Ik ben een niet te bevredigen verlangen.

En daar wil ik van af.

Franca Treur analyseert graag, zegt ze in haar column in de krant, ‘want analyseren geeft inzicht en inzicht grip, en grip geeft macht.’ Treur wil graag macht.

Ik verlang niet naar macht.

Édouard Louis heeft macht. Omdat hij zíjn analyses van het huidige maatschappelijke leven, in tegenstelling tot de meeste andere intellectuelen, mede kan baseren op eigen ervaringen met de onderkant van de samenleving. Hij komt uit een bezitloos gezin.

Treur bracht haar eerste twintig jaar door in een wereld die geordend was volgens de vragen en antwoorden van de Heidelberger Catechismus.

Ik kom uit een middenklassengezin. Ik kan me niet herinneren dat mijn vader me ooit geslagen heeft. Van mijn moeder heb ik enkele opvoedkundige tikken gekregen. Maar dat herinnert mijn dementerende moedertje zich vast niet meer.

Als Louis in zijn autobiografische roman Weg met Eddy Bellegueule zegt dat zijn vader pasgeboren katjes doodsloeg tegen een betonnen muur en het warme bloed dronk van net gekeelde varkens, geloof ik hem.

Als Treur in haar column zegt dat te veel dingen in het echte leven niet over de essentie gaan, geloof ik haar voor geen meter.

Bij ons thuis werd zelden over politiek gesproken. Mijn ouders waren, en zijn nog, apolitiek. Het feit dat ik ze laatst tot mijn stomme verbazing op ‘buitenlanders’ hoorde afgeven, reken ik hun afnemende geestelijke vermogens maar toe. Ik ken hun politieke voorkeuren niet eens. Eigenaardig eigenlijk. Vermoedelijk stemden ze van huis uit, beiden afkomstig uit katholieke gezinnen, op de KVP, de Katholieke Volkspartij, die tussen 1958-1971 onafgebroken de minister-president leverde. In mijn jeugdjaren viel bovendien de Volkskrant op onze deurmat, van oorsprong een rooms-katholiek dagblad.

Wat ik wél kan terughalen zijn de ruzies tussen mijn vader en moeder over geld, of liever gezegd over het voortdurende tekort aan geld, waar ikzelf overigens niet veel van gemerkt heb; er heeft altijd eten op tafel gestaan, we hadden redelijk modieuze kleren aan en gingen geregeld met vakantie. Ik heb het idee dat we een vrij normaal middenklassegezin vormden.

Het zijn woorden van de jonge Franse schrijver Édouard Louis (1992) die me aan vroeger deden denken, in Pierre Bourdieu. Weerspannigheid als erfenis (Leesmagazijn, 2018):

‘Politiek is voor mij nooit in de eerste plaats een kwestie van woorden, meningen, discussies, gedachtewisselingen en communicatie geweest, zoals in de habermasiaanse visie, maar een kwestie van voedsel, leven en overleven.’

Bij ons thuis dus noch het een, noch het ander. Ook mijn beide opa’s spraken zich, voor zover ik me dat kan herinneren, nooit over politieke zaken uit. In elk geval niet in mijn nabijheid. De een was gemeenteambtenaar, de ander werkte in de horeca. In beide familie’s was geen sprake van armoede. Politiek was blijkbaar iets voor als je rijk was, of arm.

Nu schiet me ineens een parkiet te binnen, die eertijds in onze gordijnen hing en kon praten. ‘Den Uil, uilenbal,’ zei-ie onder andere. Iets wat mijn vader hem geleerd had.

FB1D64C1-C5A9-412C-8141-D5EF7810FBC2
Een van mijn zussen en ik, vermoedelijk, circa 1967