Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (17)

Eerder schreef ik: vanuit een bezielende houding verwachten Harmens en Pfeijffer ‘van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ Dit is een functionele eis: literatuur als vehikel of drager van verandering. Hieruit spreekt een geloof in de mogelijkheden van de kunst, een vertrouwen in haar relevantie. Wat ontbreekt in Harmens’ en Pfeijffers pamflet is het hoe: op welke wijze zou literatuur haar functie als vehikel van verandering dan kunnen uitoefenen? Aan welke specificaties moet zij voldoen? In essentie zijn dit vragen naar vorm.

Voor Badiou is vorm ‘wat de kunstzinnige daad aan nieuw denken mogelijk maakt.’ Kunst dient de mens ‘tot enige buitensporigheid tegenover zichzelf’ te dwingen.

Buitensporigheid = breken met ‘wat er is’ = doorbreken van de gelederen van de Symbolische Orde.

Poëzie waarin

‘een generieke “sensitieve” lyrische spreker een facet van zijn of haar wereld overpeinst en daar opmerkingen over maakt, het heden met het verleden vergelijkt, een aantal verborgen emoties openbaart of tot een nieuw begrip van de situatie komt, en waarin de taal meestal concreet en gemeenzaam is, ironie aanwezig en metaforen talrijk, de syntaxis eenvoudig, het ritme gedempt, ingetogen,’

leidt vandaag de dag niet of nauwelijks meer tot buitensporigheid.

(Dit bericht verscheen eerder, op 06-05-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (12)

Voor Erik Jan Harmens is poëzie ‘lyrisch verbeelden’ en die lyrische verbeelding dient, om er toe te doen, ‘maatschappelijk gezien’ relevant te zijn. De opponent die het moet ontgelden is de dichter die in zijn werkkamer ‘bloemenvelden’ bezingt, priegelt op ‘de vierkante millimeter’ en ‘allerlei trucjes tot in de puntjes’ beheerst. Deze peinzer heeft schuld aan ‘de beperkte populariteit van poëzie in Nederland’. Dit lijkt me een vereenvoudiging van een complexe situatie, de reducering van een ingewikkeld probleem tot een worsteling met de verzuchtende dichter. Als Harmens de poëzie opnieuw wil emanciperen en potentiële poëzielezers mobiliseren, dan moet hij met zijn beginselverklaring niet de populistische arena betreden, maar de juiste vragen stellen: Wat is poëzie? Waar dient zij toe? Waar staat zij nu? Waar gaat zij heen? Wat moet er worden gedaan? Deze crisis is ook een stimulus, een kans om de maximes van de poëzie te heroverwegen en een nieuw begin te formuleren. Hiertoe dient de poëzie genadeloos te worden ondervraagd, zonder eerbied voor haar erfgoed en met het risico om haar voorgoed te verliezen. Het alternatief is verval tot een museumstuk. Uit Harmens ‘nee’ tegen de verzuchtende dichter spreekt wel hoop: de hoop dat poëzie nog altijd springlevend en mogelijk is.

(Dit bericht verscheen eerder, op 28-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (6)

Erik Jan Harmens deelt de hoop van Brecht:

‘Ik wil dat poëzie een reflectie is van de tijd waarin ze is geschreven. Ik wil dat de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh, het online slachten van immigranten op ouwejongenskrentenblog GeenStijl en de rechtdoorzeeë duim omlaag in de richting van Ayaan Hirsi Ali, de hartproblemen van de directeuren van Fortis, de brandende banlieues van Parijs, het nekschot voor de rennende Braziliaan in de Londense metro, de olie op de kust van Galicië, de overtreffende trap van vaderliefde in een kelder in Oostenrijk, de ingebeelde kanker van mensen die in de nabijheid van een zendmast wonen, het fenomeen dat een substantieel percentage van de werkende bevolking de dag begint met glazig door een voorruit staren in een niet bewegende rij auto’s, het faillissement van IJsland, de Keulse bibliotheek die de grond in zakt als gevolg van de aanleg van een metrolijn, de eerste zwarte president van Amerika en de eerste man met waterstofgeperoxideerd haar die kans maakt premier van Nederland te worden, de horizon vol windmolens en de klacht onder mannen dat een Saab meer en meer op een Renault begint te lijken, ik wil dat dat allemaal een stem krijgt in de woorden van dichters.’

Ik houd vol: niet zeggen maar breken met ‘wat er is’.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (4)

In De twintigste eeuw betoogt Alain Badiou:

‘Het Manifest getuigt juist van een hevige spanning waarmee men beoogt alle vermogens van de vorm en van de schijn in dienst van de werkelijkheid te stellen.’

In deze zin is Harmens’ en Pfeijffers proclamatie een heus avant-gardistisch manifest: als pleidooi voor een creatieve aanpak van maatschappelijke problemen. Maar ze ontketenden geen storm. Door de afwezigheid van esthetische richtlijnen lijkt Manifest voor een riskante literatuur een lege huls. En als we Socrates mogen geloven is zelfs die pretentieus:

‘Ook over de dichters kwam ik dus al heel gauw tot de slotsom dat ze niet werken met bewust inzicht maar krachtens een bepaald instinct en in goddelijke vervoering, zoals de godsprofeten en waarzeggers. Die zeggen immers ook veel moois maar ze weten niet waarover ze het hebben. Aan een dergelijk euvel bleken ook dichters te lijden. En bovendien merkte ik dat zij vanwege hun dichtkunst meenden ook op alle andere gebieden de knapsten te zijn, wat niet het geval was.’

Badiou merkt daarentegen op: ‘De essentie van het denken zit altijd in de macht van de vormen.’ Literatuur is vorm. Harmens en Pfeijffer ageren tegen de hedendaagse gelatenheid, onderworpenheid aan de leegte. Maar ze zijn niet radicaal genoeg.

(Dit bericht verscheen eerder, op 15-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (3)

In hun roep om een strijdbare literatuur omschrijven Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer de toestand die een verandering moet ondergaan als volgt:

‘Deze tijden van globalisering, immigratie, toenemende religieuze spanningen, oorlog, uitholling van de democratie onder druk van populisme, verkwanseling van grondrechten onder het mom van bevordering van de veiligheid, ecologische rampspoed en economische crisis zijn bijzondere en bijzonder gevaarlijke tijden die bijzondere eisen stellen aan de kunst.’

Een eis die zij stellen is een andere houding tegenover verandering: ‘Nonchalance in de literatuur is een misdaad.’ Vanuit een bezielende houding verwachten Harmens en Pfeijffer ‘van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ Dit is een functionele eis: literatuur als vehikel of drager van verandering. Hieruit spreekt een geloof in de mogelijkheden van de kunst, een vertrouwen in haar relevantie. Wat ontbreekt in Harmens’ en Pfeijffers pamflet is het hoe: op welke wijze zou literatuur haar functie als vehikel van verandering dan kunnen uitoefenen? Aan welke specificaties moet zij voldoen? In essentie zijn dit vragen naar vorm. Volgens Harmens en Pfeijffer is de beantwoording ervan een individuele aangelegenheid, het voorrecht van en tegelijkertijd de opgave voor iedere kunstenaar:

‘Kunst is vrij, maar niet vrijblijvend.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 14-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)