Awakened
by the ticking

not the alarm.

Op poëticaal niveau beschrijft Joseph Massey hier het motortje van dit miniscule gedicht: het wordt niet door opschudding maar ritme tot leven gebracht. Uiteraard kun je je ook afvragen waarom iemand nog voor het afgaan van de wekker wakker wordt. Maar in beide gevallen hoor ik getik – tik-tik-tik, dat nadrukkelijk aan een vorm van existeren gekoppeld is.

Het is het veelzeggende openingsgedicht uit Massey’s debuutbundel Minima St. (Range Press), een chapbook dat hij in 2002 zelf uitbracht in een oplage van vijftig stuks. Later zou het ook nog als e-boek verschijnen. In de hoop te worden opgemerkt, stuurde Massey zowel Rae Armantrout als Ron Silliman een exemplaar toe en trof doel: Armantrout had zich in een schrijven aan Silliman positief uitgelaten over de bundel en Silliman wijdde er vervolgens een blogbericht aan. Een ideale start voor een jonge dichter.

Toch zou het nog tot 2009 duren eer zijn eerste full-lenght bundel, Areas of Fog (Shearsman), zou worden uitgegeven. Maar daarna ging het snel; zijn vierde en laatste bundel tot nu toe, Illocality (Wave Books, 2015), werd al door The New York Times besproken.

    television light
lies on the
        American lawn

Dit is minimale poëzie, dat volgens The Princeton Encyclopedia of Poetry and Poetics een bewuste reductie van woorden is die, onder spanning geplaatst, moet leiden tot ‘poëtische authenticiteit’ – ofwel, zoals William Carlos Williams al zei: ‘no ideas but in things’. Massey plaatst zich hiermee in een lange traditie, waarin o.a. werk van de volgende Amerikaanse dichters staat: WCW, Louis Zukofsky, George Oppen, David Ignatow, Gary Snyder, James Laughlin, Clark Coolidge, Aram Saroyan en Robert Lax. Maar ook in Europa kennen we minimalisten: Francis Ponge, Ernst Jandl, Tom Raworth, Bob Cobbing, Ian Hamilton Finlay en onze eigen Jürgen Smit, om er een stuk of wat te noemen.

Voor deze dichters is poëzie vooral ‘een netwerk van fenomenologische percepties en expressieve taal’ dat een individueel bewustzijn laat doorschemeren.

Opvallend vind ik dat Massey zijn chapbook aan Armantrout en Silliman toestuurde, twee dichters die in hun werk eerder op zoek zijn naar esthetische structuren dan naar bewustzijnspatronen. Alsof je in het andere kamp buurten gaat. Maar dat liep dus goed af; Armantrout en Silliman herkenden het grote talent.

SUNDAY

Old news – after a storm –
torn apart between two lawns.

‘Awkward grammar appals a craftsman.’ (‘Lomp taalgebruik ontzet een vakman.’) Zo opent de Canadees Christian Bök zijn monumentale gedicht ‘Eunoia’, dat in 2001 in de gelijknamige bundel bij Coach House Books verscheen. Zestien jaar later is Eunoia nog altijd verkrijgbaar. Volgens Ron Silliman werden er alleen al in het eerste jaar achtduizend stuks van verkocht. Ik bezit een 19e druk uit 2006.

Een uiterst succesvolle dichtbundel dus, die in 2002 de prestigieuze Griffin Poetry Prize won. Bök wordt vooral geprezen om zijn vakmanschap en strikte toepassing van het achterliggende concept. Het seriële ‘Eunoia’ bestaat uit zeventig gedichten, verdeeld over vijf afdelingen. In elke afdeling wordt maar één klinker gebruikt. De gedichten in een afdeling zijn even lang en beslaan elf, twaalf of dertien regels. Voorts heeft Bök getracht om alle Engelse univocalics (woorden waarin maar één klinker voorkomt) te gebruiken en is daar volgens de bloemlezing van conceptuele schriftuur Against Expression voor 98% in geslaagd. Het openingsgedicht van de afdeling I luidt als volgt:

Writing is inhibiting. Sighing, I sit, scribbling in ink
this pidgin script. I sing with nihilistic witticism,
disciplining signs with trifling gimmicks – impish
hijinks which highlight stick sigils. Isn’t it glib?
Isn’t it chic? I fit childish insights within rigid limits,
writing shtick which might instill priggish misgiv-
ings in critics blind with hindsight. I dismiss nit-
picking criticism which flirts with philistinism. I
bitch; I kibitz – griping whilst criticizing dimwits,
sniping whilst indicting nitwits, dismissing simplis-
tic thinking, in which philippic wit is still illicit.

Overigens legde Bök niet als eerste een gedicht de beperking van één klinker op, dichters als C.C. Bombaugh (al in 1890!), Georges Perec (Oulipo) en Ernst Jandl gingen hem voor. Daarnaast zijn één-klinker-gedichten onvertaalbaar. Als ze letterlijk worden vertaald gaat het concept eraan, en als je het concept in stand houdt gaat de inhoud naar de haaien.

Eigenlijk beweegt ‘Eunioa’ – wat ‘fraai denken’ betekent en het kortste Engels woord is waarin alle klinkers voorkomen – zich op het snijvlak van beeldende kunst en dichtkunst. Telkens verbaas ik me weer over de fysieke schoonheid die het uitstraalt, de indrukken van eenheid en harmonie die de zeventig gedichten op me maken. En ik geloof dat ik die sensaties ook zou ervaren als ik het Engels niet of nauwelijks beheersen zou. ‘Eunoia’ heeft iets weg van een perfect gepolijst beeldhouwwerk of een serie monochromen van Yves Klein.

Alle afdelingen zijn aan experimentele kunstenaars opgedragen, in wier namen maar één klinker voorkomt:

  • Hans Arp, dadaïstisch beeldhouwer, schilder en dichter.
  • René Crevel, surrealistisch schrijver.
  • Dick Higgins, veelzijdig kunstenaar en medeoprichter van Fluxus.
  • Yoko Ono, beeldend kunstenaar, performancekunstenaar en muzikant.
  • Zhu Yu, controversiële Chinese performancekunstenaar.

Inhoudelijk is het werk doortrokken van vaak vermakelijk (meta)commentaar op de artistieke praktijk. Neem alleen al de vijf openingszinnen:

  • ‘Awkward grammar appals a craftsman.’ (‘Lomp taalgebruik ontzet een vakman.’)
  • ‘Enfettered, these sentences repress free speech.’ (‘Geketend smoren deze zinnen het vrije woord.’)
  • ‘Writing is inhibiting.’ (‘Schrijven is ontzeggen.’)
  • ‘Loops on bold fonts now form lots of words for books.’ (‘De ogen van vette lettersoorten vormen nu veel woorden voor boeken.’)
  • Kultur spurns Ubu – Ubu pulls stunts.’ (‘Kultur veracht Ubu – Ubu haalt stunten uit.’)

Ubu is een simpel, lomp en egoïstisch personage in enkele toneelstukken van de Franse poète maudit en toneelschrijver Alfred Jarry (1873-1907), in wie de burgerlijke theaterbezoeker zichzelf kan herkennen en die de verheven status van het theater in die dagen belachelijk maakt. Deze Ubu speelt nu de hoofdrol in Böks gedichten die de afsluitende, vulgaire afdeling U vormen:

[…] Ubu
sucks Ruth’s cunt; Ubu cuffs Ruth’s butt. Ubu stuffs
Ruth’s bum (such fun). Ubu pumps Lulu’s plush, sun-
burnt tush. Ubu humps Lulu’s plump, upthrust rump.
Ubu ruts. Ubu huffs; Ubu puffs. Ubu blurts: push,
push
. Ubu thrusts. Ubu bucks. Cum spurts. Ubu cums.’

De u als obscene letter. ‘Eunoia’ is ook satire.