Ron Sillimans eerste blogbericht
In zijn essay ‘Een taal van Nederland’, dat als inleiding in mijn nieuwe bundel Dichter & andere dingen is opgenomen, geeft Frank Keizer terecht aan dat ik als dichter ben beïnvloed door ‘de speelse experimentalist’ Charles Bernstein en ‘de plechtstatige serialist’ George Oppen. Hun bundels zijn altijd binnen handbereik, lees ik keer op keer. Sommige dichters gaan deel van je leven uitmaken, andere muzenkinderen vergeet je na de laatste pagina direct weer. Het moet klikken. Als met een goede vriend of vriendin.

Als blogger heb ik veel van Ron Silliman geleerd. Hij begon zijn vermaarde Silliman’s Blog in 2002 en publiceerde jarenlang vrijwel dagelijks berichten over hedendaagse Amerikaanse poëzie. Met zijn eigenzinnige kijk wist hij in de hoogtijdagen van zijn blog een wereldwijd publiek aan zich te binden en meer dan eens de gemoederen flink in beweging te brengen. De heftigheid van sommige reacties op berichten deed hem op een gegeven moment zelfs besluiten om de reactiemogelijkheid uit te zetten.

In zijn eerste post geeft Silliman aan dat hij zijn blog als dagboek wil gebruiken, waarin hij zijn kritische gedachten de vrije loop zal laten. Het is hem niet zozeer om een gehoor te doen, al vraagt hij zich wel af of er mensen op hem af zullen komen. Al gauw zal hij de voor- en nadelen van het openbare internetdebat leren kennen.

Ook op De Contrabas was het al dan niet modereren van reacties regelmatig onderwerp van gesprek. Ik heb me altijd op het standpunt gesteld dat de mogelijke leereffecten opwegen tegen eventueel abject online gedrag. Maar als iemand écht over de schreef ging, dan werd de reactie verwijderd.

Niet alleen van Sillimans kennis van poëzie en zijn ervaringen binnen de poëtische gemeenschap stak ik veel op, maar ook van zijn onderzoekende wijze van schrijven, die zowel op vorm als inhoud gericht is. Tegenwoordig publiceert hij nog maar sporadisch een blogbericht, maar ik sla er nooit eentje over.

Ik heb me voorgenomen om zijn blog de komende jaren van voor tot achter te herlezen en hier regelmatig verslag van mijn ervaringen te doen.

Dichter & andere dingen verschijnt over enkele weken bij Uitgeverij Stanza. Van Bernstein verscheen in het Nederlands reeds Denken dat ik denk dat ik denk. In 2018 of 19 wil ik een vertaling van Oppens fameuze Of Being Numerous uitbrengen.

Vrijdag, 19 mei 2017

Ik kende de Franse filosoof Gaston Bachelard (1884-1962) niet en weet ook niet meer wie me op zijn boek The Poetics of Space uit 1958 wees. Veelzeggend is wel dat de Engelse vertaling uit 1994 nog steeds in druk is. Daarin lees ik:

Poetry puts language in a state of emergence, in which life becomes manifest through its vivacity.

Bij Bachelards opmerking dat het leven zich manifesteert in de ‘levendigheid’ van poëtische taal, heb ik niet een-twee-drie beeld, maar bij de dichter als lantarenopsteker des te meer: poëzie brengt woorden aan het licht, stelt taal in staat om in al zijn rijkdom te verschijnen. Dit komt in de buurt van mijn eigen poëtische praktijk.

Ik heb Robert Anker eenmaal de hand geschud, net na mijn Contrabastijd, waarbij hij me gulloos aankeek, alsof hij de hand van een dissident schudde.

Ik meen dat Awater ooit één Stanzabundel heeft besproken, eentje van Frank Keizer. Om een principiële kwestie kan het hier dan ook niet gaan.

Ik geloof nu toch dat het Robert Archambeau was, die me op Bachelard & zijn boek wees.

In poetry, non-knowing is a primal condition. – Gaston Bachelard

Maandag, 15 mei 2017

Wat ik zoal heb uitgevoerd vandaag:

  • Een gewenste toekomstige situatie & een verandertraject uitgedacht en beschreven.
  • Een conceptadvies gelezen en mijn oordeel kenbaar gemaakt.
  • Het gedicht ‘A Political Poem’ van Michael Heller vertaald.
  • Het inleidende essay gelezen, dat Frank Keizer voor mijn nieuwe bundel opstelde.
  • Me in de handen gewreven.
  • Een eindje gewandeld.
  • Een grafiek van Tim Urban bestudeerd, die De Correspondent me toestuurde:

16012017

~ René Descartes studeerde in 1629 enige maanden aan de Universiteit van Franeker. Wellicht verdreef het klimaat hem al gauw weer naar zuidelijker Nederland: ‘Het waait hier altijd,’ schreef hij in een brief, ‘en het is hier altijd koud en nat. Slecht voor mijn botten.’

~ Gecatalogiseerd: The Art of Twentieth-Century American Poetry: Modernism and After (Blackwell Publishing, 2006) van Charles Altieri.

Charles Altieri (1942) is een vooraanstaande academicus en veelgelezen criticus op het gebied van de Amerikaanse poëzie van de twintigste eeuw.

Toch is me van dit boek – ik las het drie jaar terug – maar weinig bijgebleven.

Van alle passages die ik heb aangestreept vind ik de passage waarmee het boek eindigt de spannendste:

‘Many of our best younger poets now seem driven by a quite different imperative – not to tell so much as to explain, and not to make the “now” vital but to speculate on its relation to “before” and to “after.” Under the pressure of contemporary politics. It may have become necessary that they worry about questions of causality and responsibility on a collective scale. It may be a time in which the subject of speaking has to recede and the object of analysis come to the fore even of our lyrical projections.’

Iets wat ik in het werk van sommige van onze jongere dichters wel herken, in dat van Frank Keizer bijvoorbeeld.

~ De Estlandse componist Arvo Pärt kan als geen ander mijn snaar raken, die verlangt naar mystiek, transcendentie, bovenaardse schoonheid:

Warhoofds gekkenwerk, Alain Delmotte

Dagboek van een uitgever (1)

In het voorjaar van 2012 schreef ik Uitgeverij Stanza bij de Kamer van Koophandel in. Ik wilde poëzie uitgeven, bundels waar ik achter stond, met als enig criterium: mijn eigen smaak. Nu is die breder dan de experimentele verzen die ik zelf schrijf, waardoor het fonds zich niet louter tot deze soort poëzie beperkt. Sinds 2012 zijn er bundels verschenen van uiteenlopende dichters als Frank Keizer, Mark van der Schaaf, Bart FM Droog, Jan Pollet, Chrétien Breukers, Sophia Le Fraga, Nanne Nauta, Martijn Benders, Olaf Risee, Lammert Voos, Sven Staelens, Çağlar Köseoğlu, Gert de Jager, Benne van der Velde, Sacha Blé, Peter van Galen, Estelle Boelsma, Charles Bernstein, Luc Fierens en Martin Knaapen.

Jaarlijks brengt Stanza circa zes bundels uit. De omzet is gestaag gestegen naar vier- á vijfduizend euro per jaar. Als eenmanszaak zit Stanza hiermee aan haar plafond.

Regelmatig ontvangt Stanza manuscripten van bekende en onbekende auteurs. Ik lees ze allemaal. Soms zit daar iets verfrissends tussen. Over de tekst die de Belgische auteur Alain Delmotte me begin februari van dit jaar toestuurde, hoefde ik niet lang na te denken:

‘Hoi Alain,

Top! Dit geef ik graag uit. Ik heb gelachen en gehuild. Ik zit voor dit jaar al wel helemaal vol. Ik zou de publicatie willen inplannen voor het eerste kwartaal 2017. Schikt dat?

Groet, Ton’

Ik kende Alain nog uit mijn periode bij Uitgeverij De Contrabas, die twee bundels van hem publiceerde. Een eigenzinnig dichter, die zich graag van prozapoëzie bedient. Wat ik in handen had, was een volledig uitgewerkte tekst die zo kon worden gedrukt. Een geschenk voor elke uitgever.

De afgelopen maanden hebben we intensief aan de vormgeving gewerkt. Alain had daar goede ideeën over. De proefdruk is binnen. Ik ben zeer tevreden over het resultaat.

img_1089
De proefdruk. Het schilderij op de omslag is van Lucas Devriendt. Johan Duyck verzorgde de vormgeving van de omslag.
Warhoofd is een taalfiguur met een allegorisch karakter, die ook al in vorige bundels van Alain te vinden is, maar ditmaal de hoofdrol heeft. Warhoofd is een geboren loser. Alain beschouwt hem niet als een alter ego. ‘Iedereen is een loser, existentieel gesproken. En dus zou iedereen zich in Warhoofd moeten herkennen.’ Een fragment uit de bundel:

Stoten onder de gordel: voor geen geld in de wereld zou hij die willen missen.

Blunders, flaters, zijn mond voorbijpraten, ondoordachte uitlatingen: allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.

Voor de voeten worden gelopen, is hem een niet te verwoorden zaligheid: hij tekent ervoor.

Noodlot houdt hem bezig. De worp, de gril, de meewarige lol trekt hem daarin aan.

Langs de weg die hij gaat, trapt hij in elke drol. Hij vermoedt dat het de zijne zijn.

Dankbaar is hij voor elke tegenslag en voor wie hem gretig kan manipuleren.

Warhoofds gekkenwerk zal op 25 februari 2017 in de openbare bibliotheek van Harelbeke worden gepresenteerd.

Rikketik. R-ikke-tik

m24

Ik heb de afgelopen maanden heel langzaam, paragraaf voor paragraaf, Wilhelm Schmids Handboek voor de levenskunst gelezen, dat ik leen van een vriend. Het heeft me geholpen om weer samenhangen aan te brengen en perspectieven te zien. Mooi vind ik Schmids gedachte dat verhalen ‘beschermen tegen de afgrondelijke ervaring van zinloosheid.’ Misschien komt hieruit mijn schrijverschap wel voort, mijn poëzie, dit blog, dat ook nog eens voor een autobiografisch raamwerk zorgt. Ik heb het korte laatste hoofdstuk, dat o.a. over de dood handelt, bewust ongelezen gelaten. Ik heb nog te veel andere dingen te doen.

‘De behoefte aan zin is verzadigd, als alles in elkaar grijpt, of als je dat zo ervaart.’

Daarna het Stanza fonds gepakt om vanavond acte de présence te geven op de 32e Nacht van de Poëzie. Ik heb voor enkele liefhebbers nog enkele exemplaren kunnen opduiken van mijn uitverkochte bundel Aan een ster/ she argued (Stanza, 2009), die Frank Keizer onlangs nog opnam in zijn persoonlijke top vijf en door Samuel Vriezen tot zijn favoriete bundel van 2009 werd verkozen. Over de Nacht schreef ik vorig jaar nog een gedicht dat is opgenomen in Mijn poëzie (Stanza, 2014):

HET SPIJT ME

dat ik er morgenavond niet bij kan zijn. Dat ik dacht dat de Nacht van de Poëzie een consumptief onderonsje is. En poëzie iets anders dan een emotioneel feestje met een duidelijke verhaallijn. Hoi oprechte en authentieke personen, vergeef me. Dit warhoofd. Dat ooit toegankelijkheid door elkaar haalde met vlees en bloed, en ritme en rijm met fragmentatie, collage, serialiteit, dwangmatigheid en ordinair jatten. En natuurlijk is poëzie geen methode om onderzoek te doen naar cultuur en maatschappij of een instrument om politiek mee te bedrijven. In gedichten spreekt het hart. En niets anders dan het hart. Rikketik. R-ikke-tik.

(Dit bericht verscheen eerder, op 20-09-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Heel privaat

SMS van mij aan Hennie vanochtend, om 09:58:

‘Ha meis, ik heb een begin van staar in het rechteroog, nog geen operatie nodig, wel een nieuw glas. KuZ’

Ik slijt. Veeg wat geel vocht uit mijn rechteroog. Loop het hospitaal uit. Koop op het station een zakje wortelen. Goed voor de ogen, zei mijn moeder altijd. In de trein lees ik in Naar de natuur van Koos van Zomeren:

‘Wij mensen bewonen de aarde net als dieren – in goed vertrouwen, op goed geluk. Het kan een miljoen jaar goed zijn gegaan, dat zegt nog niks over volgende week.’

’s Middags met Frank Keizer in De Engelse Reet een pint gedronken. Hij behoort tot de weinige Nederlanders die zich de moeite getroosten om de geheimen van de poëzie te doorgronden en haar schoonheid te openbaren. Oh mijn god, de kolossale vergeefsheid van dit alles! Ik vraag hem eerst naar het Leesmagazijn, die nieuwe ambitieuze uitgeverij met dat sociaal-politiek getinte fonds dat tegelijkertijd interessant en een mengelmoes is en waar Frank sinds enige maanden redactionele werkzaamheden voor verricht. ‘Wij willen met goede boeken het maatschappelijke debat een duwtje geven. En er is ook ruimte voor poëzie. Ik ben er op m’n plek, ja.’

Voor Samplekanon werkt Frank samen met Maarten van der Graaff aan een overzichtsartikel over de prilste Nederlandstalige poëzie: door wie worden jonge dichters beïnvloed? Welke verbanden zijn er met het verleden te leggen? Volgens Frank trekt de nieuwe generatie zich weinig van tradities aan en opereert ‘heel privaat’. Hij acht daar het wegvallen van het kritisch referentiekader mede debet aan: ‘Ze kúnnen zich ook nergens meer naar richten, er ís geen sprake meer van een kritisch discours.’ De regelmatig waargenomen apolitieke houding wordt betreurd: ‘Ze zouden zich best wat bewuster mogen zijn van de tijd waarin ze leven.’ Waarschijnlijk gaat het eerste deel in oktober online.

(Dit bericht verscheen eerder, op 21-08-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Auto-summarization

Aiaiai. En ik had me nog zo voorgenomen: géén bier! Maar gezellie was ’t wel, gisteravond in Perdu. Een inspirerende avond met bijdragen van o.a. Maarten van der Graaff en Frank Keizer, waarin Jack Spicer en Brian Kim Stefans aan bod kwamen. ‘Brian Kim Stefans used the auto-summarization function of Microsoft Word, set to filter at 2% of the source-text, to reduce Kenneth Goldsmith’s Soliloquy to its social essence.’ De eerste regels:

‘Uh huh. Yeah, of course. Yeah, I know. Yeah. Oh yeah. Yeah. Right, ok, right. Yeah, Willis. Right. Right. Yeah. Yeah. Eah. Yeah. Yeah. Yeah. Right? Yeah, yeah right. Yeah. Yeah, yeah I’m not interested in that. Yeah. Yeah. Yeah. Right. It’s a book, Yeah. Right. Yeah. Right. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah maybe not. Yeah. Yeah, something like that. Yeah yeah yeah yeah. Yeah. Yeah. Oh right right right. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah, I don’t know. Yeah. Yeah.’ – Brian Kim Stefans, ‘Summary,’ Kluge: A Meditation and Other Works (New York: Roof Books, 2007)

Werd vanochtend met een kater en vijf boeken wakker. De oogst van gisteravond: tweemaal Velimir Chlebnikov, Hélène Gelèns, Lieke Marsman en Alfred Schaffer. We (Johan Herrenberg, Gert de Jager, Nanne Nauta, Mark van der Schaaf, Samuel Vriezen e.a.) hebben het ook nog over uitgeven en contracten gehad, geloof ik. Puik gezelschap. Met één oog naar huis.

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-02-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Afstand doen van de onverschilligheid

In zijn nawoord vertelt Rob Halpern over de totstandkoming van Rampensuites (vertaald door Frank Keizer & Samuel Vriezen en uitgegeven door Perdu, 2013): ‘elke ochtend een paar regels, die in de loop van de dag aangroeiden, zodat ik tegen het einde van de avond een klein gedicht kon sturen naar iemand’. De gedichten hebben zich op organische wijze ontwikkeld en pas gaandeweg hun definitieve vorm mogen aannemen. De ‘zorgen, verlangens en obsessies’ van het alledaagse leven werden geregistreerd, getransformeerd en ‘doorschoten met alle feitenpuin en medianeerslag’ van de ‘verwoestende gebeurtenissen’ in de wereld om Halpern heen. In het volgende vers geraken de poëzie en de wereld door toedoen van de kunstmatige doctrine uit haar fatsoen, en opnieuw (zie vorig bericht) wordt de liefde als remedie aangewezen:

Het is niets dan doctrine wat poëzie vervormt
Is waar wij tussen leven en ik kan niet zien
Welk geweld ik gebruik en de woningnood

Kan zo echt zijn als een asociaal gedicht lijkt
Hierop wanneer de wind omslaat in para-
Frase haalt geen van ons het bij haarkloverij de-

Terminaties zingende golfstromen opwarmende
Polen slinkende ijskappen die een meter zeespiegel-
Stijging verwelkomen al mis ik goede prikkels

Mist mijn commune goede ideeën grootschalige
Productie kleinigheden ook maar dat alles heeft
Gefaald dus laten we vrijen zoals gedichten gewijd

Aan doctrine vervorming echtere subjecten

– allemaal afstervende onverschilligheid en weerslag.

Als de pogingen zijn mislukt, dan hebben we nog de liefde en de poëzie over, die afstand kunnen doen van de onverschilligheid en de nadelige gevolgen ervan. Rob Halpern schenkt ondanks alle rampen de mens zijn vertrouwen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 15-10-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Verlossing als uitgangspunt

Rob Halperns Rampensuites (Uitgeverij Perdu, 2013) is geen eenvoudige kost omdat, zoals vertalers Frank Keizer en Samuel Vriezen in hun nawoord aangeven, ‘het vaak helemaal niet vastligt wat zijn regels precies zeggen.’ Je krijgt iets voorgeschoteld waarvan je geen idee hebt wat het is. Je kunt het vervolgens proeven of, gelijk de boer, niet.

Hush now you say my arousel
Threatens us a noise so end-
Less murmurs mauls these

Quiet bodies litter something
Vast and brave technologies
Produce the carcass as such

In Keizer & Vriezens vertaling:

Rustig maar zeg je mijn opwinding
Bedreigt ons een gerucht zo einde-
Loos murmelt verminkt deze

Stille lichamen rondgestrooid op iets
Groots en dappers als technologie
Produceert het karkas an sich

Deze door elkaar gestampte woorden en zinsneden verwekken telkens weer een vreemde sensatie bij me, die ik niet per se onaangenaam wil noemen, hoe wreed dit vers ook is. Dat komt omdat mijn beeld van het industrieel-kapitalistisch slagveld als een waar slachtveld – uiteengerukte soldaten, gasverdoofde kippen – steeds door het woord ‘opwinding’ verstoord wordt. Halpern plaatst hier de verschillende betekenissen van opgewondenheid tegenover die van het karkas. Dan duikt bij mij niet alleen een woord als necrofilie op, maar beklijft ook een sensuele vorm van opwinding, de mogelijkheid tot hartstocht voor de ander als middel om te ontkomen aan onze kille toestand. En dat laatste heeft iets heel optimistisch.

Ik pak mijn gedicht ‘Donkere ogen die ons onbewogen vogelen’ uit Hey! Are You Suffering? (Stanza, 2010) erbij en begin overeenkomsten (vooral qua thematiek) en verschillen (Halpern is lyrischer) met Rampensuites te zien. Het tweede deel van mijn gedicht eindigt met de volgende strofes:

De wet leek humaniteit te waarborgen
als schijnbare eenheid van een opgezweept
patriottisme van van prikkeldraad.
In welke richting we ons bewegen,

’t is wat men noemt geen olijk boek,
fissura ani, perianaal abces,
dat wil zeggen: La pureté dangereuse
in functie van wat het apparaat

kan verwezenlijken. Dit/dat proces,
zogeheten autohumiliatie.

Misschien, bedenk ik me, vertoont de grootste gelijkenis zich wel in een beider schrijven dat ‘niet het falen, maar de verlossing als uitgangspunt neemt.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-10-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Volkplantingen

Ik ben een groot deel van de nacht en de dag bezig geweest met het uitproberen van ideeën voor een nieuw poëzieproject. Geen enkel idee heeft het overleeft. Ik vis op oudere tekstfragmenten waarin sporen terug te vinden zijn van proposities die onze huidige samenleving vorm hebben gegeven. Uit de magere vangst van vandaag heb ik de volgende regels weten samen te stellen:

Ons handeldrijvend volk daartegenover
Dat zich onder dekking van de vrijheid
Van zijn zeevaart tot het verre uitstrekte

Had weldra behoefte aan volkplantingen
Aldaar en bij alle daarmee gepaard
Gaande intimidatie en terreur

Is het zonneklaar dat ook de beschaving
In het algemeen aan verbreiding hing

Tussendoor, in bad, op de bank, in bed, lees ik Rob Halperns Rampensuites, vertaald door Frank Keizer en Samuel Vriezen, en onlangs uitgebracht door de opgeleefde Uitgeverij Perdu. De eerste lezing bevestigt het gevoelen dat ik aan de Engelstalige editie overhield: hier gebeurt iets, zoveel is zeker, maar wat is het allejezus complex. Dat wordt vastbijten. De nawoorden van Halpern en de vertalers achterin fungeren daarbij als wegwijzers. Lof voor deze gewaagde zet van Perdu.

(Dit bericht verscheen eerder, op 12-10-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Mijn poëzie

De wind was me gedienstig van de week (we waren een weekje op vakantie in Giethoorn): voor het varen én voor de finalisering van het lange titelgedicht van mijn nieuwe chapbook dat begin volgend jaar zal verschijnen. ‘Mijn poëzie’ is qua idee dat er aan ten grondslag ligt een navolging van David Bromige’s gedicht ‘My Poetry’ (uit My Poetry, The Figures, 1980). Beide gedichten zijn een collage, waarbij knipsels uit recensies van het eigen werk aan elkaar zijn geplakt. In mijn geval gaat het om kritieken van Chrétien Breukers, Jeroen Dera, Hans Groenewegen, Laurens Ham, Frank Keizer, Erik Lindner, Joep van Ruiten, Mark van der Schaaf, Carl de Strycker en Samuel Vriezen. De eerste strofe van mijn prozagedicht luidt als volgt:

‘Mijn poëzie is bij elkaar geveegd in een omslag. Ik heb mijn naam erop gezet, het een boek genoemd en mijzelf auteur. Zo eenvoudig is dat. Hoewel wisselvallig en niet altijd even samenhangend, is mijn werk ambitieus, uniek en relevant voor de hedendaagse ontwikkeling van poëzie. Breed opgevat gaat het me om het verlies van de relatie tussen woord en leven, dat een keten van lege woorden voortbrengt. Het is tijd om het prestige dat taal in onze cultuur geniet te verwerpen. Mijn poëzie is conceptueel, lijkt lastig of zelfs onleesbaar, wat mede voortkomt uit een radicale drang om álles te tonen. En soms is er lyriek, een persoonlijke lyriek, even geen afstand meer tussen persoon en dichter, momenten waarop ik me laat gaan en lezers probeer te raken.’

Ik ga a.s. zondag naar de ‘book launch’ van Rob Halperns Rampensuites, vertaald door Frank Keizer & Samuel Vriezen en uitgegeven door Perdu. De presentatie vindt plaats tijdens de eerste editie van het Read My World Festival, dat speciale aandacht heeft ‘voor journalistiek, literatuur en alles daartussenin.’ Halpern is een ‘coming man’ binnen de Amerikaanse poëzie en zijn Disaster Suites een spektakelstuk. Ik ben benieuwd naar de Nederlandse vertaling ervan. Het festival wordt georganiseerd door een jongere generatie met oog voor wat er op politiek en literair gebied zowel binnen als buiten onze landsgrenzen afspeelt.

Iemand die ook interesse toont in de hem omringende politieke & literaire wereld is H.C. ten Berge, al weer 74 jaar oud. Ter voorbereiding op het interview dat Olaf Risee en ik hem in oktober zullen afnemen, lees ik momenteel De honkvaste reiziger – Dagbladen, veldnotities I uit 1995 (is er ooit een deel II verschenen?). Ik geniet. Verplichte kost voor iedere poëzieliefhebber.

‘Telkens weer blijkt een van scheppingskracht verstoken leven nauwelijks de moeite waard.’

Zowel Read My World als H.C. ten Berge brengen me in contact met dichters van wie ik nog niet eerder had gehoord en die mijn horizon verbreden. Uit ontmoetingen die aan het toeval worden overgelaten groeit soms iets moois. Vanwege een terloopse opmerking van Ron Silliman schafte ik David Bromige’s My Poetry aan, voor $ 50 + verzendkosten. Daar heb ik geen spijt van.

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-09-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Dat er feitelijk

sprake is van een kernoorlog op het schiereiland, scan ik op een nieuwssite, onderwijl een eitje leeg slurpend. Buiten dwarrelen vlokken.

Eergisteren met F.K. tot de conclusie gekomen dat poëzie aantoonbaar niet voor iedereen is.

Degene die onlangs mijn bundel Aan een ster besprak was onbekwaam of onwillig: hé! je dient zíjn taal te leren, in zíjn vorm te kruipen, zíjn historische en culturele contexten in beschouwing te nemen, hem zíjn immanente betekenissen te ontfutselen en níet jouw ideeën op te leggen over wat poëzie wel en niet zou moeten zijn.

Ik maak met behulp van onze Bezzera BZ10 een espresso. Lees in The Collective Autobiography part 3 dat de zin ‘The urinary habits of Dr. Williams.’ in Ron Sillimans Ketjak verwijst naar een anekdote die Louis Zukofsky ooit vertelde over een bezoek van William Carlos Williams: ‘[W]hat a slob he could be. He’d pee right in the corner of the bathroom.’

We zouden tegen de achtergrond van een dromerig laagland bijeen kunnen komen, zoals anderen dat voor ons ook al hebben gedaan, om iets te laten gebeuren.

(Dit bericht verscheen eerder, op 30-03-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Over het veld

Ik sprak met Frank over het veld.

Ik reageerde op De Contrabas op een bericht over het veld.

Ik lees Pierre Bourdieu.

Ik merk op dat Rutger nog laat op is óf al heel vroeg uit bed. Ik lees dat hij geen gezag zou willen hebben ‘bij de gratie van domme lezers, die zich voor laten schrijven wat ze moeten lezen.’

Hij zegt níet dat hij wél gezag zou willen hebben bij de gratie van slímme lezers, die zich níet voor laten schrijven wat ze moeten lezen …

Ik weet niet of ik goed bezig ben.

(Dit bericht verscheen eerder, op 25-05-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)