Werk is een dingetje tegenwoordig. Werkdruk ook. Al dan niet zelfopgelegd. Mónica de la Torre schreef er een hilarisch & relativerend gedicht over, dat te vinden is in haar bundel The Happy End / All Welcome (2017).

CARRIÈREPAD

Begon je rustig helemaal onderaan en probeerde je langzaam vooruit te komen?

Begon je met een eenvoudig baantje en werkte je je op d.m.v. vlijt & noeste arbeid?

Begon je pas toen de vergevorderden onder je maten bijkans aan positieverbeteringen toe waren?

Denk je telkens weer dat anderen iets op je voorhebben wat je moet compenseren door overijverigheid en een zekere mate van zelfontkenning?

Ben je ooit bang geweest dat je zou worden gestraft en je baan zou verliezen als je zou worden betrapt op iets wat je op je werk deed?

Heb je ooit het gevoel gehad dat je functie geen opstapje was, zoals je had gehoopt, naar een hogere positie, maar dat je aan de kant bent gezet en zelfs gedegradeerd?

Heb je het gevoel gehad dat je een horribel job wilde inruilen voor elk ander baantje en zelfs honger en werkloosheid prefereerde?

Heb je ooit alle denkbare betrekkingen uitgeprobeerd omwille van de afwisseling?

Denk er eens over na: het is heus niet uitgesloten dat je verkozen wordt en op een dag als een werkbij aan je bureau zit en zorgeloos naar buiten kunt kijken, effies maar.

In 1976 publiceerde dichter-musicus Russell Atkins zijn magnum opus Here in The, dat afsluit met het heftige gedicht ‘In Memoriam’. Ik draag mijn (verre van volmaakte) vertaling op aan dappere Greta Thunberg.

IN MEMORIAM

ik sta helemaal in het oosten
en kijk)     het licht —
ernstig — somber
komt     en,     flauwtjes
zijn kleine elegie,     amper
maar spoedig     luidkeels
over de cruciale aarde
het hoogste
en sterft dan zachtjes weg

Khaled Mattawa werd in 1964 in Libië geboren en emigreerde op 15-jarige leeftijd naar de VS, waar hij thans aan de University of Michigan lesgeeft in creatief schrijven. Onlangs verscheen zijn chapbook Mare Nostrum, waarin de vluchtelingenstroom naar Europa een belangrijk thema is. Onderstaand gedicht is opgetrokken uit fragmenten van een blogpost van een Canadese arts die vrijwillig bij de opvang van vluchtelingen betrokken is geweest. Omdat het hier vermoedelijk een ooggetuigenverslag betreft, waardoor Mattawa niet alleen de rol van dichter maar ook die van journalist vertolkt, breng ik dit vers vooralsnog in de categorie documentaire poëzie onder. De sobere, emotieloze taal en precieze beelden vergroten het registrerende karakter en maken ‘Brandstofblaren’ messcherp, indringend.

BRANDSTOFBLAREN

Jerrycans lekken
of worden omgestoten;
gasbenzine mengt zich met zeewater

en als het mengsel
in aanraking komt met de huid
begint de huid te branden.

Vrouwen die op de bodem zitten
of in het midden van de boot
lopen het grootste gevaar.

In de kleine boten zijn
met spijkers en schroeven
triplex vloeren aangebracht,

die voeten doorboren.
Het hout zuigt water op,
zet uit en barst dan.

Vrouwen en kinderen zakken vaak
door de vloer of worden onder
de voet gelopen en verdrinken.

Ze vechten aan boord
en de overlevenden
evenals de doden zitten vol

schrammen, beten, snijwonden
en blauwe plekken maar
de brandstofblaren zijn het gruwelijkst.

Overlevenden komen
onderkoeld, gedehydrateerd,
bijna bewusteloos aan.

Ze moeten met water en zeep
worden gewassen en kunnen zich
zonder hulp niet ontdoen van hun

met gasbenzine doordrenkte kleren,
maar alleen al door aanraking van hun kledij
kunnen latexhandschoenen oplossen.

Marwa Helal—’spookaankoop’
uit de bundel Invasive species, Nightboat Books, 2019

SPOOKAANKOOP

ik zou deze koffiedikkopjes kunnen kopen: nu tussen de 3.000 en 5.000 francs waard. ik zou naar galerieën in algerije of tunesië kunnen gaan, ik zou ze uit museumvitrines kunnen laten weghalen, onder het stof vandaan, ik zou een vergelijk kunnen treffen, ze zouden prompt van mij kunnen zijn. ik dacht er even aan om ze aan te schaffen van het geld dat ik aan dit gedicht overhoud. Ik dacht er zelfs even aan om ze in dit gedicht op te nemen, maar naarmate ik vorder raken zij verder op de achtergrond, en wie wil er nou koffiedik lezen als er een gedicht wacht. om te worden geschreven bedoel ik. eenmaal gekocht zouden de kopjes hun waarde verliezen, zoals het overgrote deel van het leven een afnemende meeropbrengst is, of juister gezegd latente; een spook.

OVER #05661

vluchteling #05661 arriveerde op het eiland algiers toen ze 12 jaar oud was en leefde in een periode van grote armoede in het zuiden van de verenigde staten waar ze een zeldzame auto-immuunziekte opliep. op dat moment ging ze steun zoeken bij poëzie. pas op latere leeftijd vestigde ze naam als dichter, publiceerde twee dichtbundels na 55 jaar als genezer en medium werkzaam te zijn geweest, waarbij ze mensen, die tijdens de grote vluchtelingencrisis van 2016-2200 waren vervreemd van hun familieleden, hielp contact te maken. haar werk richtte zich op voorouderlijke herinneringen, de energie die in objecten bruist en de psychische ruimte tussen kolonie en land van herkomst. het is ook opvallend dat ze nooit haar staatsnaam gebruikte maar koos voor de laatste vijf nummers van haar vluchtelingenidentiteitskaart. in de overtuiging dat het leven taal nabootst weigerde ze de koloniale hiërarchie van hoofdletters en kleine letters over te nemen, vond alle letters gelijk en verklaarde ooit: ‘in mijn moerstaal zijn de letters verbonden, de wijze waarop de letters zich in deze taal ophouden is een vorm van isolement waar ik niet in geïnteresseerd ben.

NOOT VAN DE VERTALER

het werk van #05661 was van essentieel belang voor de vluchtelingen die zich op het eiland algiers in het zuiden van de verenigde staten bevonden. ze geloofde dat het geen toeval was dat ze op een eiland was beland met dezelfde naam als het land van haar voorouders. op de onderzoeksuniversiteit merkte ze tot slot tegen haar klas op: ‘daar ik hun raad opvolgde t.a.v. bewustwording, weten en niet-weten, dromen en verantwoordelijkheid, nam ik hun inzichten mee hiernaartoe.’ om haar esthetiek te eren, heeft de vertaler ervoor gekozen om van dezelfde stijlmiddelen gebruik te maken als #05661 deed.

© 2400

*

Slechts in de verbeelding bestaat de toekomst, nergens anders. En iets wat alleen in de verbeelding mogelijk is, niet echt is, wordt hersenschim genoemd, of spook van de verbeelding. Dit toekomstgedicht is een spook van de verbeelding. Wat er in beschreven wordt is niet echt maar fantasie. Het is koffiedik kijken. Laat dat een waarschuwing zijn.

Maar dit vers komt in een heel ander licht te staan als ik het tot een toekomstscenario bestempel dat, middels het doortrekken en uitvergroten van hedendaagse ontwikkelingen, ons huidige denken over onvermijdelijke veranderingen kan prikkelen. Dan is het ineens een interessant experiment met gekke ideeën, waarin een alternatieve wereld wordt geschetst en ruimte is voor kritiek op het actuele maatschappelijke bestel. Deze invalshoek is me liever dan de eerste.

Het gedicht bestaat uit drie delen. Het eerste deel is een vertaling van een vers van ene #05661, wat het pseudoniem is van een vluchtelinge die rond 2200 vanuit Noord-Afrika op een eiland in het zuiden van de VS terechtkwam. (Welke gebieden de VS op dat moment ook mogen omvatten.) In deel twee wordt leven en werk van #05661 kort beschreven en deel drie bevat naast wat aanvullende, van de vertaler afkomstige informatie over #05661 ook nog, in de afsluitende zin, een wetenswaardigheid over vertaler & vertaling zelf. Het geheel wordt in het jaar 2400 vertelt door een verteller die alles weet.

Als we het gedicht als toekomstscenario in beschouwing nemen, dan valt direct op dat de huidige vluchtelingenproblematiek naar de verre toekomst wordt doorgetrokken en uitvergroot: de vluchtelingenstromen houden aan tot 2200, de landstreken die worden ontvlucht breiden zich uit tot in Noord-Afrika, en Noord-Afrikaanse vluchtelingen weten ook de VS als toevluchtsoord te bereiken. Wat hier de oorzaken van zijn—klimaatverandering, strijd, nooddruft?—wordt in het midden gelaten.

Daarnaast wijzen saillante details op toekomstige veranderingen die we nu nog niet voorzien: rond 2200 heerst er grote armoede in het zuiden van de VS en is de franc er een gangbare valuta. Schrikbeelden worden opgeroepen bij het lezen van woorden als kolonie, vluchtelingenidentiteitskaart, koloniale hiërarchie en isolement: in wat voor wereld komen we straks terecht? Gelukkig worden er ook geruststellende zaken aangehaald, dingen die ik nu koester en er kennelijk straks ook nog zijn: galerieën, musea, universiteiten. Ook de aandacht van de vertaler voor het esthetische doet me goed evenals het gegeven dat er over een paar honderd jaar nog poëzie wordt geschreven.

Kommer én vreugd. Geen vreugd zonder kommer. Het is nooit anders geweest. Wie nog wat verder uitzoomt zou tot de conclusie kunnen komen dat het voorgespiegelde toekomstbeeld in wezen niet veel afwijkt van ons verleden: tot op de dag van vandaag zijn migratie, uitbuiting en tradities onlosmakelijk met de mens verbonden. Marwa Helal spreekt hier de verwachting uit dat dat nog wel een tijdje zo zal blijven. In die zin is er dus niets nieuws onder zon. Maar bedenk nogmaals, slechts in de verbeelding bestaat de toekomst, nergens anders. Het blijft koffiedik kijken. Waar altijd en overal ook een flikkering van hoop in zit.

Het onderhoudende interview met Eileen Myles dat ik gisteren las trok me over de streep: ik heb een digitaal abonnement op De Nederlandse Boekengids genomen, in de verwachting dat ik nu toegang heb tot een verzamelpunt waar boeken en literaire kwesties nog op een serieuze wijze aan de orde worden gesteld.

Naar aanleiding van een interview met Cees Nooteboom bestelde ik zijn laatste boek, dat me volkomen ontgaan was: Venetië. De Leeuw, de stad en het water; e-book, € 4,99. Ik heb zelf dagenlang door de nauwe straatjes van Venetië gezworven, de verafgelegen gedeeltes bezocht, waar de Venetianen wonen en nauwelijks toeristen zijn. Het is een van de fascinerendste steden die ik ken.

In BAX 2018: Best American Experimental Writing zijn twee werken opgenomen van José Felipe Alvergue, dichter en beeldend kunstenaar en momenteel werkzaam aan de Universiteit van Wisconsin. Zijn naam wordt in BAX overigens verkeerd gespeld, ‘Aluergue’ in plaats van ‘Alvergue’. Op de afbeelding hieronder zien we de eerste twee bladzijden van ‘[cartograph]’, een visueel gedicht dat uit een titel, twee regels tekst en vijf afbeeldingen bestaat. De drie ontbrekende afbeeldingen gelijken op de twee hierbeneden.

Experimenteel zeker: je vraagt je direct af wat Alvergue hier uitprobeert. Wie daar een antwoord op wil wordt gedwongen langer te blijven stilstaan bij dit op het eerste gezicht duister aandoende werkstuk.

De titel, ‘[cartograph]’, betekent kaart of plattegrond, in het bijzonder een geïllustreerde versie. Het zou dus kunnen dat we hier kijken naar een schematische voorstelling van een stad, terrein, gebouw, opstelling o.i.d.

Na de titel vinden we de twee regels tekst: ‘:dat wat eronder zit / het gras zal het verslinden’. Raadselachtig. Moet dit letterlijk of figuurlijk worden opgevat? Is ‘gras’ een metafoor voor het een of ander?

Vervolgens de eerste afbeelding. Alvergue heeft iets wat op een processchema lijkt over een blok tekst geplakt. Levert die tekst nog aanwijzingen op?

landscape stop building look border cross solid gray build sharp angle design / colony whisper gust desert wind material man metal concrete strenght clean- / liness building stand name much trace pencil fingers master class build court / yard fountain statue dance music build purpose back face solid horizon hill side / resident street commerce fair way redondel statue statuesurface glimmer / stream fountain incontinence stain body remind Santa Ana shit smell sewage / factory blue frock itch back neck scrape sew arm pit thick patch mucus sweat / touch heavy linen pockets smell hair

Santa Ana is een stad in het zuiden van Californië. Lezen we hier een beschrijving van deze stad en zijn inwoners? Die zich nooit echt in woorden of processchema’s zullen laten vatten. Wil Alvergue me met mijn neus drukken op het feit dat woorden en processchema’s de werkelijkheid transformeren tot iets wat zij niet is, er slechts naar kunnen verwijzen. Is de werkelijkheid dan ‘dat wat eronder zit’ en vormen de woorden en het processchema wellicht ‘het gras’ dat de werkelijkheid in overdrachtelijke zin verslindt? Zou kunnen.

Op de overige afbeeldingen van hetzelfde laken een pak. Teksten, pijlen, lijnen. Fotootjes van stenen en een krant. De teksten gaan over het gebruik van hulpwerkwoorden in het Yoruba, een taal die in West-Afrika wordt gesproken. De krantenkoppen doen kond van Amerikaanse vluchtelingenproblematiek. Hetgeen ‘[carthograph]’ tevens een politieke lading geeft: als blanke autochtoon zal ik me—mede omdat woorden de werkelijkheid transformeren tot iets wat zij niet is—slechts gedeeltelijk kunnen inleven in wat slaven en vluchtelingen hebben doorstaan.

‘[cartograph]’ wil niet alleen esthetisch zijn maar ook politiek relevant en is in dat opzicht een heel eigentijds gedicht.

Kristen Gallagher—’Accuweather’
uit de bundel 85% True/Minor Ecologies, Skeleton Man Press, 2017

ACCUWEATHER

Ik gebruik accuweather.com omdat ik het accurater vind dan andere weersites. Zij hebben een feature dat ‘MinuteCast’ heet en het weer van minuut tot minuut voorspelt. Om er te komen ga je naar de Verwachting per uur pagina, waar je op de MinuteCast button klikt, en op de MinuteCast pagina scroll je naar beneden, naar het radarplaatje, wat het actuele weer weergeeft van het gebied waarin je je bevindt.

Het regent in Okeechobee. Er blijven zich maar grote rode vlekken uitspreiden over het woord Okeechobee op de kaart, wat betekent dat de regen bij bakken uit de hemel komt en het er wild aan toegaat boven de noordelijke helft van het meer, waar een orkaan in 1928 2.500 mensen doodde, voornamelijk Afro-Amerikanen, wat ook gebeurt aan het eind van Their Eyes Were Watching God van Zora Neale Hurston, die gebruikmaakt van ooggetuigenverslagen van de storm. De begraafplaats voor de slachtoffers strekt zich over kilometers uit. Daar regent het nu.

Mijn apocalyptische toekomstfantasie draait alleen nog maar om overstromingen. De wereld is overstroomd, alleen nog maar water, een paar overlevenden in een trits met touwen aan elkaar geknoopte boten. Een flottielje stadje. Ik heb er over gelezen en vraag je, zijn deze visioenen nu al werkelijkheid geworden? Is dit een documentaire over het weer? Omdat het het toekomstige weer is? Omdat we weten dat het gebeuren gaat? Het gebeurt al in onze hoofden.

Soms denk ik dat het enige wat echt is de komende watervloed is, dat alle andere verhalen gewoon afleidingen van dat feit zijn. Dus ik laat me niet in met het op de hak nemen van die kerel in Florida die dacht dat hij bij Walmart een kettingzaag kon stelen door hem in zijn broek te steken en toen, jawel, in de winkel zijn been eraf zaagde, wat de krant haalde en toen de Twitterfeed ‘Man uit Florida’ en toen een of ander boek van Dave Barry. Ik ben niet in deze zaak geïnteresseerd, met uitzondering van zijn verband met ons gebrek aan aandacht voor de komende vloed, de rode vlek over Okeechobee die straks de rode vlek over alles kan zijn, wat de Vervulling van Mijn Fantasie zou zijn, en je weet wat Lacan daar over zei—je sterft als dat gebeurt.

*

Angst, is het eerste wat in me opkomt: dit gedicht gaat over angst voor de vernietiging van de wereld door een ecologische ramp als gevolg van de klimaatverandering. Tegelijkertijd worden hier onheilspellende beelden gebruikt—misbruikt, zullen sommigen zeggen—om angst op te roepen die, veronderstel ik, tot een verhoging van het milieubewustzijn van de lezer moet leiden. ‘Accuweather’ is een ecogedicht, een eigentijds, in het Antropoceen geschreven prozavers.

Maar als ik het gedicht nogmaals lees, en nog een keer, krijg ik een ongemakkelijk gevoel. De zeespiegel mag dan stijgen, maar tot een totale watervloed die de wereld ‘met al wat erop is’ verzwelgt, komt het naar wetenschappelijke verwachting bij lange na niet. Er is reden genoeg om je zorgen te maken over de huidige klimaatveranderingen, maar ik hoef geen ziekelijke angst te worden aangepraat. Gezond verstand en daadkracht zijn betere troeven.

Bovendien heeft de ik-figuur het hier zelf over een ‘toekomstfantasie’ en ‘visioenen’: hij of zij weet dus drommels goed dat de voorgespiegelde watersnood een product van zijn of haar verbeelding is. Andere zaken in het gedicht berusten overigens wel degelijk op feiten. AccuWeather is een Amerikaanse onderneming die in 1962 werd opgericht en sinds 1995 via accuweather.com weerinformatie aanbiedt, inclusief het gepatenteerde feature MinuteCast. Ik heb mijn vertaling hierboven aangepast aan de huidige indeling van webpagina’s.

Okeechobee is een stadje in Florida dat aan de noordelijke oever van Lake Okeechobee ligt. In 1928 veroorzaakte een zwiepende orkaan een overstroming van het meer waarbij 2.500 mensen het leven lieten. In 1937 verscheen Zora Neale Hurstons roman Their Eyes Were Watching God over het leven van een Afro-Amerikaanse vrouw aan het begin van de 20e eeuw in het zuiden van de VS. Het dramatische slot speelt zich af tegen de woedende orkaan uit 1928. In 2014 stal een man een kettingzaag uit een Walmart in Florida door hem in zijn broek te steken. Van dit voorval zijn op internet beelden van een bewakingscamera te vinden. Humorist Dave Barry zou er in een van zijn boeken zomaar een kolderieke scene van hebben kunnen maken, waarbij de dader inderdaad een been verloor.

Bij dat uit de duim gezogen afgezaagde been hoor ik mezelf overigens onwillekeurig mompelen ‘eigen schuld, dikke bult’, waardoor de gefantaseerde grote overstroming ineens in een ander licht komt te staan en verbonden wordt met een al dan niet door goden gezonden zondvloed, die de wereldbevolking met vernietiging straft. Voor haar aandeel in de klimaatopwarming en onwil om voldoende tegenmaatregelen te nemen? Is dat waar de ik-figuur in dit gedicht over fantaseert en in zekere zin naar verlangt?

Volgens de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, waar de ik-figuur in de slotzin ongetwijfeld naar verwijst, drukken verlangens een gemis uit. Als dat gemis niet goed onder woorden kan worden gebracht, uit onbestemde gevoelens bestaat, kunnen we aan het fantaseren slaan.

Ik geloof niet dat de ik-figuur werkelijk naar een overstromingsramp verlangt, die ook voor hem of haar de dood zou kunnen betekenen. Uit het gefantaseer over een zondvloed, mocht de mensheid er niet in slagen om paal en perk te stellen aan haar verkwistende gedrag, leid ik af dat de ik-figuur in ‘Accuweather’, dat ook werd opgenomen in BAX 2018: Best American Experimental Writing, niets liever wil dan een beter leefmilieu, een schonere wereld voor zichzelf en anderen.

Norbert de Beule—‘Kyrie’
uit de bundel Vigor Anorexia, Atlas Contact, 2019

KYRIE

Johannus orgel opus 5 met klein pedaal

Ontferm u over ons

Doksaalorgel van Booitshoeke en Volkegem

Ontferm u over ons

Portatief in de vorm van een kapel

Ontferm u over ons

Cantorum VI met pijporgelgeluid
voor in de huiskamer

Geef ons uw vrede

2-klaviersorgel met zelfstandig pedaal
in de kloosterkerk der eerwaarde paters ongeschoeide karmelieten

Laat ons op de tenen lopen

Groot wijs orgel met de pijpenkrullen
en gouden bladmotief
waarop nog heeft gespeeld
Girolamo Frescobaldi
Organista di San Pietro di Roma

Verlicht onze harten met uw klankkleur

*

Het is een eeuwigheid geleden dat ik een mis bijwoonde, maar het gezongen kyrie eleison herinner ik me nog goed. Ik was acht toen ik als misdienaar priesters hielp tijdens eucharistievieringen. Hoewel ik maar half verstond en nauwelijks begreep wat er werd gezongen, vond ik het wel mooi klinken.

Een kyrie is een smeekbede, die nu eens gesproken, dan weer gezongen wordt. Gelovigen vragen God om hulp: ‘Heer, ontferm u over ons.’ In het kyrie eleison, de bekendste smeekbede, wordt God zelfs (drie maal drie is) negen keer aangeroepen. Vaak gaat een priester of koor voor in het gebed, zegt of zingt een regel, waarna de kerkgangers de regel herhalen of beantwoorden.

Het Griekse woord ‘kyrie’ betekent overigens ‘heer’, als aanspreekvorm. In de titel van Norbert de Beules gedicht lees ik dan ook niet alleen ‘smeekbede’, maar hoor er ook zoiets als ‘o Heer!’ uit opklinken. Aan het einde van mijn betoog kom ik hier op terug.

Voor wie nog enige christelijke achtergrond heeft wordt De Beules gedicht dus al bij het eerste woord, de titel, in een religieuze context geplaatst. Ineens sta ik met al mijn herinneringen in een 20e-eeuwse kerk. (De Allerheiligst Sacramentskerk aan de Sportlaan in Den Haag, waarin ik als misdienaar diensten verrichtte, werd in 1926 in gebruik genomen en afgelopen winter gesloopt.)

Al bij eerste lezing herken ik de vorm van het kyrie in De Beules gedicht: over driemaal ‘Ontferm u over ons’ valt niet heen lezen. Ik heb het als misdienaar en kerkganger talloze malen uitgesproken: ‘Heer, ontferm u over ons.’ In het gedicht vinden we wat wordt voorgezongen terug in de romeinse of niet-cursieve strofes, de antwoorden in de cursieve.

Hoewel je met wat goede wil uit alle antwoorden nog zou kunnen opmaken dat het hier om een christelijke smeekbede draait, duwen de ‘voorgezongen’ strofes je toch in een andere richting: niet God staat in dit gedicht in het middelpunt van de belangstelling, maar het orgel. Omdat ik weinig verstand heb van orgels, ben ik aan het googelen geslagen.

Johannus is een Nederlands bedrijf dat orgels bouwt, de Johannus Opus 5 is een huiskamerorgel uit zijn collectie. Een doksaal is een afscheiding tussen het priesterkoor en de overige delen van een kerkgebouw. Soms is die afscheiding breed genoeg om er een orgel op te kunnen plaatsen, het zogenaamde doksaalorgel. Kennelijk kun je in de Belgische plaatsjes Booitshoeke en Volkegem doksaalorgels horen spelen. Een portatief is een draagbaar pijporgeltje en een Cantorum VI een keyboard dat pijporgelklanken voortbrengt. De kloosterkerk van de ongeschoeide karmelieten te Gent beschikt blijkbaar over een orgel met twee klavieren (toetsenborden) en een zelfstandig pedaal. Begin 17e eeuw was Girolamo Frescobaldi als organist verbonden aan het Vaticaan en speelde in de Sint-Pietersbasiliek ongetwijfeld op een luisterrijk, maar intussen teloorgegaan orgel met ‘pijpenkrullen en gouden bladmotief’. Voor zover ik weet zijn alle huidige orgels van de Sint-Pietersbasiliek, of orgels die er ooit in hebben gestaan en nu elders onderdak hebben gevonden, ruimschoots na Frescobaldi’s tijd gebouwd.

Het is allemaal orgel wat in dit gedicht de klok slaat. De Beule moet er een groot liefhebber van zijn. Het idee om zijn liefde voor orgels en orgelspel in een ritmische en klankrijke kyrie uit te drukken werkt wonderwel. Het geeft het muziekinstrument een mystiek trekje, iets bovenaards, waardoor de voetval gepast lijkt, of in elk geval niet overdreven. Het orgel als een hogere macht die wordt gesmeekt om wonderschoon orgelspel, waar je stil van wordt en dat troost biedt. Dit gedicht heeft me aangenaam beziggehouden.

Na deze overdenking hoor ik uit de titel niet langer ‘o Heer!’ opklinken, maar ‘o orgel!’