Slechte poëzie

Over flarf en bad painting

‘Writing is fifty years behind painting.’ – Brian Gysin

Ik had nog nooit van ‘bad painting’ gehoord, totdat ik Joost Zwagermans overdenking van deze ‘trend’ in de schilderkunst las. Zwagerman citeert in zijn essay ‘Bad painting’ (in Alles is gekleurd: Omzwervingen in de kunst, De Arbeiderspers, 2011) de Duitse beeldend kunstenaar Georg Baselitz (1938), vooral bekend om zijn ondersteboven opgehangen schilderijen, waardoor er minder nadruk komt te liggen op wát er is geschilderd en meer op het hoe. Halverwege de jaren 80 zag ik voor het eerst ‘omgekeerd’ werk van hem, in het Stedelijk, waar ik de tentoonstelling La Grande Parade bezocht, en was er van onder de indruk, en van in de war. Maar in het begin van zijn carrière, nog voor de creaties op z’n kop, was Baselitz bovenal gefocust op onesthetisch gekwast:

‘Ik wilde werk maken met rotzooi, modder, met non-kleuren, ik wilde echt slechte kunstwerken afleveren die zouden opvallen […]. Ik wilde een weermiddel creëren tegen schoonheid.’

Bij het lezen van dit citaat dacht ik aan flarf, dat ik elders ‘een opleving van de collage binnen de poëzie’ aan het begin van de 21e eeuw noemde en wier beoefenaars zich aanvankelijk ook toelegden op lelijkheid. De flarfdichters van het eerste uur ‘verwierpen gebruikelijke kwaliteitsnormen en onderzochten onderwerpen en toonzettingen die gewoonlijk niet als passend voor poëzie werden gezien.’ Gary Sullivan, die aan de wieg stond van het fenomeen, omschreef de essentie van flarf als ‘ongelijk hebben, flaters begaan, lomp zijn, onsamenhangend, opgefokt, politiek incorrect […] doen wat je eigenlijk niet mag doen.’ Ook in Nederland en Vlaanderen is er hardcore flarf geschreven:

Nu nog, op de bodem van mijn maag, en puppytekoop,
zij die warm wordt als een penis, koekje geforceerder,
zij was rood een open abces sunblok irritatie,
maar hoe drink je wondvocht, hoe loopt een vulva leeg?

– Strofe uit het gedicht ‘Zelfs nu nog’, Sven Staelens, in Flarf, een bloemlezing, Uitgeverij De Contrabas, 2009

In 1970 gaf criticus en curator Marcia Tucker een tentoonstelling die zij voor het New Museum of Contemporary Art in New York verzorgde de naam ’“Bad” Painting’ mee. Ze beperkte zich tot Amerikaanse figuratieve schilders die niet veel ophadden met toen gangbare stijlen. In het persbericht wordt “bad” painting als een ironische aanduiding van ‘goede schilderkunst’ uitgelegd en krijgt het kenmerken mee als ‘misvorming van het figuur, gebruik van kunsthistorische en banale bronnen, en buitenissige en schaamteloze inhoud. In zijn onverschilligheid tegenover getrouwe uitbeelding en afwijzing van traditionele opvattingen van kunst, is “bad” painting tegelijkertijd grappig en ontroerend, en vaak aanstootgevend in zijn minachting van wat doorgaat voor goede smaak.’ De poëticale overeenkomsten met flarf zijn opvallend. Beide zijn een ‘knipoog’ naar het ‘topzware en diep ernstige’, een halve ‘handreiking aan de kitsch’ te midden van ‘pretenties en hooggestemde idealen’. Ook door flarf en bad painting kun je de wereld beter leren kennen.

Zwagerman grijpt overigens niet terug op Tuckers tentoonstelling in 1970, maakt er zelfs geen gewag van, maar schrijft zijn essay naar aanleiding van de in 2008 door het Museum Moderner Kunst (MUMOK) in Wenen georganiseerde expositie ‘Bad Painting – Good Art’. Het MUMOK plaatst bad painting in een breder perspectief dan Tucker doet door te laten zien dat het fenomeen wortels heeft in het vroege modernisme en ook vandaag de dag nog invloed op het discours uitoefent. Aan de hand van werken van vooraanstaande schilders uit de twintigste eeuw als Francis Picabia, René Magritte, Asger Jorn, Philip Guston, Georg Baselitz en Julian Schnabel wordt betoogd dat bad painting op ‘radicale wijze het schilderen als medium ter discussie stelt door misvormd, gebrekkig, lelijk of opstandig te schilderen’, met geen ander doel dan ‘nieuwe mogelijkheden voor het medium te openen.’ Dat mag voor sommigen vergezocht klinken, maar ik herinner me nog goed de opwinding die ik voelde toen ik voor het eerst in aanraking kwam met flarf en door een nieuw venster naar de wereld mocht kijken. In de eerste strofe van zijn lange gedicht ‘Mars Needs Terrorist’ (uit Deer Head Nation, Tougher Disguises Press, 2003) koeioneert Kasey Silem Mohammad met zijn ‘geklieder’ niet alleen de smaak van het doorsneepoëziepubliek, maar stelt op fris brutale wijze ook het puritanisme in Amerika aan de kaak:

:.:.:.:.: buitenaardse parasieten
:.:.:.:.: buitenaardse overlevenden van slavernij schepen,
:.:.:.:.: buitenaardse tieners in de jaren 50
Florida, seks
:.:.:.:.: verschrikking en destructie, verschrikking
:.:.:.:.: verschrikking bedoeld om dombo tieners
van elkaar te scheiden
:.:.:.:.: sommigen heel erg geil nu
:.:.:.:.: romantisch, de republikein
:.:.:.:.: vertelde me over hun angst
:.:.:.:.: outfit voor ?ik?beneen slaaf
:.:.:.:.: een fondsenwerver voor republikeinse
:.:.:.:.: en wet buns contest
:.:.:.:.: ouders pratend over seks
:.:.:.:.: van hier 7.bestrijd hem
republikein 8
:.:.:.:.: 8.wij zijn 138.9 tieners

Er zijn dus poëticale parallellen te trekken tussen bad painting en flarf. Voor zover ik weet is flarf niet eerder vanuit dit perspectief belicht. Ik heb in dit blogbericht slechts wat contouren aangegeven. Om tot nadere duiding van het verschijnsel flarf te komen, lijkt een diepere peiling de moeite waard. Ik wil afsluiten met een citaat uit Zwagermans essay, dat ik ook toepasselijk acht op flarf:

‘Gemiddeld maalt de maker van een bad painting niet om getourmenteerdheid of loden ernst. Bad painting bekent zich met grimmige opgeruimdheid tot de losse pols en de realiteit van de rafelranden van het schildersdoek. Feestelijk omarmt de bad painter de zompige chaos. Sure, ze maken er vaak een rommeltje van, die bad painters. Het mirakel is dat zij al rotzooiend soms grote hoogten kunnen bereiken.’

Waarvan akte.

(Dit bericht verscheen eerder, op 26-10-2015, op ollauogalanestas.tumblr.com.)