Ineens begreep ik hoe het werkelijk zat

In haar lezing over conceptualisme en poëtische vrijheid diagnosticeert Vanessa Place, advocaat en conceptueel dichter, het lyrisch subject: de ik in het gedicht. Ze marcheert flink door in haar redeneringen, die leiden tot conclusies als:

‘De niet-conceptuele auteur bezit niet het gedicht als zodanig, maar het vermogen, de licentie om zaken te doen op de semiotische markt. Jullie dichters zijn in deze zin de hedgefondsmanagers van het semiokapitalisme – jullie hebben er belang bij. En jouw belang komt het duidelijkst tot uitdrukking in jouw smaak.’

Ik geloof niet dat Place hier een fundamenteel punt heeft te pakken. Dit is spielerei, hier wordt tot in Timboektoe doorgeredeneerd. Het doet me denken aan de kapitalistische praktijken die Dan Hoy de flarfdichter ooit toedichtte vanwege het gebruik van Google’s algoritme. Enfin, interessanter wordt het naar het einde toe, als Place haar eigen kleine poëtica uitlegt. Ze wil niet zweven, maar met beide benen op de grond staan, heeft weinig op met transcendentie en mikt liever op schellen die van de ogen kunnen vallen:

‘Wittgenstein: “De aspecten van dingen die het meest belangrijk voor ons zijn, blijven verborgen vanwege hun eenvoud en vertrouwdheid. (Men ziet iets niet – omdat het altijd in het zicht is.) De echte funderingen van hun onderzoek vallen mensen helemaal niet op. Tenzij dat feit hen ooit eens trof. – En dit betekent: we zijn niet meer in staat om te worden verrast door dat wat, eenmaal gezien, het meest opvallende en meest krachtige is.”

Dit is de vrijheid die poëzie belooft.

Poëzie is de sleutel tot de legitimiteit van al onze andere inspanningen. Omdat poëzie ons minder klein maakt. Zelfs onze objectgeoriënteerde ontologieën moeten ergens beginnen, en dat ergens is onze edelmoedigheid – van elk van ons Zijn, in koor schitterend.’

Place hoopt via de poëzie te begrijpen hoe het werkelijk zit. En ze vertrekt daarbij vanuit een positief mensbeeld. Iets wat je op grond van haar vaak bittere poëzie, die Rae Armantrout ooit omschreef als terminaal, niet een-twee-drie zou verwachten. Tot slot van haar lezing gaat Place in op de wijze waarop poëzie dan behulpzaam zou kunnen zijn bij het doorgronden van de werkelijkheid, op haar bevindingen tot nu toe en voltooit in de laatste regels haar diagnose van het lyrisch ik, een diagnose die tevens een vaststelling blijkt te zijn van de ontluisterende toestand van het individu in het semiokapitalistische tijdperk.

‘Poëzie is wat poëzie is, en wat poëzie is heeft alles van doen met de verpakking van het denkbeeldige balancerende subject. Het heeft van doen met andere zachtaardige dromen – dat wolken betekenis hebben, dat voorstellingen er zijn, dat taal er toe doet, dat er zich op elk moment een draaipunt kan voordoen waarop een vreselijke schoonheid kan worden geboren. Het beest schoonheid, zo zou kunnen worden opgemerkt, dat zich volkomen onverschillig gedraagt tegenover het lichaam dat voor hem staat. En dat deze zaken zo waar zijn als al het andere. Of, preciezer, zo tragisch waar als al het andere.

Het poëtische subject zijn wij, hier, nu, het punt waarop het valse prachtig zou kunnen zijn, gruwelijk, echt.

Of, om Eric Hoffer onjuist aan te halen, “Elk groot doel begint als een beweging, wordt een business en degenereert tot een racket.”

Anders gezegd, “ik” is geen subject.

Ik is een racket.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 02-05-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)