijk dan gewoonlijk
dus ga ik een telefooncel binnen op een hoek
net een ruimteschip
ik hou van de mensen die luidruchtig passeren
voorbijschieten
‘Ik hou van jou’
‘Ik hou ook van jou’
dan open ik de deur de geluiden overdonderen me de mensen
maar ik ben in de buitenlucht
nog altijd volg ik 57th
ontmoet Roy en Bill ik drink vermout
we praten over de verstrooiingen van New York
je bent er bijna
57th Street

De vroeggestorven Frank O’Hara (1926-1966) schreef ‘Een warme dag voor december’ op 5 december 1960. Dit gedicht werd gevonden in O’Hara’s nalatenschap en voor het eerst gepubliceerd in zijn Collected, 1971. Het doet verslag van een wandeling door een drukke straat van Manhattan, 57th Street, die bekend staat om zijn kunstgalerijen, restaurants en chique winkels. Dichten was voor O’Hara het neerleggen van wat hem te beurt viel: ‘What is happening to me […] goes into my poems.’

En dat het inderdaad een warme dag was voor de tijd van het jaar wordt door Weather Underground, een weersite die ook historische gegevens verstrekt, bevestigd. Begin december bedraagt de temperatuur in New York gemiddeld 9°C, op 5 december 1960 liep het kwik echter op tot ruim 17°C.

Sidney Janis en Betty Parsons waren kunsthandelaars en Knoedler was een kunsthandel die in 1960 kunstgalerieën aan 57th Street hadden, niet ver van het beroemde juweliersbedrijf Tiffany’s, dat al sinds 1837 in Manhattan huist. O’Hara werkte in 1960 als assistent-curator in het Museum of Modern Art (MoMa) en was kind aan huis bij deze kunstgalerieën.

Visueel doet ‘Een warme dag voor december’ me denken aan een langgerekte straat en ritmisch aan het rumoer van overvolle trottoirs.

Maar de praktijk van de stadswandeling draaide voor O’Hara niet alleen om het kijken naar wat er zich zoal voltrekt maar evenzeer om het bekeken worden: ‘ik ben een microkosmos in jouw macrokosmos / en dan weer een macrokosmos in jouw microkosmos’. O’Hara flaneerde graag, wilde zien en gezien worden. Zo heeft hij in dit gedicht een kapsel waarmee hij wil opvallen – de Roemeen Constantin Brâncuși (1876-1957) wordt wel de vader van de moderne beeldhouwkunst genoemd – en let hij op of hij de aandacht van anderen ook daadwerkelijk weet te trekken.

De populaire O’Hara was zich voortdurend bewust van zichzelf en verstond de kunst om zich naar believen aan de menigte te onttrekken, erin op te gaan of juist op te vallen. Dit heen en weer bewegen tussen zijlijn en middelpunt was een tool dat O’Hara gebruikte om kleur aan zichzelf te geven, zowel op papier als in het echt.

Tot de herfst, Steve Benson

Na de verhuizing borg ik mijn poëziebundels met handenvol tegelijk – snel en ongeordend – in mijn boekenkasten op. Nu is de tijd gekomen om ze te alfabetiseren. Ik neem ze één voor één op en zal hier, op mijn blog, telkens het openingsgedicht kort belichten, waarna de bundel op zijn plaats in de boekenkast zal worden gezet.

De 1e bundel die ik pak is Open Clothes van Steve Benson (Atelos, 2005). Benson is tien jaar ouder dan ik, geboren in Princeton, New Jersey, en wordt vaak gerekend tot de Amerikaanse Language beweging.

TOT DE HERFST

Het is winter
Kan ik regel voor regel een gedicht schrijven?
Ik kan alles
Toch hoop ik op meer
Ik hoop dat het wolkendek openbreekt
Wat zo gebeurd is
Het gebeurt in de komende tijd
Eén beeld tegelijk
De roerloze uitstalling van emotie
Gestrekt (de regels veranderen)
op rubbermatjes, glibberige
omweg
lompe wijze, draaiende
wijsheden op een stokje
we dubden
over stille wateren die overkookten
of onze roeiriemen, tijd
een stomme regel
loodrecht naar beneden
door een helder medium
niet voor honderd procent gebotteld
ademend
zwart en wit
Ik steek mijn hand uit, wil aanraken
weifelend, draaiend
even geblokkeerd
en daar blijk van gevend
terwijl ik een zootje glimpen
opvang
uitgefaseerd
vanwege stress
telkens weer anders
vandaag zeiknat, in silhouet
volledig afgemat, maar nog altijd
de haren in de fik
evenals de rest van me
er zijn plaatsen
watervliegtuigen
vliegen als bijen
vanaf planeten
lynchscènes
de mijne wellicht een futiel
teken op straat
vaag, wezenloos
bekrast
uit tumultueus verval
nauwelijks beroerd
door gespleten verwoestingen
totdat stuiptrekkingen
losbarsten in het duister
Wat is dit?
Straling, slik het
tot het einde toe
allerlei
vriendelijkheid ontvlamt
de met rozen bezette zon
de met roest bedekte mens
al eerder gebeten
door een waas

[24 januari 1998-27 februari 1999]

Bijzonder aan dit gedicht is de procedure die er aan ten grondslag ligt. In een noot zegt Benson hierover: ‘”Tot de herfst” is geschreven over een periode van dertien maanden, één regel tegelijk, op een stukje papier van 21,5 x 28 cm, dat ik elke dag in mijn achterzak droeg. Toen ik begon besloot ik dat ik zou proberen om elke regel uit een andere gelegenheid te laten voortkomen, zonder me daarbij te laten leiden door een of ander plan, thema of poëziebeginsel. Over het algemeen werden regels geschreven met tussenpozen van dagen of weken.’

‘Tot de herfst’ gaat ook over deze procedure, en meer algemeen over het schrijven van een gedicht. Dit vers wil geen verhaal vertellen, maar is een weerslag van zijn productieproces, een werdegang van zijn eigen ontstaan. Hoewel ik een liefhebber ben van dit soort poëzie weet dit gedicht me niet te treffen. Ondanks enkele fraaie regels en aardige vondsten blijft het geheel me te abstract, weet het maar niet over zijn dode punt heen te raken.

Werk is een dingetje tegenwoordig. Werkdruk ook. Al dan niet zelfopgelegd. Mónica de la Torre schreef er een hilarisch & relativerend gedicht over, dat te vinden is in haar bundel The Happy End / All Welcome (2017).

CARRIÈREPAD

Begon je rustig helemaal onderaan en probeerde je langzaam vooruit te komen?

Begon je met een eenvoudig baantje en werkte je je op d.m.v. vlijt & noeste arbeid?

Begon je pas toen de vergevorderden onder je maten bijkans aan positieverbeteringen toe waren?

Denk je telkens weer dat anderen iets op je voorhebben wat je moet compenseren door overijverigheid en een zekere mate van zelfontkenning?

Ben je ooit bang geweest dat je zou worden gestraft en je baan zou verliezen als je zou worden betrapt op iets wat je op je werk deed?

Heb je ooit het gevoel gehad dat je functie geen opstapje was, zoals je had gehoopt, naar een hogere positie, maar dat je aan de kant bent gezet en zelfs gedegradeerd?

Heb je het gevoel gehad dat je een horribel job wilde inruilen voor elk ander baantje en zelfs honger en werkloosheid prefereerde?

Heb je ooit alle denkbare betrekkingen uitgeprobeerd omwille van de afwisseling?

Denk er eens over na: het is heus niet uitgesloten dat je verkozen wordt en op een dag als een werkbij aan je bureau zit en zorgeloos naar buiten kunt kijken, effies maar.

In 1976 publiceerde dichter-musicus Russell Atkins zijn magnum opus Here in The, dat afsluit met het heftige gedicht ‘In Memoriam’. Ik draag mijn (verre van volmaakte) vertaling op aan dappere Greta Thunberg.

IN MEMORIAM

ik sta helemaal in het oosten
en kijk)     het licht —
ernstig — somber
komt     en,     flauwtjes
zijn kleine elegie,     amper
maar spoedig     luidkeels
over de cruciale aarde
het hoogste
en sterft dan zachtjes weg