Instabiele poëzie die om alertheid vraagt

Zondagochtend. Ik laat alle ongelijkheid en klimaatperikelen even voor wat ze zijn. Op tv huppelt Mariah Carey in een oud filmpje door de sneeuw. In ons land schijnt het in de loop van de dag steeds meer te gaan regenen. Op een scheurkalender lees ik een geinig gedicht van Co Woudsma en bestel voor een grijpstuiver een tweedehands exemplaar van zijn bundel Geluksinstructies (2005). Dan is er koffie.

Als ik nog wat in Peter van Liers poëziebundels blader die ik de afgelopen weken gelezen heb, krijg ik opnieuw het idee dat ik in zijn gedichten regelmatig getuige lijk te zijn van het moment waarop we ons prikkels bewust worden, ze verwoorden, er samenhang in trachten aan te brengen; een moment waarop het met de betekenisgeving nog verschillende kanten op kan gaan. Dat levert instabiele poëzie op die om alertheid vraagt.

STADSLUCHT

I

Op een bankje

in het park, de zon al laag,

met honger die het denken verslapt:
een blik, opgeschrikt maar traag zich opwaarts richtend

van het gras tot
boven de bomen,

ziet het hart van de stad – zonder huizen, met amper wegen – niet

van mensen zijn, maar: overvliegend, in tientallen,
als honderdtal – wat brieft daar over,

100 procent kleurvast?

Vanmiddag bieren met Wolfram Swets en Nanne Nauta, toosten op onze samenwerking.

(Dit bericht verscheen eerder, op 14-12-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)