Hoe kunnen mensen hun evenwicht bewaren?

Zou ik een ander mens zijn geweest zonder kunst? Minder eerlijk, betrouwbaar, fatsoenlijk? Geen idee. Volgens de Amerikaanse letterkundige Charles Altieri biedt kunst ons mogelijkheden tot ontwikkeling en bijstelling van onze identiteit. Het draait dan om het innerlijke spel dat zij kan veroorzaken, waarbij we ontdekken dat waarnemen, voelen, oordelen en handelen verband met elkaar blijken te houden. Altieri merkt overigens op dat een innerlijke uitkomst in praktijk gebracht, sociaal onwenselijk kan zijn. Kunst die aanzet tot banaliteit. Op De Nachtwacht werd ooit ingehakt door ‘een geestelijk gestoorde man’.

Achter Altieri’s woorden schuilt hoop: opdat we dat wat de geschiedenis ons oplegt als een uitdaging zien en niet als een vonnis dat we lijdzaam moeten ondergaan. Die hoop heb ik ook, maar dat betekent antwoord geven op de vraag: hoe kunnen we onszelf herdefiniëren en herpositioneren in relatie tot onze planeet, het leven?

Daniel Borzutzky heeft een radicaal visioen in The Book of Interfering Bodies:

The citizens of the town threw all of their money into the river

They threw all of their credit cards into the river

They burned the banks

They burned their computers

Maar ook Borzutzky acht dit, als het al het antwoord is op voornoemde vraag, een onwaarschijnlijk gebeuren. In het afsluitende gedicht proberen twee mensen op tv de liefde te bedrijven, maar (in mijn vertaling) ‘hun lichamen worden geblokkeerd door steden, snelwegen, religieuze instellingen, talen, deuren, auto’s, gordijnen, valleien, grenzen, oceanen, oorlogen, wetenschappelijke vorderingen, klokken, wapens, wouden, duisternis, instortende naties en licht.’ Dan stapt er ook nog een immigrant tussen de twee lichamen. ‘Ik ben geen individu,’ zegt de man, ‘ik ben een doodse berg; mijn mond is een bloedig karkas; mijn buik een dode rivier; mijn gezicht een stad die vergaat in een storm. Misschien is het beter als ik terugkeer naar de vallei, zegt hij, maar als hij uit de tv tracht te stappen, valt hij met een plof op de grond en ligt daar als een hoop stenen.’

Borzutzky’s boodschap in The Book of Interfering Bodies is duidelijk: we zijn vervreemd van onze menselijkheid. En hij heeft een zwaar hoofd in de herwinning ervan. Toch zullen we dat moeten proberen. Ik zou willen dat mijn kinderen dit boek zouden lezen. En dat we allemaal de Grieken ondersteunen. Kakken op de files. Minder inslaan.

(Dit bericht verscheen eerder, op 01-07-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Zwartkijken en de mars der beschaving

Ik wil Daniel Borzutzky’s bundel The Book of Interfering Bodies (Nightboat Books, 2011) uit ergernis en verveling definitief dichtslaan als ik op pagina 28 de openingszin van het gedicht ‘In my Numb Heart, a Prick of Misgiving’ lees:

I want a poet who can be toilet trained to prevent the shit from spilling out of his mouth.

Ik ook, denk ik, maar krijg niet de jeuk aan mijn ballen waar in de volgende zin naar wordt gevraagd. Ik mag nu contact opnemen met de ‘fabrikant’ van het gedicht. Even verderop grinnik ik om de verwijzing naar de L=A=N=G=U=A=G=E dichters:

I do not own this poem; it is the responsibility of the poetic community.

Dan duiken er gemeenplaatsen op, ‘De woorden weten niet wat ze betekenen’, en meer platte nonsens, ‘Haar beste gedicht bestond uit driehonderd en vijftien gasvormige staccato uitbarstingen.’ Serieuzer lijken de volgende zinnen (in mijn vertaling):

Ik verkies het jargon van de kapitalisten boven het jargon van de dichters.

Ik hou van het woord: ‘liquiditeit’.

Ik hou van de wereld: ‘bezit’.

Wie of wat wordt hier, in of met dit gedicht, nu precies belachelijk gemaakt? De poëzie? Het kapitalisme? De lezer? Is het zelfspot? Superrelativisme? In de afsluitende zin raakt de dichter aan de drank en neemt de bank zijn praktijk over.

In vertaling luidt de titel van dit gedicht: ‘In mijn verdoofde hart, een pik van wantrouwen’. Gevoelloosheid en achterdocht ten aanzien van alles en iedereen. Ook en misschien wel vooral tegenover de kunst zelf. Tegenover het kunstwerk dat geen enkel verschil heeft kunnen maken in de godverlaten twintigste eeuw.

Halverwege The Book of Interfering Bodies ben ik nog louter antigedichten tegengekomen, die soms vermakelijk zijn en soms aangrijpend, maar te vaak louter zwarte gruis. Zou, zo vraag ik me af, Borzutzky nog iets anders met zijn gedichten voorhebben dan uitsluitend het spuien van idées noires? Mocht ik in de bundel nog aanlopen tegen een sprankje hoop op een uitweg uit wat dan ook, dan laat ik u dat weten.

(Dit bericht verscheen eerder, op 29-06-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)