Als ik naar Schiphol moet, sta ik om 04:30 uur op: om files voor te zijn en bij tijds op m’n werk te verschijnen. Ik loop zo wel wat uren slaap per week mis. Waar je blijkbaar weer van alles van kunt krijgen: concentratiegebrek, lusteloosheid, geprikkeldheid, depressies, hartaanvallen, obesitas, kanker, alzheimer etc.

Lekker dan, dacht ik vanochtend in de auto en herinnerde me een quote die ik van de week las: ‘Tenzij je er heel bewust voor kiest om slapen tot een prioriteit te maken, ga je er namelijk niet voldoende van krijgen.’

Tja … En toen?

Toen volgde de ene gedachte de andere op. Waarom, dacht ik, vindt er in de VS al enkele jaren een heropleving van laatmodernistische dichters plaats (George Oppen, Charles Olson, James Schuyler, Cid Corman, Jack Spicer, Frank O’Hara etc.) en in Nederland niet? Ligt hier een (al dan niet academisch) cultuurverschil aan ten grondslag?

Toen ik me afvroeg welke Nederlandse laatmodernistische dichters weleens voor een heropleving in aanmerking zouden kunnen komen, kwam er geen enkele naam in me op.

Wat me irriteerde.

Toen ik probeerde om ‘laatmodernistische poëzie’ te definiëren, begon ik gevaarlijk te slingeren.

Wat me deed schrikken.

Waarna ik snelheid terugnam, mijn aandacht weer op de weg vestigde en vloekte.

Omarming en inkapseling

m21.png

Bij de volgende passage in een brief van Robert Creeley aan Cid Corman (april 1950) moest ik denken aan Piet Gerbrandy’s omarming en inkapseling ‘in genade’ van Martijn Benders deze week in De Groene; een institutionele cyclus:

‘Such a magazine [Poetry Review] must recognize that people like [William Carlos] Williams, etc., are too much of a force to be ignored; but, if by including them, they can seem to be concerned with the values these men represent, they are free of the battle of fighting overtly against these values, and can ‘by-pass’ and so get to their own concerns, without running too much of a risk.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 11-09-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)