Verzet tegen de logica van de culturele industrie

In het nawoord van zijn boeiende boek Procedural Form in Postmodern American Poetry, waarover ik eerder berichtte, beantwoordt David W. Huntsperger de vraag waarom hij het de moeite waard vindt om avant-garde poëzie te bestuderen:

‘[R]as, klasse, geslacht, nationaliteit en seksualiteit zijn alle van invloed op de totstandkoming van een artefact; men kan een gegeven historisch moment inderdaad benaderen vanuit verschillende richtingen. Tegelijkertijd doen niet alle culturele artefacten expliciet een beroep op ons om onze wijze van denken en zijn in de wereld opnieuw te overpeinzen. Avant-garde poëzie doet dat naar mijn mening wel.’

Hij leent van Charles Bernstein het theoretisch kader waarbinnen het ‘poëtisch verzet tegen dominante ideologieën’ zich afspeelt. De kern van dat kader wordt gevormd door de gedachte dat een ieder van ons gewikkeld is in taal en dat ons handelen mede wordt ingegeven door diezelfde taal. Bernstein wil tegenstand bieden aan gestandaardiseerde imperiale ‘dictie en etiketten’ en de vervreemding van onszelf die dit – deze wijze van uitspreken – met zich meebrengt. Hij ziet daarbij een rol weggelegd voor de poëzie:

‘The promise of the return of the world can [be] (& has always been) fulfilled by poetry. Even before the process of class struggle is complete. Poetry, centered on the condition of its wordness – words of a language not out there but in here, language the place of our commonness – is a momentary restoration of ourselves to ourselves.’

‘De soort taal,’ voegt Huntsperger toe, ‘die een terugkeer van “onszelf naar onszelf” mogelijk kan maken, is niet de gestandaardiseerde taal van onze dagelijkse krant maar zijn de radicaal disjunctieve experimenten van dichters als Ted Berrigan, David Antin, Ron Silliman en Lyn Hejinian. […] Amerikaanse avant-garde poëzie biedt ons een reeks van niet-standaard (je zou, in lovende zin, zelfs kunnen spreken van “afwijkende”) taalpraktijken, die zich verzetten tegen de logica van de culturele industrie en die de ogenschijnlijk onvermijdelijke vervreemding verwerpen van mensen van hun eigen arbeid en taal. […] Als zulke avant-garde praktijken zich alleen maar in de marges van de heersende Amerikaanse cultuur afspelen, dan is het des te meer belangrijk dat zij worden gedocumenteerd door politiek geëngageerde, ideologisch bewuste literaire critici.’

Huntspergers boek is niet alleen voor geïnteresseerden in procedurele (experimentele) poëzie verdomd wetenswaardig, maar ook voor hen die nog altijd op zoek zijn naar het mogelijke ‘nut’ van poëzie én voor literaire critici.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-05-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Procedurele poëzie

In zijn boek Procedural Form in Postmodern American Poetry (Palgrave Macmillan, 2010) definieert David W. Huntsperger ‘procedurele vorm’ als een ‘compositie door middel van een vooraf bepaalde methode’. Voorbeelden van procedurele poëzie zijn OULIPO gedichten, Ron Sillimans Tjanting (compositie gebaseerd op de reeks van Fibonacci), een belangrijk deel van het werk van Jackson Mac Low en in sommige gevallen ook flarf.

Huntsperger zoekt de verklaring voor het ontstaan van procedurele poëzie gedeeltelijk in een zich afzetten tegen het romantische idee van het individu als een ‘holistisch artiest die verzen schrijft uit een overvloed aan poëtisch gevoel’:

‘In een postmoderne, posthumanistische, postindustriële tijd is een dergelijk organisme verworden tot een anachronisme. Vandaag de dag lijkt een verlangen naar organische vorm eerder op nostalgie naar de kleinburgerlijke literatuur van de 19e eeuw, een hang naar creatieve transcendentie van de materiële condities van het dagelijkse leven. Dit verlangen manifesteert zich vooral in het vrije vers, waarvan de naam alleen al de mogelijkheid suggereert om te kunnen ontsnappen aan materiële, sociale en artistieke beperkingen. […] Het postmoderne procedurele alternatief, zoals beschreven door McHale, brengt een opzettelijk op de voorgrond plaatsen met zich mee van het verdwijnen van de individuele tussenkomst bij de productie van inhoud. […] De postmoderne dichter is simpelweg de machine geworden.’

De gevolgde methode bij procedurele poëzie is een generator die niet alleen structuur en/of inhoud voortbrengt maar tegelijkertijd ook thematisch bezit van het gedicht is. ‘In alle procedurele poëzie is arbeid onvermijdelijk een thema.’ Procedurele poëzie vraagt van de lezer om ook voorbij de tekst te kijken en hem te plaatsen in de grotere sociale context waarin hij tot stand is gekomen. ‘Bijzondere formele beperkingen analogiseren algemene ideologische beperkingen. Wanneer men procedurele teksten leest, vraagt men zich af of het alledaagse leven zelf een soort procedurele operatie is geworden, beperkt door regels waar we ons vaak niet van bewust zijn.’ En:

‘Het procedurele gedicht vraagt om onderzoek naar het mechanisme achter zijn productie. En wat men vindt is dat het mechanisme het werk van het individu zelf is, een mechanisme dat een artefact produceert dat tegelijkertijd product en kritiek is van de maatschappij waarin het is voortgebracht. […] Het procedurele gedicht is een optekening van het literaire “werk”.’

Flarf is vanuit deze invalshoek nog nauwelijks bekeken.

(Dit bericht verscheen eerder, op 09-05-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)