Eileen Myles. Zo denk ik jarenlang niet aan haar, zo trekt ze viermaal in één week mijn aandacht. Obe Alkema noemde haar in een e-mail als fellow traveler van New Narrative. Enkele dagen later kwam ik in de bibliotheek haar autobiografische boek Chelsea Girls tegen en nam dat mee. Het werd in 1994 in de VS gepubliceerd en Lebowski bracht bijna 25 jaar later, in 2017, een Nederlandse vertaling uit. Gisteren maakte Lisanne Snelders me via Twitter attent op een interview met Myles in De Nederlandse Boekengids: ‘Ik begreep al gauw dat ik met rare types op moest trekken om dichter te kunnen worden.’ Vanochtend moest ik ineens denken aan een gedicht van Myles dat ik jaren geleden vertaalde, ‘Milk’. De vertaling werd opgenomen in Zo’n gelukkige dag. Dichters voor Amnesty International, onder redactie van wijlen Daan Bronkhorst, dat in 2005 bij De Geus verscheen. Ik runde in die tijd het weblog Poëziepamflet, vol vertalingen van Engelstalige poëzie. Omdat ik nooit gedichten zonder toestemming van de auteur online zette, moet ik in die tijd contact met Myles hebben gehad, maar ik kan me daar niets meer van herinneren.

MELK

Ik vloog naar New York
en het seizoen
wisselde
een enorm gebrom
iets van hitte bewoog
door de stad
die ik zo goed
kende. Aan
boord was het echter
wit en stormachtig
grauw
Ik zag de zon
& herinnerde me de waarschuwing
in de keuken
godver
waar me werd
verteld dat mijn was
smelten zou
geen van mijn vrienden
verbleef in de wolken
waar is de angst
vroeg ik de
Zon. De vogels
zijn daarginds
in hun verspreid
getjilp. De mensen
in New York
zijn als een kleine ploeg
geketende dwangarbeiders
verbonden
in het kennen
en redden
van elkaar. De
ochtendtrucks
grommen. Oh

red me van
het kennen van mezelf
alleen vanbinnen
smelt ik