Door de ruimte brusselen

Vroeg wakker. Slaapstoornis. Lees de definitie van een goed gedicht van Abe de Vries: ‘geplaatste woorden’ die voor de ‘lezer noodzaak, zin, verband, richting’ hebben. Jaja. Ach. Moet-ie zelf weten. Laat ik nou ook van gedichten houden die niet per definitie met het oog op een lezer zijn geschreven en waarin woorden staan die geen ‘noodzaak, zin, verband, richting’ hebben. Zoals het leven dat zelf ook niet altijd heeft of lijkt te hebben, zeg maar.

Terug naar Wôld, Wôld, Wôld! van Martijn Benders. Een recalcitrante bundel, dacht ik zo. Weerspannig. Zich verzettend tegen een eenvoudig oordeel ook. Beter dan Perquin, luidt één van mijn aantekeningen. Wat ik vervolgens onderbouw met een citaat waarin Benders’ vermogen schittert om treffende beelden op te roepen door taal op een ongewone wijze in te zetten; iets wat Perquin minder goed doet.

Op internet ga ik het klote vinden, van planeten
die stomverliefd maar een beetje
door de ruimte brusselen.

Wôld, Wôld, Wôld! is ook een afrekening met de gevestigde literaire orde, ‘de stoelpoeligen’ die ‘steeds over een rode loper willen lopen’ en de ‘hoogpoligen’ proberen voor te schrijven hoe zij moeten ‘bloemlezen’. Velen krijgen een veeg uit de pan. De wrok zit soms diep. Benders spreekt zelfs van ‘samenzweren’ en wil zijn bundel niet aan hen verkopen.

Ik vraag me af hoeveel beter nog deze bundel zou zijn geworden als Benders al zijn energie in het dichten zou hebben gestoken. Want, laten we wel zijn, naast zouteloze praat staan er ook fantastische gedichten in Wôld, Wôld, Wôld! Zo ben ik zeer gecharmeerd van de reeks die het verhaal doet van punkers in een kraakpand. In enkele grove streken weet Benders een hele geschiedenis neer te zetten, die je kunt horen, zien, ruiken. Zoals alleen de groten dat kunnen:

Woonde in een klaslokaal
volgestort met zand om er een woestijn van te maken.
Elza, met haar ezeltjepriktieten
daasde naakt rond ze was zeventien er was
alleen zo’n kinderpleetje
met blauwgeverfde bril het rook er zanderig
en altijd speedjuffie achter de met kraakposters beplakte ruit.

We sliepen op het dak, de woestijn was te muf.
Als je gepijpt wordt gaat zo’n kamer ook in de weg zitten.

Links de benzinepomp en het Evoluon.
Rechts een nonnenklooster met een altijd bezemende non.

Boven mijn kop de godvergeten sterren.
Elza pijpte als een Guernica.

Vandaar
dat ik kleuterpunkvergaderingen
misliep. Vergeef me.

Martijn Benders

Je kunt focking goed dichten, Martijn. Vind je dat, Abe, ook niet?

(Dit bericht verscheen eerder, op 09-02-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Celinspecties

Celinspecties van Ester Naomi Perquin is een bundel die het niet wil zijn, waar ik het mijne van denk: lamaarwaaien. Laat ik uitleggen waarom. Ik vind het van belang dat we ons in de plaats van criminelen stellen om hun daden, houding en reacties te begrijpen. Gelukkig hebben we daar professionals voor, geen cipiers overigens, die hebben een andere functie-omschrijving. Als een dichter er zich mee gaat bemoeien, dan dient hij dat wel met de grootste omzichtigheid te doen, anders kan de empathische act uitmonden in een pervers fantasietje, dat niets zegt over de dader, een pedofiel in het geval hieronder, maar alles over de minstreel zelf.

JAKOB DE B.

Altijd denk je aan de meisjes, zo gauw de wereld ’s morgens openklapt
aan hun huppel het huis uit, hun sprong in het zicht, hun dansende
fietsende benen je dansende fietsende hart

en denk je steeds laat mij alleen maar haar ene gezicht, het precieze
vastgevroren volmaakte dat ik ken – maar de meisjes hiervoor
en de meisjes hierna raken telkens door elkaar, zo

beweeglijk hun haren en ogen en monden hun manieren van praten
‘kijk dit is een beestje dat ik heb, dat zit hier weggekropen’,
zo snel op hun benen gaan ze voorbij

en je denkt aan de deur, de stalen geur van zelfbehoud, je denkt
aan de meisjes, hun huppel het huis uit, nooit te weten of er
eentje van haar fiets springt, op je afrent, van je houdt.

Ester Naomi Perquin

Ester Naomi Perquin! Kom op zeg! Wie wil je hier nu in de maling nemen: de dader, zijn slachtoffers, de lezer, jezelf, de poëzie? In het gedicht ‘Verkeerd begrepen’ zeg je: ‘Ik wilde wél dat het goed afliep. Ik had níet de intentie / om wie dan ook van modder te voorzien […] Ik wilde wél iets nobels brengen, een enkel woord, / desnoods een klank, een hele serie daarvan…’ Het resultaat is een reeks gedichten waarin je misdadig gedrag vergoelijkt in plaats van dat je het tracht te begrijpen. Bij zulks een naïviteit haak ik dus af.

Maar een groot deel van de bundel bestaat helemaal niet uit celinspecties maar uit herinneringen, verklaringen, gesprekken, bekentenissen in de familiale en relationele sfeer, die ik eerder in verband breng met Perquin zelf dan met de criminelen, al zijn er recensenten die me anders willen doen geloven. Wat me opvalt is de vormvastheid: steeds weer lange beschrijvende zinnen waarin zaken selectief worden belicht, waardoor niet altijd duidelijk is wat er nu precies aan de hand is en er ruimte ontstaat voor eigen interpretatie en invulling. De toon is er eentje van vastberadenheid: zo en niet anders wil de dichter dat zijn gedichten zijn. Perquin heeft de regie, houdt de controle, laat niets aan het toeval over.

Haaks dus op mijn eigen poëtica. Toch staat er een gedicht in de bundel dat veel vergoedt:

ER IS NIETS GEBEURD

Er waren allerlei redenen om een kind te krijgen
dus kregen wij een kind. Het was een jongen,
groot voor zijn leeftijd, zwijgzaam.

We kochten een huis en kregen twee dochters
omdat één kind, zwijgzaam, zielig is.

Er waren kapers op de kust.
We namen een hond met scherpe tanden
omdat een huis moet worden bewaakt,
bij voorkeur dag en nacht.

We gingen op vakantie met drie kinderen,
de hond en de gedachte aan het huis,
dat in de tussentijd, weerloos,
achterbleef. We stuurden
het kaarten van zee.

Ester Naomi Perquin

Maar de VSB Poëzieprijs is te veel van het goede.

(Dit bericht verscheen eerder, op 01-12-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)