Geen dichter die zijn eigen mensbeeld kan ontlopen

De afgelopen maanden ben ik meerdere malen gestuit, ik weet niet meer precies waar, op de veronderstelling dat poëzie relevant zou zijn voor de antropologie. En dan niet alleen als een door de mens voortgebracht cultureel verschijnsel, maar ook als drager van gemoedsbewegingen. In poëzie zouden we kunnen lezen wat er zich zoal in ons binnenste afspeelt, inclusief reflecties op de wereld om ons heen. Dat zou, voor antropologen, inhoudelijke bestudering van gedichten de moeite waard maken. Vandaag kwam ik zelfs de overtuiging tegen, in een bespreking van de nieuwe bloemlezing van John Wieners’ gedichten, dat poëzie antropologie bedrijft:

’[P]oetry has a special way—a brilliant way—of doing anthropology. It takes in the social world through the senses and processes it through the emotions.’ – Dan Chiasson

Je vraagt je af in hoeverre hier een kern van waarheid in zit. Ik heb een oom die eind jaren 60 antropologie studeerde, in Nijmegen meen ik, en voor zijn doctoraalscriptie een half jaar bij de Toearegs in de Sahara verbleef. Ik heb hem nooit over hun poëzie horen praten. Ook schiet me in dit verband Bruce Chatwins The Song Lines te binnen, waarin hij het belang van het lied voor de van oorsprong nomadische leefwijze van de Aboriginals onderzoekt. In deze liederen wordt een respectvolle houding tegenover de natuurlijke omgeving uitgedragen. Dit lijkt me een voorbeeld van poëzie, als we deze liederen als poëzie beschouwen, die voor antropologen interessant kan zijn. Maar geldt dat ook, bijvoorbeeld, voor Kenneth Goldsmiths Day, een achthonderd pagina dikke reproductie in boekvorm van een zaterdageditie van The New York Times, waarin niet één gemoedsbeweging van Goldsmith zelf voorkomt? Of voor mijn eerste bundel, Je komt er wel bovenop, die enkel en alleen flarfgedichten bevat?

Volgens Van Dale is antropologie ‘de wetenschap van de mens en zijn natuurlijke eigenschappen’. Dat vind ik een vage omschrijving. Elders lees ik: ‘Als je wilt weten wat antropologie is, moet je kijken naar wat antropologen doen.’ Als ik ‘antropologie’ in Google intik, dan kom ik het in de zoekresultaten veelal in verbijzonderingen tegen: sociale antropologie, fysische antropologie, wijsgerige antropologie, forensische antropologie, culturele antropologie, psychologische antropologie en zelfs literaire antropologie. De laatste lijkt zich vooral bezig te houden met het verband tussen roman en mythe. De bestudering van gemoedsbewegingen is meer iets voor de psychologische antropologie, dunkt me, die de interpretatie van menselijke ervaringen en gedragingen aan de hand van diverse mensbeelden tot doel heeft. En niet alleen de bestudering van gemoedsbewegingen doet in dit verband dan ter zake. In elk poëtisch oeuvre zit een mensbeeld vervat. Ook in dat van Goldsmith of van mij. Er is geen dichter die zijn eigen mensbeeld kan ontlopen.

In de veronderstelling dat poëzie relevant zou zijn voor de antropologie zit dus een kern van waarheid. En dan betreft het niet alleen de bestudering van lyriek, waarin gemoedsbewegingen centraal staan, maar ook van andere soorten, zoals conceptuele poëzie, flarf of zelfs nonsenspoëzie, waar de antropoloog een mensbeeld uit kan opmaken. Maar dit laatste kan uit veel schrijverij.

(Dit bericht verscheen eerder, op 27-10-2015, op ollauogalanestas.tumblr.com.)