Over een gedicht van Frank O’Hara

EEN WARME DAG VOOR DECEMBER

57th Street
straat van plezier
ik ben een microkosmos in jouw macrokosmos
en dan weer een macrokosmos in jouw microkosmos
een waterstofbom die te klein is
om een oog te laten tranen
en toch wandel ik door
langs de imponerende etalages van Tiffany
met zijn diamanten clips voor papieren zakjes
straat der dromen artistieke
Sidney Janis en Betty Parsons
en Knoedler is zo Teutoons vol
dat je me niet opmerkt
behalve dat ik te kijk loop met mijn nieuwe kapsel
en meer Brâncuși lijk dan gewoonlijk
dus ga ik een telefooncel binnen op een hoek
net een ruimteschip
ik hou van de mensen die luidruchtig passeren
voorbijschieten
‘Ik hou van jou’
‘Ik hou ook van jou’
dan open ik de deur de geluiden overdonderen me de mensen
maar ik ben in de buitenlucht
nog altijd volg ik 57th
ontmoet Roy en Bill ik drink vermout
we praten over de verstrooiingen van New York
je bent er bijna
57th Street

De vroeggestorven Frank O’Hara (1926-1966) schreef ‘Een warme dag voor december’ op 5 december 1960. Dit gedicht werd gevonden in O’Hara’s nalatenschap en voor het eerst gepubliceerd in zijn Collected, 1971. Het doet verslag van een wandeling door een drukke straat van Manhattan, 57th Street, die bekend staat om zijn kunstgalerijen, restaurants en chique winkels. Dichten was voor O’Hara het neerleggen van wat hem te beurt viel: ‘What is happening to me […] goes into my poems.’

En dat het inderdaad een warme dag was voor de tijd van het jaar wordt door Weather Underground, een weersite die ook historische gegevens verstrekt, bevestigd. Begin december bedraagt de temperatuur in New York gemiddeld 9°C, op 5 december 1960 liep het kwik echter op tot ruim 17°C.

Sidney Janis en Betty Parsons waren kunsthandelaars en Knoedler was een kunsthandel die in 1960 kunstgalerieën aan 57th Street hadden, niet ver van het beroemde juweliersbedrijf Tiffany’s, dat al sinds 1837 in Manhattan huist. O’Hara werkte in 1960 als assistent-curator in het Museum of Modern Art (MoMa) en was kind aan huis bij deze kunstgalerieën.

Visueel doet ‘Een warme dag voor december’ me denken aan een langgerekte straat en ritmisch aan het rumoer van overvolle trottoirs.

Maar de praktijk van de stadswandeling draaide voor O’Hara niet alleen om het kijken naar wat er zich zoal voltrekt maar evenzeer om het bekeken worden: ‘ik ben een microkosmos in jouw macrokosmos / en dan weer een macrokosmos in jouw microkosmos’. O’Hara flaneerde graag, wilde zien en gezien worden. Zo heeft hij in dit gedicht een kapsel waarmee hij wil opvallen – de Roemeen Constantin Brâncuși (1876-1957) wordt wel de vader van de moderne beeldhouwkunst genoemd – en let hij op of hij de aandacht van anderen ook daadwerkelijk weet te trekken.

De populaire O’Hara was zich voortdurend bewust van zichzelf en verstond de kunst om zich naar believen aan de menigte te onttrekken, erin op te gaan of juist op te vallen. Dit heen en weer bewegen tussen zijlijn en middelpunt was een tool dat O’Hara gebruikte om kleur aan zichzelf te geven, zowel op papier als in het echt.

Tot de herfst, Steve Benson

Na de verhuizing borg ik mijn poëziebundels met handenvol tegelijk – snel en ongeordend – in mijn boekenkasten op. Nu is de tijd gekomen om ze te alfabetiseren. Ik neem ze één voor één op en zal hier, op mijn blog, telkens het openingsgedicht kort belichten, waarna de bundel op zijn plaats in de boekenkast zal worden gezet.

De 1e bundel die ik pak is Open Clothes van Steve Benson (Atelos, 2005). Benson is tien jaar ouder dan ik, geboren in Princeton, New Jersey, en wordt vaak gerekend tot de Amerikaanse Language beweging.

TOT DE HERFST

Het is winter
Kan ik regel voor regel een gedicht schrijven?
Ik kan alles
Toch hoop ik op meer
Ik hoop dat het wolkendek openbreekt
Wat zo gebeurd is
Het gebeurt in de komende tijd
Eén beeld tegelijk
De roerloze uitstalling van emotie
Gestrekt (de regels veranderen)
op rubbermatjes, glibberige
omweg
lompe wijze, draaiende
wijsheden op een stokje
we dubden
over stille wateren die overkookten
of onze roeiriemen, tijd
een stomme regel
loodrecht naar beneden
door een helder medium
niet voor honderd procent gebotteld
ademend
zwart en wit
Ik steek mijn hand uit, wil aanraken
weifelend, draaiend
even geblokkeerd
en daar blijk van gevend
terwijl ik een zootje glimpen
opvang
uitgefaseerd
vanwege stress
telkens weer anders
vandaag zeiknat, in silhouet
volledig afgemat, maar nog altijd
de haren in de fik
evenals de rest van me
er zijn plaatsen
watervliegtuigen
vliegen als bijen
vanaf planeten
lynchscènes
de mijne wellicht een futiel
teken op straat
vaag, wezenloos
bekrast
uit tumultueus verval
nauwelijks beroerd
door gespleten verwoestingen
totdat stuiptrekkingen
losbarsten in het duister
Wat is dit?
Straling, slik het
tot het einde toe
allerlei
vriendelijkheid ontvlamt
de met rozen bezette zon
de met roest bedekte mens
al eerder gebeten
door een waas

[24 januari 1998-27 februari 1999]

Bijzonder aan dit gedicht is de procedure die er aan ten grondslag ligt. In een noot zegt Benson hierover: ‘”Tot de herfst” is geschreven over een periode van dertien maanden, één regel tegelijk, op een stukje papier van 21,5 x 28 cm, dat ik elke dag in mijn achterzak droeg. Toen ik begon besloot ik dat ik zou proberen om elke regel uit een andere gelegenheid te laten voortkomen, zonder me daarbij te laten leiden door een of ander plan, thema of poëziebeginsel. Over het algemeen werden regels geschreven met tussenpozen van dagen of weken.’

‘Tot de herfst’ gaat ook over deze procedure, en meer algemeen over het schrijven van een gedicht. Dit vers wil geen verhaal vertellen, maar is een weerslag van zijn productieproces, een werdegang van zijn eigen ontstaan. Hoewel ik een liefhebber ben van dit soort poëzie weet dit gedicht me niet te treffen. Ondanks enkele fraaie regels en aardige vondsten blijft het geheel me te abstract, weet het maar niet over zijn dode punt heen te raken.

Werk is een dingetje tegenwoordig. Werkdruk ook. Al dan niet zelfopgelegd. Mónica de la Torre schreef er een hilarisch & relativerend gedicht over, dat te vinden is in haar bundel The Happy End / All Welcome (2017).

CARRIÈREPAD

Begon je rustig helemaal onderaan en probeerde je langzaam vooruit te komen?

Begon je met een eenvoudig baantje en werkte je je op d.m.v. vlijt & noeste arbeid?

Begon je pas toen de vergevorderden onder je maten bijkans aan positieverbeteringen toe waren?

Denk je telkens weer dat anderen iets op je voorhebben wat je moet compenseren door overijverigheid en een zekere mate van zelfontkenning?

Ben je ooit bang geweest dat je zou worden gestraft en je baan zou verliezen als je zou worden betrapt op iets wat je op je werk deed?

Heb je ooit het gevoel gehad dat je functie geen opstapje was, zoals je had gehoopt, naar een hogere positie, maar dat je aan de kant bent gezet en zelfs gedegradeerd?

Heb je het gevoel gehad dat je een horribel job wilde inruilen voor elk ander baantje en zelfs honger en werkloosheid prefereerde?

Heb je ooit alle denkbare betrekkingen uitgeprobeerd omwille van de afwisseling?

Denk er eens over na: het is heus niet uitgesloten dat je verkozen wordt en op een dag als een werkbij aan je bureau zit en zorgeloos naar buiten kunt kijken, effies maar.

In 1976 publiceerde dichter-musicus Russell Atkins zijn magnum opus Here in The, dat afsluit met het heftige gedicht ‘In Memoriam’. Ik draag mijn (verre van volmaakte) vertaling op aan dappere Greta Thunberg.

IN MEMORIAM

ik sta helemaal in het oosten
en kijk)     het licht —
ernstig — somber
komt     en,     flauwtjes
zijn kleine elegie,     amper
maar spoedig     luidkeels
over de cruciale aarde
het hoogste
en sterft dan zachtjes weg

Khaled Mattawa werd in 1964 in Libië geboren en emigreerde op 15-jarige leeftijd naar de VS, waar hij thans aan de University of Michigan lesgeeft in creatief schrijven. Onlangs verscheen zijn chapbook Mare Nostrum, waarin de vluchtelingenstroom naar Europa een belangrijk thema is. Onderstaand gedicht is opgetrokken uit fragmenten van een blogpost van een Canadese arts die vrijwillig bij de opvang van vluchtelingen betrokken is geweest. Omdat het hier vermoedelijk een ooggetuigenverslag betreft, waardoor Mattawa niet alleen de rol van dichter maar ook die van journalist vertolkt, breng ik dit vers vooralsnog in de categorie documentaire poëzie onder. De sobere, emotieloze taal en precieze beelden vergroten het registrerende karakter en maken ‘Brandstofblaren’ messcherp, indringend.

BRANDSTOFBLAREN

Jerrycans lekken
of worden omgestoten;
gasbenzine mengt zich met zeewater

en als het mengsel
in aanraking komt met de huid
begint de huid te branden.

Vrouwen die op de bodem zitten
of in het midden van de boot
lopen het grootste gevaar.

In de kleine boten zijn
met spijkers en schroeven
triplex vloeren aangebracht,

die voeten doorboren.
Het hout zuigt water op,
zet uit en barst dan.

Vrouwen en kinderen zakken vaak
door de vloer of worden onder
de voet gelopen en verdrinken.

Ze vechten aan boord
en de overlevenden
evenals de doden zitten vol

schrammen, beten, snijwonden
en blauwe plekken maar
de brandstofblaren zijn het gruwelijkst.

Overlevenden komen
onderkoeld, gedehydrateerd,
bijna bewusteloos aan.

Ze moeten met water en zeep
worden gewassen en kunnen zich
zonder hulp niet ontdoen van hun

met gasbenzine doordrenkte kleren,
maar alleen al door aanraking van hun kledij
kunnen latexhandschoenen oplossen.

Marwa Helal—’spookaankoop’
uit de bundel Invasive species, Nightboat Books, 2019

SPOOKAANKOOP

ik zou deze koffiedikkopjes kunnen kopen: nu tussen de 3.000 en 5.000 francs waard. ik zou naar galerieën in algerije of tunesië kunnen gaan, ik zou ze uit museumvitrines kunnen laten weghalen, onder het stof vandaan, ik zou een vergelijk kunnen treffen, ze zouden prompt van mij kunnen zijn. ik dacht er even aan om ze aan te schaffen van het geld dat ik aan dit gedicht overhoud. Ik dacht er zelfs even aan om ze in dit gedicht op te nemen, maar naarmate ik vorder raken zij verder op de achtergrond, en wie wil er nou koffiedik lezen als er een gedicht wacht. om te worden geschreven bedoel ik. eenmaal gekocht zouden de kopjes hun waarde verliezen, zoals het overgrote deel van het leven een afnemende meeropbrengst is, of juister gezegd latente; een spook.

OVER #05661

vluchteling #05661 arriveerde op het eiland algiers toen ze 12 jaar oud was en leefde in een periode van grote armoede in het zuiden van de verenigde staten waar ze een zeldzame auto-immuunziekte opliep. op dat moment ging ze steun zoeken bij poëzie. pas op latere leeftijd vestigde ze naam als dichter, publiceerde twee dichtbundels na 55 jaar als genezer en medium werkzaam te zijn geweest, waarbij ze mensen, die tijdens de grote vluchtelingencrisis van 2016-2200 waren vervreemd van hun familieleden, hielp contact te maken. haar werk richtte zich op voorouderlijke herinneringen, de energie die in objecten bruist en de psychische ruimte tussen kolonie en land van herkomst. het is ook opvallend dat ze nooit haar staatsnaam gebruikte maar koos voor de laatste vijf nummers van haar vluchtelingenidentiteitskaart. in de overtuiging dat het leven taal nabootst weigerde ze de koloniale hiërarchie van hoofdletters en kleine letters over te nemen, vond alle letters gelijk en verklaarde ooit: ‘in mijn moerstaal zijn de letters verbonden, de wijze waarop de letters zich in deze taal ophouden is een vorm van isolement waar ik niet in geïnteresseerd ben.

NOOT VAN DE VERTALER

het werk van #05661 was van essentieel belang voor de vluchtelingen die zich op het eiland algiers in het zuiden van de verenigde staten bevonden. ze geloofde dat het geen toeval was dat ze op een eiland was beland met dezelfde naam als het land van haar voorouders. op de onderzoeksuniversiteit merkte ze tot slot tegen haar klas op: ‘daar ik hun raad opvolgde t.a.v. bewustwording, weten en niet-weten, dromen en verantwoordelijkheid, nam ik hun inzichten mee hiernaartoe.’ om haar esthetiek te eren, heeft de vertaler ervoor gekozen om van dezelfde stijlmiddelen gebruik te maken als #05661 deed.

© 2400

*

Slechts in de verbeelding bestaat de toekomst, nergens anders. En iets wat alleen in de verbeelding mogelijk is, niet echt is, wordt hersenschim genoemd, of spook van de verbeelding. Dit toekomstgedicht is een spook van de verbeelding. Wat er in beschreven wordt is niet echt maar fantasie. Het is koffiedik kijken. Laat dat een waarschuwing zijn.

Maar dit vers komt in een heel ander licht te staan als ik het tot een toekomstscenario bestempel dat, middels het doortrekken en uitvergroten van hedendaagse ontwikkelingen, ons huidige denken over onvermijdelijke veranderingen kan prikkelen. Dan is het ineens een interessant experiment met gekke ideeën, waarin een alternatieve wereld wordt geschetst en ruimte is voor kritiek op het actuele maatschappelijke bestel. Deze invalshoek is me liever dan de eerste.

Het gedicht bestaat uit drie delen. Het eerste deel is een vertaling van een vers van ene #05661, wat het pseudoniem is van een vluchtelinge die rond 2200 vanuit Noord-Afrika op een eiland in het zuiden van de VS terechtkwam. (Welke gebieden de VS op dat moment ook mogen omvatten.) In deel twee wordt leven en werk van #05661 kort beschreven en deel drie bevat naast wat aanvullende, van de vertaler afkomstige informatie over #05661 ook nog, in de afsluitende zin, een wetenswaardigheid over vertaler & vertaling zelf. Het geheel wordt in het jaar 2400 vertelt door een verteller die alles weet.

Als we het gedicht als toekomstscenario in beschouwing nemen, dan valt direct op dat de huidige vluchtelingenproblematiek naar de verre toekomst wordt doorgetrokken en uitvergroot: de vluchtelingenstromen houden aan tot 2200, de landstreken die worden ontvlucht breiden zich uit tot in Noord-Afrika, en Noord-Afrikaanse vluchtelingen weten ook de VS als toevluchtsoord te bereiken. Wat hier de oorzaken van zijn—klimaatverandering, strijd, nooddruft?—wordt in het midden gelaten.

Daarnaast wijzen saillante details op toekomstige veranderingen die we nu nog niet voorzien: rond 2200 heerst er grote armoede in het zuiden van de VS en is de franc er een gangbare valuta. Schrikbeelden worden opgeroepen bij het lezen van woorden als kolonie, vluchtelingenidentiteitskaart, koloniale hiërarchie en isolement: in wat voor wereld komen we straks terecht? Gelukkig worden er ook geruststellende zaken aangehaald, dingen die ik nu koester en er kennelijk straks ook nog zijn: galerieën, musea, universiteiten. Ook de aandacht van de vertaler voor het esthetische doet me goed evenals het gegeven dat er over een paar honderd jaar nog poëzie wordt geschreven.

Kommer én vreugd. Geen vreugd zonder kommer. Het is nooit anders geweest. Wie nog wat verder uitzoomt zou tot de conclusie kunnen komen dat het voorgespiegelde toekomstbeeld in wezen niet veel afwijkt van ons verleden: tot op de dag van vandaag zijn migratie, uitbuiting en tradities onlosmakelijk met de mens verbonden. Marwa Helal spreekt hier de verwachting uit dat dat nog wel een tijdje zo zal blijven. In die zin is er dus niets nieuws onder zon. Maar bedenk nogmaals, slechts in de verbeelding bestaat de toekomst, nergens anders. Het blijft koffiedik kijken. Waar altijd en overal ook een flikkering van hoop in zit.

Het onderhoudende interview met Eileen Myles dat ik gisteren las trok me over de streep: ik heb een digitaal abonnement op De Nederlandse Boekengids genomen, in de verwachting dat ik nu toegang heb tot een verzamelpunt waar boeken en literaire kwesties nog op een serieuze wijze aan de orde worden gesteld.

Naar aanleiding van een interview met Cees Nooteboom bestelde ik zijn laatste boek, dat me volkomen ontgaan was: Venetië. De Leeuw, de stad en het water; e-book, € 4,99. Ik heb zelf dagenlang door de nauwe straatjes van Venetië gezworven, de verafgelegen gedeeltes bezocht, waar de Venetianen wonen en nauwelijks toeristen zijn. Het is een van de fascinerendste steden die ik ken.

In BAX 2018: Best American Experimental Writing zijn twee werken opgenomen van José Felipe Alvergue, dichter en beeldend kunstenaar en momenteel werkzaam aan de Universiteit van Wisconsin. Zijn naam wordt in BAX overigens verkeerd gespeld, ‘Aluergue’ in plaats van ‘Alvergue’. Op de afbeelding hieronder zien we de eerste twee bladzijden van ‘[cartograph]’, een visueel gedicht dat uit een titel, twee regels tekst en vijf afbeeldingen bestaat. De drie ontbrekende afbeeldingen gelijken op de twee hierbeneden.

Experimenteel zeker: je vraagt je direct af wat Alvergue hier uitprobeert. Wie daar een antwoord op wil wordt gedwongen langer te blijven stilstaan bij dit op het eerste gezicht duister aandoende werkstuk.

De titel, ‘[cartograph]’, betekent kaart of plattegrond, in het bijzonder een geïllustreerde versie. Het zou dus kunnen dat we hier kijken naar een schematische voorstelling van een stad, terrein, gebouw, opstelling o.i.d.

Na de titel vinden we de twee regels tekst: ‘:dat wat eronder zit / het gras zal het verslinden’. Raadselachtig. Moet dit letterlijk of figuurlijk worden opgevat? Is ‘gras’ een metafoor voor het een of ander?

Vervolgens de eerste afbeelding. Alvergue heeft iets wat op een processchema lijkt over een blok tekst geplakt. Levert die tekst nog aanwijzingen op?

landscape stop building look border cross solid gray build sharp angle design / colony whisper gust desert wind material man metal concrete strenght clean- / liness building stand name much trace pencil fingers master class build court / yard fountain statue dance music build purpose back face solid horizon hill side / resident street commerce fair way redondel statue statuesurface glimmer / stream fountain incontinence stain body remind Santa Ana shit smell sewage / factory blue frock itch back neck scrape sew arm pit thick patch mucus sweat / touch heavy linen pockets smell hair

Santa Ana is een stad in het zuiden van Californië. Lezen we hier een beschrijving van deze stad en zijn inwoners? Die zich nooit echt in woorden of processchema’s zullen laten vatten. Wil Alvergue me met mijn neus drukken op het feit dat woorden en processchema’s de werkelijkheid transformeren tot iets wat zij niet is, er slechts naar kunnen verwijzen. Is de werkelijkheid dan ‘dat wat eronder zit’ en vormen de woorden en het processchema wellicht ‘het gras’ dat de werkelijkheid in overdrachtelijke zin verslindt? Zou kunnen.

Op de overige afbeeldingen van hetzelfde laken een pak. Teksten, pijlen, lijnen. Fotootjes van stenen en een krant. De teksten gaan over het gebruik van hulpwerkwoorden in het Yoruba, een taal die in West-Afrika wordt gesproken. De krantenkoppen doen kond van Amerikaanse vluchtelingenproblematiek. Hetgeen ‘[carthograph]’ tevens een politieke lading geeft: als blanke autochtoon zal ik me—mede omdat woorden de werkelijkheid transformeren tot iets wat zij niet is—slechts gedeeltelijk kunnen inleven in wat slaven en vluchtelingen hebben doorstaan.

‘[cartograph]’ wil niet alleen esthetisch zijn maar ook politiek relevant en is in dat opzicht een heel eigentijds gedicht.