De kermis is vandaag de dag een trieste uitgerangeerde aangelegenheid. Een hoop licht en lawaai voor een handjevol tokkies. Ooit was dat anders. In Kroniek van een Friese boer: De aantekeningen (1821-1856) van Doeke Wijgers Hellema te Wirdum (Uitgeverij T. Wever, 1978) lees ik een beschrijving van de Leeuwarder kermis in 1825, die me doet verlangen naar een tijd zonder tv en internet:

‘Een algemeen overzigt van dit toneel, rijtuigen, paarden, het rijden, jagen, harddraven, menschen uit allerlei standen ieder wel naar zijnen stand zo wel mannen als inzonderheid de vrouwen op het fraaiste gekleed, het zwieren en drentelen door de stad langs de kramen, alle herbergen opgepropt vol menschen, zoowel ouden als jongen, vrouwen als mannen, om te rooken, eten, drinken, zuipen, springen en zingen onder het geleide der fiool; alle tenten van vertooningen van speelrariteiten, zeldzaamheden, gekheden en klugten opgeperst vol nieuwsgierigen geeft aanleiding om te denken, dat deze natie der Friezen zich baad in overvloed, door een aanhoudende welvaart verkregen.’

Kermis in Leeuwarden, ca. 1920