Als ik naar Schiphol moet, sta ik om 04:30 uur op: om files voor te zijn en bij tijds op m’n werk te verschijnen. Ik loop zo wel wat uren slaap per week mis. Waar je blijkbaar weer van alles van kunt krijgen: concentratiegebrek, lusteloosheid, geprikkeldheid, depressies, hartaanvallen, obesitas, kanker, alzheimer etc.

Lekker dan, dacht ik vanochtend in de auto en herinnerde me een quote die ik van de week las: ‘Tenzij je er heel bewust voor kiest om slapen tot een prioriteit te maken, ga je er namelijk niet voldoende van krijgen.’

Tja … En toen?

Toen volgde de ene gedachte de andere op. Waarom, dacht ik, vindt er in de VS al enkele jaren een heropleving van laatmodernistische dichters plaats (George Oppen, Charles Olson, James Schuyler, Cid Corman, Jack Spicer, Frank O’Hara etc.) en in Nederland niet? Ligt hier een (al dan niet academisch) cultuurverschil aan ten grondslag?

Toen ik me afvroeg welke Nederlandse laatmodernistische dichters weleens voor een heropleving in aanmerking zouden kunnen komen, kwam er geen enkele naam in me op.

Wat me irriteerde.

Toen ik probeerde om ‘laatmodernistische poëzie’ te definiëren, begon ik gevaarlijk te slingeren.

Wat me deed schrikken.

Waarna ik snelheid terugnam, mijn aandacht weer op de weg vestigde en vloekte.

Abbingha, Lee Harwood, O’Hara, Ashbery, Büch, Meillassoux

Over catalogisering, het Abbingapark, intieme poëzie en nieuwe aanwinsten

~ Vanochtend heb ik me eerst verdiept in libib.com, een platform dat je de mogelijkheid biedt om online je boekenverzameling te catalogiseren. Lijkt me wel wat.

~ Daarna een stevige stadswandeling gemaakt. In het Abbingapark (vernoemd naar de Abbinga State, een landhuis, waarin ooit een zekere Abba Abbingha woonde en dat hier eeuwenlang in de buurt heeft gestaan) lachten deze twee fraaie beuken me toe:

8ff6d15a-fe6b-4f42-a4da-3cd5ed5f83dd
Landschap 48, Abbingapark, Leeuwarden, 2017 © Ton van ’t Hof

~ Gelezen: Landscapes (Fulcrum Press, 1969) van de Engelse dichter Travers Rafe Lee Harwood (1939-2015). Ik las ergens een gedicht van hem en schafte onmiddellijk via AbeBooks een eerste drukje, hardcover, aan.

Lee Harwood publiceerde zo’n twintig bundels poëzie. Landscapes was zijn vijfde. In deze bundel beschrijft hij op intieme wijze zijn gewaarwordingen van en ervaringen met geliefden, landschappen en steden. De anekdotische gedichten doen me qua toonzetting en sympathie voor de schilderkunst denken aan het werk van Frank O’Hara.

Voor zijn tweede bundel, The Man with Blue Eyes (1966), ontving Lee Harwood, die tweemaal trouwde en drie kinderen kreeg, overigens de Frank O’Hara Prize. In deze bundel stipt hij onder andere zijn korte romance met John Ashbery aan.

De eerste afdeling, waarin Lee Harwood landschappen schildert, vind ik de mooiste. Daaruit dit gedicht, dat ook via PennSound te beluisteren valt:

33f90143-3d28-426b-b975-439e7323db4c

Via PennSound, door Lee Harwood zelf voorgedragen.

~ Nieuwe aanwinsten:

  • Grafreizen, Boudewijn Büch, AVVL Uitvaartzorg, 1994;
  • Na de eindigheid, Quentin Meillassoux, Leesmagazijn, 2016.

Klef gebaar

Naar aanleiding van enkele opmerkingen van Samuel Vriezen gisteren heb ik mijn fluctuatie/mutatie gedachte als volgt aangepast:

Ook binnen de poëzie kunnen we twee vormen van variatie waarnemen: fluctuatievariatie en mutatievariatie. De eerste gaat uit van variatie binnen de normaalverdeling, en de tweede van een sprongsgewijze variatie. Ontwikkelingen binnen de poëzie vinden plaats op basis van zowel fluctuatie als mutatie.

Naar aanleiding van een opmerking van Nanne Nauta heb ik nog wat naspeuringen gedaan en kom tot de conclusie dat Koen Vergeer wel de redacteur was van Johanna Geels’ tweede en mogelijk ook haar eerste bundel (beide verschenen bij Atlas) maar hoogstwaarschijnlijk niet van haar derde, Wildberichten (onlangs verschenen bij Marmer). Als recensent besprak Vergeer Wildberichten in het nieuwe nummer van de Poëziekrant (jul-aug 2014). Hij zei o.a. ‘dat [Geels] een van de belangrijkste Nederlandstalige dichters (m/v) van dit moment is.’ Geen doodzonde hoor, zo’n klef gebaar, de poëziescene is nou eenmaal piepklein en de leden moeten het vooral van elkaar hebben. Maar toch handig om te weten hoe het zit, in verband met het aanbrengen van een fijn onderscheid in de dingen bijvoorbeeld.

Sedar Sigo’s Language Arts (Wave Books, 2014) bekoort me bij vlagen, als de ploeterpoëzie wordt opgeleukt met een vleugje nonchalance. En hij weet dat zelf ook: ‘I don’t have ideas. I get to work, no talent, no genius but divination, painted dusk.’ (Divination = waarzeggerij.) Ron Silliman is overigens enthousiaster: ‘Cedar Sigo is a Frank O’Hara for the twenty-first century: witty, erudite, serious, with a terrific ear and eye for the minutest details, at home in the world of the arts.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 26-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

I Miss You Very Much, Goehring & Griffin

I Miss You Very Much van Stephanie Goehring en Jeff Griffin is hardcore bekentenispoëzie van de bovenste plank. In een briefwisseling komen ze vrijmoedig uit voor hun heil en leed, en staan daarmee in een Amerikaanse traditie die begon in de jaren 50 van de vorige eeuw met dichters als Robert Lowell, John Berryman en Sylvia Plath, die na de Tweede Wereldoorlog zochten naar oprechtheid, spontaniteit, directheid en gemoedelijkheid in hun poëzie, het onderbewustzijn exploreerden, taboes bespraken en opgingen in het leven van alledag. Allen Ginsberg, Frank O’Hara, Robert Bly en Sharon Olds breidden deze zelfverkenningen uit tot het politieke en esthetische terrein. Vandaag de dag lijkt het genre een opleving door te maken met dichters als Tao Lin, Matvei Yankelevich, Megan Boyle, Brian Coffelt en nu dus ook Goehring & Griffin, met als nieuwigheid dat zij allen ook het absurdistische terrein betreden.

Beste Stephanie,

Was je in Vegas? Dat wist ik niet. Ik kom er vandaag doorheen, hoop ik. Misschien ben je er dan nog wel.

Ik nam vandaag de trein en stapte zo’n 50 mijl voor de stad uit. Ik loop de rest. Mijn laarzen zijn versleten en ik heb me in maanden niet geschoren. Terwijl ik door de woestijn sjok heb ik steeds van die visioenen dat ik een of andere schat vind. Geld bijvoorbeeld. Verborgen of begraven drugsgeld dat ik dan zou gebruiken voor de meest dure suite in Vegas. Ik zou me scheren en douchen en naar de hoeren gaan en gokken en biefstuk en kreeft eten bovenin dat ronddraaiende restaurant op de Strip. Maar in plaats daarvan stuitte ik op een uitgebrande auto met twee lichamen erin. Ik stond op het dak om te zien hoe ver de stad nog was maar dat lukte niet.

Ik denk dat ik gewoon maar verder ga. Ik heb nog wat eten, m’n whisky. Misschien scoor ik wat drugs. Ik weet niet wat voor drugs maar dat maakt niet uit.

Deze wereld lijkt soms niet veel voor te stellen.

Stephanie Goehring & Jeff Griffin
Vertaling Ton van ’t Hof

I Miss You Very Much is dolkomisch en intriest tegelijkertijd. De worsteling met het idee dat het leven geen werkelijke betekenis heeft is groot. Hier zijn twee dichters aan het woord die zich niet langer thuis voelen in de maatschappij, zich er van vervreemden, de crisis belichamen van onze cultuur. Goehring & Griffin gebruiken de bekentenis als een spiegel en kritische diagnose van de westerse ontwikkelingsgang. Het schaamrood overtijgt mijn gelaat. Dit is een relevante bundel.

Beste Stephanie,

We tasten rond in het donker, op zoek naar een lichtknop die er niet is. We handelen telefoontjes af van meiden. Het is niet de meid waar je het liefst van zou willen horen, maar je krijgt dat telefoontje nu eenmaal. Dus. We drinken. We roken. We zijn in de war. Het interesseert ons niks. We voelen ons slecht en zijn blij op Pasen. We winnen de loterij, een paar dollar maar. We zitten niet in de gevangenis, maar soms voelt dat wel zo. En soms niet. Soms hebben we seks met vuur. We zijn zo in de war.

Ik wilde met je trouwen toen ik dacht dat dat niet mogelijk was. Ik wilde met je trouwen en nog een hoop andere dingen doen. In plaats daarvan ben ik alleen op een schietbaan en praat tegen mezelf. Het is donker. Ik kan mezelf of wat dan ook niet zien. Ik wil vechten … of dansen. Ik kan me niet meer herinneren welke van de twee. Ik kan me niets meer herinneren en ik weet niks.

Stephanie Goehring & Jeff Griffin
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 03-03-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Willem de Kooning over de dood van Frank O’Hara en Willem de Kooning

‘We waren hele goede vrienden, zei De Kooning later. Hij kwam om het leven op het strand, nog niet zo lang geleden. Het was verschrikkelijk. Ik heb weken niet kunnen schilderen. Alles wat je doet heeft geen betekenis. Een totale leegte. En natuurlijk, na een paar weken begin je weer. Je wilt leven en naar iets blijven zoeken. En ten slotte sterf je. En dat is een soort fiasco.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 24-10-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Gedicht James Schuyler

James Marcus Schuyler (1923-1991) was kort W.H. Audens secretaris, ging regelmatig op stap met John Ashbery & Frank O’Hara en won in 1980 de Pulitzer Prize voor poëzie. Geen idee of hij Hollandse voorouders had. John Latta vond onlangs twee nog niet eerder gepubliceerde gedichten van Schuyler, waar ‘Sooner or Later’ (augustus 1973) er eentje van is.

VROEG OF LAAT

Het loopt tegen de avond.
Mijn kamer is warm.

De ochtend was heerlijk.
Mijn kamer was koel.

Een kardinaal zit op een rozenstruik.
Roder dan de roos.

Een jongeman leest op het grasveld.
Zijn drankje is koel.

Naast hem een boxer
hijgend in de zon.

De zon die naar het westen koerst
roert mijn gezicht.

Gisteren regende het.
‘Een fijne dag om te werken.’

De dag gaat voorbij en
de avond daalt.

Avonden gaan voorbij
en ochtenden breken aan.

Alles wat ik hoop is
een goede nacht slaap

en grootse dagen.

James Schuyler
Vertaling Ton van ’t Hof

Tot aan de laatste twee strofes heb ik eerder het idee dat ik een kennisgeving lees dan een vers, een mededeling die op vormelijke wijze kond doet van iets als het aaneenrijgen van de hondsdagen. In korte slagen wordt een contrastrijk beeld opgebouwd en een spanning die zich vroeg of laat moet ontladen: waar wil dit gedicht heen? In de afsluitende zin wordt met de ‘hoop’ plotsklaps een hoge lyrische versnelling ingeschakeld. Ik kan me het verlangen van de ik-figuur naar voldoende nachtrust nog indenken, maar ‘grootse dagen’ … WTF? Mijn sluis is volledig opengezet.

(Dit bericht verscheen eerder, op 05-08-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Gedicht Frank O’Hara

In 1954 schreef de New Yorkse dichter Frank O’Hara het gedicht ‘Muziek’, waarmee zijn bundel Lunch Poems (City Lights Books, 1964) opent. Vlakbij Central Park eet hij ’s middags een broodje en laat de omgeving op zich inwerken, droomt weg. Het is herfst, maar beelden van de aanstaande winter weten zich op te dringen. En de dichter lijkt steeds moedelozer te worden.

‘Muziek’ leest als een film, een opvolging van shots, waarin wordt ingezoomd op het water in de fontein – de engel die het paard Bergdorf’s binnen lijkt te leiden – en die dan weer, soft focus, licht vallende sneeuw op kranten en honden in dekentjes laten zien. Realisme en surrealisme lopen door elkaar. Eerder muziek dan een traditioneel beeld van de wereld.

     MUZIEK

     Als ik even stop bij The Equestrian
pauzerend voor een broodje leverworst in de Mayflower Shoppe,
lijkt die engel het paard Bergdorf’s in te leiden
en ik ben naakt als een tafelkleed, mijn zenuwen brommen.
Dicht bij de angst voor oorlog en de sterren die zijn opgestapt.
Ik heb maar 35¢ in mijn handen, eten is zo zinloos!
en watersprongen besproeien bassins van bladeren
als de hamers van een glazen pianoforte. Als ik volgens jou
lavendel lippen lijk te hebben onder de bladeren van de wereld,
     moet ik mijn riem aantrekken.
Het is als een locomotief die oprukt, het seizoen
     van tegenspoed en helderheid
en mijn deur staat open voor de avonden van hartje winters
licht vallende sneeuw op de kranten.
Vat me in jouw zakdoek als een traan, trompet
van de vroege namiddag! in de nevelige herfst.
Als ze de kerstbomen opzetten op Park Avenue
zal ik mijn dagdromen voorbij zien wandelen met honden in dekens,
nog tot enig nut gemaakt voordat al die gekleurde lampjes ontbranden!
     Maar geen fonteinen meer en geen regen meer,
     en de winkels blijven tot vreselijk laat open.

Frank O’Hara
Vertaling Ton van ‘ Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 18-12-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Gedicht Frank O’Hara

VANDAAG

Oh! kangeroes, lovertjes, chocomels!
Jullie zijn echt mooi! Parels,
harmonica’s, jujubes, aspirines! al
die zaken waar men altijd over sprak

maken een gedicht nog steeds tot een verrassing!
Deze dingen zijn elke dag bij ons
zelfs op bruggenhoofden en lijkbaren. Zij
hebben betekenis. Ze zijn zo hard als steen.

Frank O’Hara
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 20-07-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Gedicht Frank O’Hara

LIED

Is het smerig
ziet het er smerig uit
daar denk je aan in de stad

lijkt het alleen maar smerig
daar denk je aan in de stad
je weigert niet om adem te halen, toch

iemand met een zeer slecht karakter verschijnt
hij lijkt aantrekkelijk. is hij dat echt. ja. zeer
hij is even aantrekkelijk als zijn karakter slecht is. o ja. ja

daar denk je aan in de stad
haal je vinger langs je rusteloze geest
dat is geen beroete gedachte

en je haalt veel vuil van iemand
is het karakter minder slecht. nee. het verbetert voortdurend
je weigert niet om adem te halen, toch

Frank O’Hara
Vertaling Ton van ’t Hof

Marjorie Perloff overdenkt O’Hara’s poëzie: ‘The lesson – if there is anything as solemn as a lesson to be learned from O’Hara’s lyric – is the old one that poetry must show rather than tell, that poetry is always a mode of defamiliarization. At a time where the poetry journals are filled with trivial love songs and self-righteous anti-war poems – poems that present their speaker as knowing self, telling us others what the right stance is – O’Hara’s poetic instinct for the unbearable lightness of being is especially remarkable.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 28-03-2009, op 1hundred1.blogspot.nl.)