Bloed dat uit het raam waait

Frank Koenegracht (1945) is geen vrolijke frans. Hoewel zijn gedichten in Lekker dood in eigen land lekker weglezen en herhaaldelijk een kwinkslag bevatten, is hun grondtoon er eentje van somberheid. Je hebt de bundel nog niet opengeslagen of je wordt al ondergedompeld in de zinloosheid van het bestaan (Leen Joele, aan wie het volgende gedicht is opgedragen, is een collega-psychiater van Koenegracht):

EPIGRAM
Voor Leen Joele

Aan de grenzen van de stad
waar het altijd waait
wonen de meisjes met de gezichtjes
en de ronde ogen, amandelvormige

en vooral de rustige ogen.
Tussen hen woont de heer Leeuwerik
van het ministerie
die ook niet weet waar de dagen voor zijn.

Geen leeuwerik die zingt, maar een ambtelijk personage dat, als vertegenwoordiger van de overheid, aan ons, de bevolking, ook niet kan uitleggen waar het leven toe dient; het lijkt wel een anti-gedicht. Alsof we met z’n allen alleen maar wachten op de onvermijdelijke dood. Absurde toestand. Als Koenegracht ons echter naar Endegeest verplaatst, een ‘instituut voor krankzinnigen’, worden we gedwongen om gekkigheden in de context van een gekkenhuis te zien, waardoor ze ineens minder gek lijken.

ENDEGEEST REVISITED REVISITED

Een volle kop met haar, whiskey en wilde wijven.
Lente picknickt op een open plekje.

In de zon danst en springt
de tuinploeg
op een kluitje, hoerah!

De harken vliegen overal heen.

Lekker dood in eigen land staat vol zotte situaties, waarin regelmatig collega-schrijvers figureren, zich menigmaal wreedheden voordoen en de dood vaak binnenwandelt. In heldere taal weet Koenegracht me telkens weer te verrassen, te overrompelen of te vervreemden van het alledaagse. Ik vraag me af waarom ik de ongerijmdheden en tegenstrijdigheden moeiteloos accepteer en de bundel niet als onzin afdoe en wegleg?

LEKKER DOOD IN EIGEN LAND

In de trein zitten twee heren die elkaar
vasthouden.

Als de trein de tunnel in rijdt
snijden zij elkaar de polsen door

en zeggen daarbij ‘pardon’.

Maar jullie, bloeddruppeltjes, die uit
het raam waaien, jullie zijn vrij.

Ondanks alle dwaas- en gruwelijkheden schrikt Koenegrachts mesjogge werkelijkheid niet af, gaat er geen bedreiging van uit, maar zet ze eerder aan tot heroverweging, om uit te pluizen of er te midden van alle zinloosheid toch nog enige zin, betekenis aan de situatie kan worden gegeven dan wel vanuit een ander standpunt op nieuwe uitzichten kan worden uitgezien. In deze aanzet schuilt Koenegrachts meesterschap. Hij maakt geen melige maar steekhoudende absurde kunst.

PSALM 12

Help ons, Heer, er zijn geen vromen meer.
Zeldzaam wordt trouw onder de mensen.

Iedereen glimlacht en liegt tegen zijn buurman
met twee gedachten in zijn hart.

De Heer slaat die valse tongen en waardeloze woorden
neer, vooral van hen die zeggen: wij winnen

want wij hebben onze mond
en wie is onze meester.

Vanwege de vervolgden en de armen echter
en het gekreun zal ik opstaan, zegt de Heer,

en ik zal beschermen wie daarna verlangen.
Immers de woorden van de Heer zijn zuiver

als zilver dat zevenmaal gesmolten is.

Bescherm hen, Heer.
Bescherm hen tegen dat volk.

De goddelozen rennen rond.
In aanzien stijgen de slechte mensen.

Lekker dood in eigen land, Frank Koenegracht, De Bezige Bij, 2011