De tien boeken die ik dit jaar het meest waardeerde

Boek uit (4)

Tien van de 86 boeken die ik, tot nu toe, in 2016 las, gaf ik de maximale score van vijf sterren. Dit zijn ze, in de volgorde waarin ik ze spelde:

IMG_1107.JPG

Parse, Craig Dworkin

‘Een beproeving van het uithoudingsvermogen.’ Lees verder.

Voices from Chernobyl: The Oral History of a Nuclear Disaster, Svetlana Alexievich

‘Emotioneel gezien wordt dit boek me telkens te veel.’ Lees verder.

On the Move: A Life, Oliver Sacks

‘Sinds ik Sacks voor het eerst zag in de VPRO-serie Een schitterend ongeluk (1993), is deze zachtaardige, erudiete man nooit uit mijn herinnering verdwenen.’ Lees verder.

Sauseschritt, Martijn Benders

‘Ik heb om Sauseschritt gelachen en gehuild, de bundel in de hoek gesmeten en al kussend onder mijn kussen gelegd; Sauseschritt is Benders op z’n best.’ Lees verder.

The Oppens Remembered: Poetics, Politics, and Friendship, Rachel Blau DuPlessis

‘George Oppen wilde eerst leven, om daarna uit eigen ervaring over de betekenis van het leven te kunnen schrijven.’

George Oppen and the Fate of Modernism, Peter Nicholls

‘In Nicholls’ boek lees ik voor het eerst, en ik heb intussen veel van en over Oppen gelezen, iets over de aanleiding die Oppen weer tot de poëzie bracht.’ Lees verder.

Penelope: Een gedicht, Wolfram Swets

‘Deze tekstuele installatie, die kan worden gerekend tot de conceptuele kunst, barst van het zelfvertrouwen en steekt het werk van literaire prominenten als Goldsmith en Dworkin naar de kroon.’ Lees verder.

Nieuwe vensters op de werkelijkheid: Contouren van een natuurfilosofie in ontwikkeling, Koo van der Wal

‘Dit boek zou een bestseller moeten zijn en op het nachtkastje van iedere politicus moeten liggen.’ Lees verder.

Het verlangen naar klapekster, Koos van Zomeren

‘Van Zomeren heeft van zijn wandelervaringen een boek gemaakt, waarin het verlangen naar de verwezenlijking van een doel – in dit geval de waarneming van een vrij zeldzaam vogeltje – expressief is vormgegeven.’ Lees verder.

533: Een dagenboek, Cees Nooteboom

‘Ouder worden, kleiner worden, langzaam uitdoven, zo stelt Nooteboom ons zijn laatste jaren voor.’ Lees verder.

My Year in Books: voor de complete lijst en alle verdere details.

Leentjebuur?

Over gedichten van Craig Dworkin en K. Schippers

Dichters lezen, leren en lenen soms van elkaar. Hoewel Craig Dworkin en K. Schippers ieder een gedicht schreven, waaraan een identiek concept ten grondslag ligt, is hier toch hoogstwaarschijnlijk geen leentjebuur gespeeld.

2a

In 2008 bracht de Amerikaan Dworkin (1969) het bijna driehonderd bladzijden lange gedicht Parse uit. Het is een transcriptie van een Engels boek uit 1875, waarin wordt uitgelegd hoe je moet ontleden: How to Parse: An Attempt to Apply the Principles of Scholarship to English Grammar van Edwin A. Abbott. Dworkin ontleedde Abbotts tekst en zette alle woorden over in hun woordsoorten. Een willekeurige bladzijde uit Dworkins Parse ziet er dan als volgt uit:

2b

Dworkin heeft met Parse een conceptueel gedicht geschreven: het idee erachter is belangrijker dan het werk zelf. Geen zinnig mens leest dit dikke boek uit, je bladert er hooguit wat in. Maar het concept vind ik fascinerend. Elke tekst, geschreven of gesproken, kan worden ontleed en in woordsoorten worden overgezet, en elke overzetting zal telkens weer een uniek resultaat opleveren. Parse maakt deze mogelijkheid zichtbaar, tastbaar eigenlijk. Bovendien heb ik bewondering voor Dworkins uithoudingsvermogen: de vervaardiging van deze bijna driehonderd bladzijden tellende transcriptie moet monnikenwerk zijn geweest.

Ik ben een liefhebber van het werk van K. Schippers (1936) en schafte onlangs bij een antiquariaat Een klok en profil aan, zijn tweede poëziebundel die in 1965 bij Querido verscheen. Tot mijn verrassing trof ik daar een gedicht aan, waaraan hetzelfde concept ten grondslag ligt als aan Dworkins Parse. Het heet ‘Bep. hoofdtelw. zelfst. nw. (meerv. abstract)’:

2c

‘Bep. hoofdtelw. zelfst. nw. (meerv. abstract)’ is een transcriptie van het korte gedicht ‘Twee gezegdes’ uit Schippers’ eerste bundel De waarheid als De koe, dat als volgt luidt: ‘Na regen komt zonneschijn // Beter een vogel in de hand dan tien in de lucht’.

Twee gedichten, waaraan een identiek concept ten grondslag ligt. Dichters lezen, leren en lenen soms van elkaar. Toen Schippers zijn gedicht uitbracht, was Dworkin nog niet geboren. Schippers heeft het concept niet van Dworkin kunnen lenen. Omgekeerd zou wel het geval kunnen zijn. Maar ik heb nergens aanwijzingen gevonden dat Dworkin Schippers’ werk kent, en acht het dan ook waarschijnlijker dat hier twee experimentele dichters onafhankelijk van elkaar op hetzelfde idee zijn gekomen.

Overigens heeft Schippers zich bij de uitvoering van het idee beduidend minder hoeven inspannen dan Dworkin: drie regels versus honderden bladzijden die moesten worden overgezet, drie regels die Schippers bovendien niet zelf ontleedde, maar liet ontleden door Rob Nieuwenhuys, waar Dworkin al het werk zelf verzette. Als dank droeg Schippers zijn gedicht aan Nieuwenhuys op.

Parse, Craig Dworkin, Atelos, 2008, via amazon.com
Een klok en profil, K. Schippers, Querido, 1965, via boekwinkeltjes.nl

Readymades & kledinglabels

‘Only now, in its flexibility, the readymade may be falling apart at the seams.’ – T’ai Smith

In haar essay ‘Ready-made shirts, ready-made readings’ concludeert T’ai Smith dat Craig Dworkin and Kenneth Goldsmith de readymade tot ‘überconcept’ hebben verkozen van de ‘onderneming die zij conceptueel schrijven hebben genoemd.’ Maar daar waar Dworkin en Goldsmith Marcel Duchamp als grondlegger van de readymade aanwijzen, stelt Smith voor om historisch gezien nog een stap verder terug te gaan en ook de herkomst van de term ‘readymade’ in beschouwing te nemen.

Duchamp, betoogt Smith, leende of stal het woord ‘ready-made’ van een label in een kledingstuk van Amerikaans fabricaat. In de tweede helft van de 19e eeuw was de voor het individu op maat gemaakte kleding langzaamaan vervangen door voor massaconsumptie geproduceerd goed en het winkelen vervallen tot het kiezen tussen kant-en-klare artikelen.

Maar Duchamp eigende zich niet alleen kapitalistische eindproducten als readymades toe, maar liet ook regelmatig het fabricageproces zelf – de reeks instructies die moet leiden tot het eindproduct – deel van zijn kunstwerken uitmaken. Als voorbeeld hiervan haalt Smith Duchamps ‘3 Standard Stoppages’ aan (zie video).

Zo stond voor Duchamp de readymade model voor een kapitalistisch systeem waartoe niet alleen het kant-en-klare artikel behoorde, maar ook de productiewijze en het verkoopapparaat. Hij gebruikte dat systeem als blauwdruk voor een nieuwe modus operandi van de kunstpraktijk.

Maar, redeneert Smith, met de komst en verdere ontwikkeling van de informatietechnologie, die de consumptie inmiddels tot op individueel niveau kan monitoren en optimaliseren en de personalisatie van producten en diensten steeds sterker bevordert, is het traditionele kapitalistische fabricageproces, wat leidt tot gestandaardiseerde handelswaar, alsmaar minder relevant geworden. Ze vraagt zich tot slot af wat deze flexibilisering van zowel fabricageproces als eindproduct voor de readymade als kunstvorm, ook met betrekking tot conceptueel schrijven, zou kunnen betekenen, maar waagt zich niet aan een verstaanbaar antwoord. De verdienste van Smiths essay is dan ook de historische verdiepingsslag.

Ready-made shirts, ready-made readings‘, T’ai Smith, Jacket2, 2016.

Eerdere blogposts van mijn hand over conceptueel schrijven: ‘En alles werd conceptueel‘ & ‘Nuttige kritiek‘.

Een gebaar van radicale reductie

Jacques Cégeste is een personage in Jean Cocteau’s film Orphée uit 1950. In de openingsscène wordt hij als volgt geïntroduceerd:

‘Wie is die onvriendelijke jonge dronkenlap die niet vies van luxe lijkt te zijn?’

‘Dat is Jacques Cégeste. Een dichter. Achttien pas en iedereen is dol op ‘m.’

Even later wordt het periodiek getoond waarin Cégeste’s eerste gedichten zijn verschenen.

‘Maar elke pagina is leeg!’

‘Het heet Nudisme.’

‘Absurd.’

‘Minder absurd dan wanneer het vol absurdistische schrijfsels had gestaan. Geen enkel exces is absurd.’

Een leeg periodiek dat Nudisme heet. Een conceptueel geschrift, dus. En dat al in 1950. Cocteau was zijn tijd vooruit. In zijn boek No Medium noemt Craig Dworkin de verwerping van het periodiek een ‘typische reactie’ van een establishment dat ‘niet genegen is om een gebaar van radicale reductie in zich op te nemen.’ Je kunt het subiet afdoen als een grap, zegt Dworkin, of er wat langer bij stilstaan.

De titel stuurt hier de interpretatie: ‘Nudisme’ suggereert eerder een onthulling dan een ontkenning, waardoor de lege pagina’s iets aan het licht zouden moeten brengen en geen product van een verloochening zijn. Ontdaan van alle zichtbare, gedrukte taal wordt de gesteldheid van de pagina zelf blootgelegd: ‘als een object; het drukvlak; de karakteristieke technologische ondersteuning van poëzie halverwege de vorige eeuw. […] De lezer van Nudisme heeft vrij uitzicht op de onverschillige ruimte, die gereed is om de afdruk van elke tekst te doorstaan, met welk onderwerp of politiek idee dan ook, in een willekeurige poëtische vorm of stijl, van de meest excessieve avant-gardistische mystificatie tot de meest oubollige alexandrijnen.’

Zonder tekst wordt het periodiek een object op zichzelf, betoogt Dworkin, met zijn eigen materiële eigenschappen, geschiedenis en betekenispotentieel. Weglatingen kunnen onthullend zijn, ervoor zorgdragen dat andere elementen opduiken, die eerder niet of nauwelijks zichtbaar waren.

Nudisme was niet meer dan een attribuut in Cocteau’s drama, maar de Amerikaanse ontwerpers Jason Fulford en Tamara Shopsin hebben het later gereproduceerd en als een notitieboekje op de markt gebracht, dat nog altijd te koop is.

No Medium, Craig Dworkin, The MIT Press, 2015

Monnikenwerk

In 2004-2005 herschrijft de Amerikaanse dichter en literatuurwetenschapper Craig Dworkin op een bijzondere wijze een ouder Engels boek over ontleden, How to Parse: An Attempt to Apply the Principles of Scholarschip to English Grammar, Edwin A. Abbott, 1875. Dworkin geeft dit boek een koekje van eigen deeg door het bladzijde voor bladzijde in zinsdelen te ontbinden, wat het volgende resultaat oplevert (een willekeurige paragraaf uit Dworkins Parse, Atelos, 2008):

‘Locative Preposition indefinite article Active Participle Used As An Adjective Prepositional Object comma latin abbreviation period latin abbreviation period dash’

Wat bezielt Dworkin? Wat wil hij met dit werk, dat overduidelijk een conceptueel karakter heeft? Wie de moeite neemt om Dworkins bijna driehonderd bladzijden dikke Parse werkelijk door te nemen, komt halverwege het boek tussen alle taalkundige termen plotseling de volgende vraag tegen:

‘Lo what shall a man in these days now write?’

Deze vraag komt ook in het oorspronkelijk werk uit 1875 voor en is door Dworkin ‘onvertaald’ in zijn eigen boek overgenomen. In het oorspronkelijke werk maakt de vraag deel uit van een oefening, maar in de context van Dworkins boek krijgt hij andere betekenissen mee: als één van de vraagstellingen die aan Parse ten grondslag liggen, en als uiting van de verveling die Dworkin bij het maken van dit werk steeds weer overvalt.

In 2011 verschijnt Against Expression: An Anthology of Conceptual Writing (Northwestern University Press), onder redactie van Dworkin en Kenneth Goldsmith. In zijn voorwoord geeft Dworkin aan wat de gebloemleesde conceptuele werken, waaronder Parse, verbindt. Het is tegelijk zijn antwoord op wat, in theoretische zin, vandaag de dag zou kunnen worden geschreven:

‘Above all, the works presented here share a tendency to use found language in ways that go beyond modernist quotation or postmodern citation. The great brake with even the most artificial, ironic, or asemantic work of other avant-gardes is the realization that one does not need to generate new material to be a poet: the intelligent organization or reframing of already extant text is enough. Through the repurposing or détournement of language that is not their own (whatever that might mean), the writers here allow arbitrary rules to determine the chance and unpredictable disposition of that language; they let artificial systems trump organic forms; and they replace making with choosing, fabrication with arrangement, and production with transcription. In these ways, previously written language comes to be seen and understood in a new light, and so both the anthology as a whole—with its argument for the importance of the institutions within which a text is presented—and the works it contains are congruent: context, for both, is everything. The circumstance, as the adage has it, alters the case.’

Parse is een schoolvoorbeeld van een transcriptie, waarbij een oude tekst wordt overgezet in een nieuwe. Bij die overzetting gebeurt er met Dworkin echter iets, waar hij op voorhand mogelijk geen rekening mee heeft gehouden: de verveling slaat toe. Wat ik me heel goed kan voorstellen. Ga er maar aan staan: een boek van bijna vierhonderd bladzijden volledig ontleden! Wat ook een beproeving van het uithoudingsvermogen is. Om de verveling draaglijker te maken, neemt Dworkin steeds vaker ‘onvertaalde’ regels tussen de taalkundige termen op, die in de nieuwe context van Parse commentaren worden op het schrijven in het algemeen en van dit werk in het bijzonder. Dat hij lijdt, is duidelijk:

‘Hence the form of the Verb, is wounded, is called the Passive (i.e. “suffering”).’

‘In other words, a Passive Particle, e.g. “shot,” may stand for “being shot'” or, “having been shot.”‘

‘e.g. “being on the point of death,” “being about to die” (where “to die” must be regarded as the Object of “about”).’

Naarmate Dworkin vordert, duiken er ook oordelen over het oorspronkelijke werk op – ‘in a pedantically impatient shorthand’ – en tegen het einde wordt het steeds duidelijker dat hij de uitputting nabij is:

‘Preparatory Subject Already Intimating The Exhausted Author Be Exempted From The Task Of Further Arduous Labor modal auxiliary of further exculpatory sequestering transitive verb of a hedging distance now so far slipped from the true subject that the alibied author cannot but be excused for being too enervated to carry out yet another full analysis straw of adverbial vertebral catastrophic dromedarian failure preposition of the infinitive verb of half-heartedly wrist-flicked broad-brushed action preposition em dash’

Niet lang hierna stopt Dworkin met de transcriptie. Hij is halfweg het oorspronkelijke werk, Parse zelf beslaat dan bijna driehonderd bladzijden. Een computer (onleedsoftware bestaat intussen) had de taak moeiteloos volbracht. Dworkin koos echter voor handwerk. Gelukkig maar. Want dat bracht de menselijke ruis voort, die Parse nóg interessanter maakt.

Nuttige kritiek

In 2011 verscheen onder redactie van Craig Dworkin en Kenneth Goldsmith de bloemlezing Against Expression: An Anthology of Conceptual Writing bij Northwestern University Press. Het bijna zeshonderd bladzijden dikke boek werd door velen positief ontvangen:

‘Against Expression is a very exciting book.’ – Peli Grietzer, Los Angeles Review of Books

‘Is Against Expression worth reading? Absolutely. Few literary collections have left me so breathlessly excited.’ – Brian M. Reed op Project MUSE

‘Deze rijkdom maakt Against Expression tot een feest.’ – Samuel Vriezen op de Reactor

Op Goodreads waardeerden inmiddels zeventig mensen de bloemlezing met gemiddeld vier sterren. Maar nu is er dan ook scherpe kritiek: in een uitgebreide bespreking noemt Richard Kostelanetz Against Expression een ‘disaster’.

Schrijver/criticus Kostelanetz (1940) is ‘a passionate defender of the avant-garde’ en heeft verschillende bloemlezingen van innovatieve literatuur samengesteld. Hij zet in zijn bespreking van Against Expression regelmatig zijn eigen carrière in om zijn competentie op het gebied van de conceptuele kunst en daarmee zijn geloofwaardigheid te onderstrepen. Laat ik zijn bezwaren tegen de veelgeprezen bloemlezing op een rijtje zetten.

Kostelanetz’ eerste en voornaamste bezwaar is dat het kloeke boek nauwelijks conceptuele teksten bevat: ‘The principal problem with Against Expression is that while the title is accurate, the subtitle isn’t. Very little here could be called Conceptual by anybody who knew what he or she were talking about.’ Kostelanetz betoogt dat conceptuele kunst in oorsprong draait om het vorm geven aan afwezigheid, meer gewicht geeft aan het idee dan de uitvoering, suggereert in plaats van realiseert. Hij geeft verschillende voorbeelden van dergelijke teksten, waaronder Kenneth Burke’s ‘Project for a Poem on Roosevelt’, dat zich beperkt tot aantekeningen voor een gedicht dat nooit is voltooid.

Volgens Kostelanetz is een deel van de verzamelde teksten in Against Expression geen conceptuele kunst maar ‘Appropriation Art’ (Ap Art) – toe-eigeningskunst: het kopiëren/hergebruiken van andermans werk – een begrip dat eind jaren 70 zijn intrede deed in de wereld van de beeldende kunst, maar daarbuiten niet of nauwelijks is gebezigd. Dworkin en Goldsmith hannesen maar wat, volgens Kostelanetz, en dat zit hem goed dwars:

‘Also consider that whereas Minimal arts and then Conceptual Art represented developments within high modernism, Ap Art arrives as a species of Postmodernism, which was then and is still now wholly something else–an inferior tradition in my considered opinion that depends upon opposition to Modernism. Confusing the two is to the cognoscenti the equivalent of today confusing, say, Language Poetry with Ap Poetry. This editorial dithering between contrary esthetics is one way to account for why very little here approaches the radical resonance of Cage’s 4’33’. Indeed, perhaps D&G don’t know what truly Conceptual Writing can be–indeed, wouldn’t recognize a masterpiece of the genre if it struck them on their heads.’

Vervolgens vraagt Kostelanetz zich af welke keuzegronden Dworkin en Goldsmith eigenlijk hebben gebruikt bij het selecteren van Conceptual Writing/Ap Art, geeft enkele voorbeelden van Conceptual Writing/Ap Art teksten die volgens hem onterecht in de bloemlezing ontbreken en herclassificeert en passant twee wel opgenomen bijdragen van Conceptual Writing/Ap Art tot ‘self-documentation’, waaronder Goldsmiths eigen ‘Soliloquy’. Op dit punt, op twee derde van zijn bespreking, is het reeds overduidelijk dat Kostelanetz alle vertrouwen in de redactionele capaciteiten van Dworkin en Goldsmith heeft verloren:

’[T]his book demonstrates a point I’ve made before–that composing a strong anthology requires more thought and, yes, experience than some beginners think.’

In wat nog volgt dikt Kostelanetz zijn standpunt aan met minder relevante zaken. Zo beticht hij Dworkin van het ‘stelen’ van andermans idee (gebruik ervan zonder bronvermelding) en valt over enkele spelfouten die in de bloemlezing zijn gemaakt. De paragrafen waarin hij zijn teleurstelling uitspreekt over het feit dat hij voor deze bloemlezing niet door Dworkin en Goldsmith is geraadpleegd, had hij beter kunnen weglaten. Wat niet wegneemt dat ik Kostelanetz kritiek nuttig vind; het biedt aanknopingspunten om de samenhang tussen conceptuele teksten en aanverwante vormen verder te verduidelijken en het gesprek erover te vergemakkelijken. Deze recensie heeft me meer inzicht gegeven in de klus – een Nederlandstalige bloemlezing op dit gebied – die Uitgeverij Stanza in de komende jaren wil klaren.

What was ‘Conceptual Writing’?, Richard Kostelanetz, Journal of Poetics Research.

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-10-2015, op ollauogalanestas.tumblr.com.)

Please prove you’re not a robot

m25

Op 2 februari 2008 werd op 8]q21p\*df!un86> – ‘a blog written by a machine in its own language’ – het eerste onleesbare bericht geplaatst. Ruim zes jaar later komen er nog altijd vrijwel dagelijks berichten bij. Het totale aantal bedraagt intussen meer dan tweeduizend. In een FB commentaar verwijst de Mexicaanse kunstenaar en programmeur Eugenio Tisselli Vélez naar dit blog. Mogelijk is hij ook de bedenker ervan. Het bericht van 21 september jl. luidt als volgt:

1411279241

¬)ø¡Œ”%º‚t›^§·ç›2?O˜f©is©·€»Ô’gþŠ &lsqauo;/F¡¤â Kš35Âr„ZØ-ÃL×{Ì’P]úNèÚ3 ¨×¨#8VÒúÈVU¡„

posted by machine at 08:00 no comments:

Op een of andere wijze vind ik de vraag of dit gestaag groeiend, verder woekerend blog ook als een kunstwerk kan of zou moeten worden gezien, ongepast, zinloos haast. Misschien wel omdat dit ding niet naar publiek lijkt te talen, hoogst zelden als zoekresultaat zal worden opgehoest, eigenlijk onvindbaar wil blijven. Zou het enig in zijn soort zijn? Hoe vogel ik dat uit?

8]q21p\*df!un86> valt wel binnen Craig Dworkins definitie van ‘uncreative writing’ (in zijn voorwoord van Against Expression: An Anthology of Conceptual Writing): ‘more graphic than semantic, more a physically event than a disembodied or transparent medium for referential communication, [a work] fundamentally opposed to ideologies of expression.’ Schrijven dus, dat louter naar zichzelf refereert.

Dit in zichzelf gekeerde blog is van geen enkel gebruik, is een demonstratie van nutteloosheid die glans krijgt in haar uiterlijke kenmerken, details. Bij nadere bestudering valt op dat de berichten de laatste jaren steeds op hetzelfde tijdstip zijn geplaatst, om 08:00 uur. Ook blijkt het blog niet helemaal onleesbaar; naast de machinetaal wordt het Engels gebezigd. Het profiel onthult dat ‘machine’ ook nog korte tijd twee andere blogs heeft bijgehouden, waarvan er eentje Spaans als voertaal kent. Als je op 8]q21p\*df!un86> op een bericht wil reageren, dien je te bewijzen dat je een mens bent:

Please prove you’re not a robot / Type the text:

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-09-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Ontleden

In Parse (wat ‘ontleden’ betekent) (Atelos, 2008) transcribeert Graig Dworkin Edwin A. Abbots How to Parse: An Attempt to Apply the Principles of Scholarship to English Grammar (1874) in zijn eigen syntaxis en dat klinkt honderden pagina’s lang zo:

Plural Adjective adjective plural noun genitive preposition Plural Noun present tense plural intransitive auxiliary verb adverb of negation present tense transitive verb indefinite article Adjective Noun period

Af en toe heeft Dworkin genoeg van zijn afstompende taak en levert in plaats van een transcriptie commentaar:

‘Lo what shall a man in these days now write’ adds the puzzled printer.

Uitgeverij Atelos wil uitdagende teksten publiceren die bij de lezer de vraag oproepen: Wat telt vandaag de dag nog als poëzie? Telt Graig Dworkins Parse als poëzie? Als je deze vraag met ‘nee’ beantwoordt, dan moet je je bij jezelf afvragen of je de aard en de functie van de kunst op dit ogenblik wel doorhebt.

(Dit bericht verscheen eerder, op 07-10-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

En alles werd conceptueel

‘En alles werd conceptueel,’ zei Duchamp, ‘dat wil zeggen, het hing van andere dingen af dan het netvlies.’ In hun bloemlezing Against Expression – An Anthology of Conceptual Writing (Northwestern University Press, 2011) voegen de samenstellers Craig Dworkin en Kenneth Goldsmith daar aan toe dat conceptuele kunst informatie biedt – informatie over informatie – in plaats van compositie, gebaar en materiaal. Conceptuele kunstenaars zijn vooral geïnteresseerd in de kunstmatigheid en niet in de veronderstelde betekenis van ruwe informatie. Bij conceptuele kunst gaat het intellectuele voor het visuele, idee voor representatie en spel voor ambacht.

Het klinkt mooi, maar ook vergezocht. Zucht naar classificatie. Verbijzondering. Welk kunstwerk, conceptueel of niet, biedt géén informatie, hoe miniem dan ook? En bij alle werken in de bloemlezing spelen compositie, gebaar en materiaal een rol. Dat er regelmatig inhoudelijk geen touw aan vast te knopen is, is waar. Idee gaat dan voor representatie. Desalniettemin vind ik Against Expression een boeiende bloemlezing. Het geeft een indruk van werk van kunstenaars die hun creativiteit vooral aanwenden voor het ontwerpen van een methodiek – regels, parameters – die vervolgens het kunstwerk genereert, het liefst met zo min mogelijk interventies door de kunstenaar zelf.

De bloemlezing opent met enkele pagina’s uit Soldatmarkedet van de Noorse dichter Monica Aasprong, een nog altijd onvoltooid werk dat intussen duizenden automatisch gegenereerde pagina’s beslaat en visuele gedichten omvat die zijn samengesteld uit allerlei combinaties van letters uit het woord Soldatmarkedet (Noorse benaming voor de bekende Gendarmenmarkt te Berlijn). Op haar website valt over dit werk het volgende te lezen:

Soldatmarkedet, Soldiers’ Market, is a textwork in different parts. Fragments have been published in literary journals, in books, and have been presented by readings and exhibitions. The project started in 2003, and essential to the work is the title itself, to approach different possible meanings of this specific word.’

Tja. En wat nu? Wat zeggen deze gedichten nu precies over de ‘verschillende mogelijke betekenissen’ van het woord Soldatmarkedet? Dat het voldoende letters bevat om een schier oneindig aantal verschillende lettercombinaties te genereren? Volgens het commentaar van Dworkin en Goldsmith zouden de gedichten de historie van het plein reflecteren. Maar hoe dan? Alleen als ik er betekenis aan geef. Bijvoorbeeld door me voor te houden dat elke letter een persoon representeert die ooit over dat plein heeft gewandeld. Maar dan haal ik er toch iets van verre bij. Ik zie louter taal die volledig in zichzelf is gekeerd. En een auteur die grenzen verkent van wat kan worden geproduceerd. Vanuit dit perspectief zou je het werk kunnen lezen als een commentaar op onze kapitalistische overproductie, maar veel voldoening geeft me deze interpretatie niet. Misschien wil Aasprong juist wel dat ik me opwind over haar werk, over het feit dat ik er niet in slaag het uit te leggen. Misschien maakt mijn misnoegen wel deel uit van haar strategie. Ik moet me maar neerleggen bij mijn onvermogen tot deugdelijke duiding, aanvaarden dat er zaken zijn in deze wereld die er, althans voor mij, niet toe schijnen te doen.

En dan toch: Soldatmarkedet lijkt me vooral een nutteloos ding. Een element van een verzameling. Een verzameling nutteloze conceptuele gedichten. En je af en toe wentelen in nutteloosheid is fucking gezond. Ik houd daar wel van. Dat dan weer wel.

(Dit bericht verscheen eerder, op 10-08-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Specialisatie binnen het poëzieveld

‘Simpelweg: niemand weet wat er gaande is,’ zegt Craig Dworkin in The Consequence of Innovation: 21st Century Poetics (Roof Books, 2008). ‘Er zijn geen experts in hedendaagse poëzie, er is geen mens met een volledig overzicht over het poëzieveld of het scala van huidige trends daarin.’ Hij komt tot deze conclusie op basis van het aantal poëziepublicaties dat momenteel jaarlijks op de Amerikaanse markt verschijnt, geschat tussen de vijf en tienduizend, en dan nog alle online publicaties, waarvan hij geen idee heeft hoeveel dat er zijn. Een implicatie hiervan is een gebrek aan consensus met betrekking tot kritiek, esthetische waarderingen, canonieke keuzes en zelfs de contouren van het veld: wat is (nog) poëzie en wat niet (meer)?

Dworkin vraagt zich vervolgens af of het gebruik van het paraplubegrip ‘poëzie’ in deze situatie nog wel toereikend is. Tevens betwijfelt hij of de momentane scholing op het gebied van de poëzie – nog altijd gericht op het totale veld, of wat daar in de verschillende opleidingen voor doorgaat – nog wel voldoet:

‘Surveys, broad synoptic claims, arguments based on norms, strong accounts of larger-scalehistorical change, and other modes of inquiry by individual readers based on comprehensive knowledge and global perspectives can no longer be maintained.’

Hij ziet twee alternatieven. Ten eerste: nog verder afstand nemen. Niet langer inzoomen op individuele bundels, maar trachten het veld in kaart te brengen en te modelleren. De focus bij deze benadering ligt niet op het produceren van nieuwe data, maar op nieuwe wijzen van toegankelijk maken, ordenen en tonen van reeds verzamelde data. Het tweede alternatief komt neer op het opbouwen van niche expertise, die bijvoorbeeld lokaal gericht kan zijn of op een specifieke categorie poëzie. Binnen het proza komen we dit al tegen, denk aan kenners van science fiction of thrillers:

‘Instead of being organized around common texts, discussions of poetry would have to cohere around a common interest in the critical arguments that can be made about poems, around a commitment to speak to the contemporary. […] The character of critical conversations thus transforms from more public to more private discourses, from continuous dialogue toward a series of discrete monologues, from the mode of debate toward the mode of manifesto.’

Interessante gedachten. Ook in Nederland en Vlaanderen is het aantal poëziepublicaties, zowel off- als online, de laatste jaren flink gestegen. Ook hier is het intussen vrijwel onmogelijk geworden om een totaaloverzicht te verkrijgen en te behouden. En het geharrewar over wat (goede) poëzie is en wat niet, is tegenwoordig niet van de lucht. Ik ga helemaal mee met Dworkin als hij zegt: ‘The dream of a common text has long been lost to poetry.’ Willen we in de toekomst ook nog zinnig over poëzie kunnen spreken, dan lijkt specialisatie op subterreinen binnen het poëzieveld noodzakelijk.

(Dit bericht verscheen eerder, op 20-02-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)