11.28 u. Vijf kwartier rondom Eastermar gekuierd. Verkoudheid ietsje beter. Onderweg over de nieuwe bundel van Martijn Benders nagedacht, die ik mocht proeflezen, Baah Baaah Krakschaap / De P van Winterslaap. Geen dagelijkse kost. Een bundel die menige wenkbrauw zal doen fronsen. Een klankenstroom die schreeuwt om gedeclameerd te worden en Benders dan toch eindelijk een vaste podiumplek zou moeten opleveren. Met deze bundel steekt hij Paul van Ostaijen als Koning Melopee naar de kroon. Vorm volgt inhoud. De werking van poëzie wordt hier beproefd. Baah Baaah Krakschaap / De P van Winterslaap is de oerversie van een ruig en dan weer uiterst intiem sprookje. Dit is neoloog Benders op zijn best. Een gedicht uit de bundel:

Duizenden sterren dobbelen op de bomen.
En op de hoge stammen vangen motten
hun vleugelorigami aan,

O O papierpijn O O naaldwitte vissels O O nevelslach
O O zwarte mossert O

schutvinger, kolk op de bas

16.21 u. De Amerikaanse dichter Paul Blackburn stierf in 1971 op 44-jarige leeftijd aan slokdarmkanker. Hij had toen dertien dichtbundels op zijn naam staan. Over zijn verstechnieken zei hij ooit het volgende:

‘My poetry […] does make use of certain techniques […] Techniques of juxtaposition. / Techniques of speech rhythms, / sometimes very intense, / sometimes developed slowly, as / one would have / conversation with a friend.’

Blackburn slaat vaak een informele toon aan, alsof hij met iemand aan het kouten is. Ik vind dat prettig. Er stroomt leven door zijn verzen. Het geeft hem ook de vrijheid om met taal te experimenteren, zoals we dat allemaal regelmatig in ons geklets doen. Eind 1967 begon Blackburn aan een lange reis door Europa, waarbij hij eerst Nederland aandeed. In de postuum verschenen bundel The Journals (1975) staan vier gedichten over zijn bezoek aan (het westen van) ons land. In een ervan beschrijft hij wat hij ziet vanuit een boemelende trein (in mijn vertaling):

NAT

Geiten huppelen en grazen tussen olieraffinaderijen
Koeien liggen in weiden . stukjes touw
aan een hoorn om ze te leiden .
Slootjes, het vlakke land
onderbroken door bomen . eindeloos groen . van Den Haag naar Rotterdam

Twee paarden, de ene graast, de
andere schurkt zijn achterste tegen hoog-
spannings-
huisje . de ruige bokken .

16.58 u. Las in een recensie dat het ‘kennis nemen van [F. Harmsen van Beeks] begrip “neerbraak” voor iedere hedendaagse (taal)dichter een must’ is. Oké dan. Van ‘neerbraak’ had ik nog nooit gehoord, de recensent kende ik ook niet en van Harmsen van Beek heb ik geen enkele bundel gelezen. Ik zocht de term op – neerbraak is ‘de neerslag van een gedachte over het een of ander van een schrijver, zo geformuleerd dat een (voor)oordeel wordt doorbroken bij de lezer’ – en vroeg me vervolgens af wat hier opzienbarend aan is: meninkjes worden vaker bijgesteld, om allerlei (al dan niet op schrift gestelde) redenen, zelfs als het ogenschijnlijk ingeroeste vooroordelen betreft. Ik dronk gisteren nog een glas wijn met iemand die van de een op de andere dag het socialisme had ingeruild voor Rutte, vanwege andermans gedragingen. Ik bedoel maar. (Of dwepen Harmsen van Beek en recensent hier soms met het schrijverschap?)

19.33 u. Nog eentje. ‘Zoals alle goede poëzie laat ook dit gedicht zich niet zo gemakkelijk in één uitleg vangen,’ lees ik in weer een andere recensie. Waar staat dat goede poëzie multi-interpretabel moet zijn? Welke bijbel heeft de recensent er hier op nageslagen? Wie praat mensen dit soort nonsens eigenlijk aan?

DDC2B5CC-76FA-4461-B227-D767B15C6319
Eastermar, 2018 © Ton van ’t Hof