Al bladerend door het laatste nummer van de Poëziekrant realiseer ik me dat er te midden van 24 miljoen Vlamingen en Nederlanders blijkbaar ruimte is voor één poëtisch vaktijdschrift voor het hele Nederlandstalige veld, inclusief buitenlandse poëzie in Nederlandse vertaling.

Magazines als Meander, Terras en Awater zijn aanvullende initiatieven die zich richten op een specifiek deel van het veld, respectievelijk aankomende auteurs, internationale poëzie en eigen parochie.

Overigens verschijnen er nergens zoveel recensies als in Meander, van bekende en minder bekende dichters. Voor een actueel overzicht van de hedendaagse Nederlandstalige poëzieproductie kun je op meandermagazine.net terecht.

In het colofon lees ik dat de Poëziekrant wordt uitgegeven met de steun van het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Stad Gent. Zonder kapitaalinbreng zou het ongetwijfeld verliederlijken tot een minder ambitieus periodiek. Vlaamse belastingplichtigen betalen de vervulling van een deel van mijn informatiebehoefte.

Daarnaast slaagt geen initiatief zonder organisatorisch vermogen. Iets waaraan het De Reactor en Oote Oote in aanvang ontbrak. Wat je dan nog nodig hebt zijn deskundigheid en bezielend leiderschap en voilà, je hebt een regelmatig verschijnend vaktijdschrift.

Het is al weer twaalf jaar geleden dat ik samen met Chrétien Breukers De Contrabas oprichtte. Voor een tientje per maand huurden we een weblog waarmee we een groot publiek wisten te bereiken. Lef en doorzettingsvermogen deden de rest. Maar het volhouden van liefdewerk oud papier is geen sinecure. Door gebrek aan voldoende kapitaal kon De Contrabas de continuïteit, variëteit en kwaliteit van haar berichtgeving niet blijven garanderen. Ik vertrok in 2010, Breukers zou het weblog nog tot 2015 voortzetten.

Ik heb goede herinneringen aan mijn tijd bij De Contrabas. We wilden de poëzie en haar gemeenschap van alle kanten belichten en bestaande structuren kritisch overwegen en slaagden daar, gezien de reacties, regelmatig in. Ook het rebelse karakter, mede ingegeven door de onafhankelijkheid van kapitaalinbreng, had een aandeel in het succes van het poëzieweblog. Ik houd wel van een beetje reuring.

Reuring … ik mis de laatste tijd een beetje reuring binnen de Nederlandstalige poëzie.

Warhoofds gekkenwerk, Alain Delmotte

Dagboek van een uitgever (1)

In het voorjaar van 2012 schreef ik Uitgeverij Stanza bij de Kamer van Koophandel in. Ik wilde poëzie uitgeven, bundels waar ik achter stond, met als enig criterium: mijn eigen smaak. Nu is die breder dan de experimentele verzen die ik zelf schrijf, waardoor het fonds zich niet louter tot deze soort poëzie beperkt. Sinds 2012 zijn er bundels verschenen van uiteenlopende dichters als Frank Keizer, Mark van der Schaaf, Bart FM Droog, Jan Pollet, Chrétien Breukers, Sophia Le Fraga, Nanne Nauta, Martijn Benders, Olaf Risee, Lammert Voos, Sven Staelens, Çağlar Köseoğlu, Gert de Jager, Benne van der Velde, Sacha Blé, Peter van Galen, Estelle Boelsma, Charles Bernstein, Luc Fierens en Martin Knaapen.

Jaarlijks brengt Stanza circa zes bundels uit. De omzet is gestaag gestegen naar vier- á vijfduizend euro per jaar. Als eenmanszaak zit Stanza hiermee aan haar plafond.

Regelmatig ontvangt Stanza manuscripten van bekende en onbekende auteurs. Ik lees ze allemaal. Soms zit daar iets verfrissends tussen. Over de tekst die de Belgische auteur Alain Delmotte me begin februari van dit jaar toestuurde, hoefde ik niet lang na te denken:

‘Hoi Alain,

Top! Dit geef ik graag uit. Ik heb gelachen en gehuild. Ik zit voor dit jaar al wel helemaal vol. Ik zou de publicatie willen inplannen voor het eerste kwartaal 2017. Schikt dat?

Groet, Ton’

Ik kende Alain nog uit mijn periode bij Uitgeverij De Contrabas, die twee bundels van hem publiceerde. Een eigenzinnig dichter, die zich graag van prozapoëzie bedient. Wat ik in handen had, was een volledig uitgewerkte tekst die zo kon worden gedrukt. Een geschenk voor elke uitgever.

De afgelopen maanden hebben we intensief aan de vormgeving gewerkt. Alain had daar goede ideeën over. De proefdruk is binnen. Ik ben zeer tevreden over het resultaat.

img_1089
De proefdruk. Het schilderij op de omslag is van Lucas Devriendt. Johan Duyck verzorgde de vormgeving van de omslag.
Warhoofd is een taalfiguur met een allegorisch karakter, die ook al in vorige bundels van Alain te vinden is, maar ditmaal de hoofdrol heeft. Warhoofd is een geboren loser. Alain beschouwt hem niet als een alter ego. ‘Iedereen is een loser, existentieel gesproken. En dus zou iedereen zich in Warhoofd moeten herkennen.’ Een fragment uit de bundel:

Stoten onder de gordel: voor geen geld in de wereld zou hij die willen missen.

Blunders, flaters, zijn mond voorbijpraten, ondoordachte uitlatingen: allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.

Voor de voeten worden gelopen, is hem een niet te verwoorden zaligheid: hij tekent ervoor.

Noodlot houdt hem bezig. De worp, de gril, de meewarige lol trekt hem daarin aan.

Langs de weg die hij gaat, trapt hij in elke drol. Hij vermoedt dat het de zijne zijn.

Dankbaar is hij voor elke tegenslag en voor wie hem gretig kan manipuleren.

Warhoofds gekkenwerk zal op 25 februari 2017 in de openbare bibliotheek van Harelbeke worden gepresenteerd.

Mijn poëzie

De wind was me gedienstig van de week (we waren een weekje op vakantie in Giethoorn): voor het varen én voor de finalisering van het lange titelgedicht van mijn nieuwe chapbook dat begin volgend jaar zal verschijnen. ‘Mijn poëzie’ is qua idee dat er aan ten grondslag ligt een navolging van David Bromige’s gedicht ‘My Poetry’ (uit My Poetry, The Figures, 1980). Beide gedichten zijn een collage, waarbij knipsels uit recensies van het eigen werk aan elkaar zijn geplakt. In mijn geval gaat het om kritieken van Chrétien Breukers, Jeroen Dera, Hans Groenewegen, Laurens Ham, Frank Keizer, Erik Lindner, Joep van Ruiten, Mark van der Schaaf, Carl de Strycker en Samuel Vriezen. De eerste strofe van mijn prozagedicht luidt als volgt:

‘Mijn poëzie is bij elkaar geveegd in een omslag. Ik heb mijn naam erop gezet, het een boek genoemd en mijzelf auteur. Zo eenvoudig is dat. Hoewel wisselvallig en niet altijd even samenhangend, is mijn werk ambitieus, uniek en relevant voor de hedendaagse ontwikkeling van poëzie. Breed opgevat gaat het me om het verlies van de relatie tussen woord en leven, dat een keten van lege woorden voortbrengt. Het is tijd om het prestige dat taal in onze cultuur geniet te verwerpen. Mijn poëzie is conceptueel, lijkt lastig of zelfs onleesbaar, wat mede voortkomt uit een radicale drang om álles te tonen. En soms is er lyriek, een persoonlijke lyriek, even geen afstand meer tussen persoon en dichter, momenten waarop ik me laat gaan en lezers probeer te raken.’

Ik ga a.s. zondag naar de ‘book launch’ van Rob Halperns Rampensuites, vertaald door Frank Keizer & Samuel Vriezen en uitgegeven door Perdu. De presentatie vindt plaats tijdens de eerste editie van het Read My World Festival, dat speciale aandacht heeft ‘voor journalistiek, literatuur en alles daartussenin.’ Halpern is een ‘coming man’ binnen de Amerikaanse poëzie en zijn Disaster Suites een spektakelstuk. Ik ben benieuwd naar de Nederlandse vertaling ervan. Het festival wordt georganiseerd door een jongere generatie met oog voor wat er op politiek en literair gebied zowel binnen als buiten onze landsgrenzen afspeelt.

Iemand die ook interesse toont in de hem omringende politieke & literaire wereld is H.C. ten Berge, al weer 74 jaar oud. Ter voorbereiding op het interview dat Olaf Risee en ik hem in oktober zullen afnemen, lees ik momenteel De honkvaste reiziger – Dagbladen, veldnotities I uit 1995 (is er ooit een deel II verschenen?). Ik geniet. Verplichte kost voor iedere poëzieliefhebber.

‘Telkens weer blijkt een van scheppingskracht verstoken leven nauwelijks de moeite waard.’

Zowel Read My World als H.C. ten Berge brengen me in contact met dichters van wie ik nog niet eerder had gehoord en die mijn horizon verbreden. Uit ontmoetingen die aan het toeval worden overgelaten groeit soms iets moois. Vanwege een terloopse opmerking van Ron Silliman schafte ik David Bromige’s My Poetry aan, voor $ 50 + verzendkosten. Daar heb ik geen spijt van.

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-09-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Utrecht, Abcoude-Noord

Van Baarn naar Hollandsche Rading gewandeld. Grauwfris. Moet onderweg weer lachen om wat ik in Steve McCaffery’s Seven Pages Missing – Volume One: Selected Texts 1969-1999 (Coach House Books, 2000) las:

The writer enters with a sign around his neck
that reads:

TAKE YOURSELF SERIOUSLY

there is a blank space where
the faces of the audience should be

In Utrecht deelde het gilde onlangs 2500 exemplaren voor nop uit van Het Utrechts Dichtersgilde gaat dwars door de stad (De Contrabas, 2013), in de hoop natuurlijk dat er meer publiek aan de poëtische zaak kan worden gebonden. Het blijkt een verleidelijk boekje te zijn, dat ik in de trein op weg naar Baarn las. Enkele gedichten springen in het oog, waaronder Chrétien Breukers ‘Een moeder, dat is bijna een sonnet’, dat verrukkelijk eindigt:

Heerlijk vat. Mystieke roos. Toren van David.
Ivoren toren. Gouden huis. Ark van het verbond.
Toevlucht van de zondaren. Troosteres van de bedroefden

Alhoewel er in het voorwoord staat dat er geen sprake is van een ‘gemeenschappelijke poëtica’ binnen het gilde, speelde ik tijdens mijn wandeling toch even met de gedachte aan een Utrechtse School, maar verwierp deze weer omdat niet iedere gildebroeder daar dan toe zou kunnen worden gerekend. Een school overigens die haaks zou staan op die van de Nieuwe Politieken, die hun thuisbasis in Abcoude-Noord schijnen te hebben.

Voorts nog wat gemengde gevoelens over m’n belastingaangifte en daling WOZ-waarde. Enfin, het is geloof ik tijd voor de lente.

(Dit bericht verscheen eerder, op 23-02-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Wat geen misse boel is

Ik zie het haastig heengaan van het poëziepubliek met ongeruste blik aan. Ben het met Chrétien Breukers eens dat een dichter zonder gehoor een ‘hogere vorm van autisme’ is. Wat geen misse boel is, als je dat verkiest, en het fiksen van mooie gedichten niet in de weg hoeft te staan, maar ik wil het niet.

Raakt de poëzie ons nog wel voldoende? Weet zij vandaag de dag de zintuigen nog genoegzaam te prikkelen? Op basis van de teruglopende belangstelling zou je kunnen concluderen van niet.

Komt het dan hier op neer: nieuwe vormen van zintuiglijk prikkelen uitvinden? Constructie geven aan iets wat nog niet bestaat?

Badiou geeft een koerslijn mee: vaar logisch, verrassend en afstandelijk.

(Dit bericht verscheen eerder, op 16-02-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Dat ik het gedicht nog meemaken mag

Onder het genot van een kop koffie lees ik Chrétien Breukers’ berichtenreeks ’De staat van de poëzie‘ op De Contrabas en vraag me af welke conclusies ík zou willen trekken uit de dalende verkoopcijfers. Even later stuit ik via de site van the Paris Review op de volgende regels van de Amerikaanse dichter Laurance Wieder uit (sic) 1972 (in het gedicht ‘Water Is The Mother Of Ice’ uit de bundel The Coronet Of Tours):

Improvements in poetry have not matched
Corresponding improvements in business

Kom er via Google vervolgens achter dat Wieder tegenwoordig vooral in psalmen zit. Psalmen. Dat lijkt me vandaag de dag, in Nederland in elk geval, nog eens tanende business. Mijn kinderen weten niet wat een psalm is. Ik ga croissants halen (mijn bakkertje in Amsterdam is op zondag open).

Als ik terug ben pak ik, chocoladecroissant in de mond, Miguel Declercqs bundel Boven water, die ik gisteren las, er nog eens bij. Achille van den Branden stoorde zich aan Declercqs narcisme, ik niet. Herlees nog eens de laatste gedichten waarin Declercq na een worsteling van jaren zijn schrijverspen hervindt. Speur naar het waarom van poëzie voor Declercq maar vind niets. Nou ja, dat hij wil schrijven dan, zich uitdrukken, in gedichten die als klappen zijn in het gezicht van deze tijd.

Als het gedicht niet méér is dan een vorm waar we ons in plegen uit te drukken, dan is er geen enkele reden om aan te nemen dat het op termijn niet verdwijnen zal, vervangen door een andere uitdrukkingsvorm, zoals de psalm aan het overkomen is, ooit onwrikbaar verbonden met een toen nog springlevend geloof, geloof ik.

Buiten schijnt de zon. We weten dat zelfs die ooit zal verdwijnen. Maar minder snel dan de boekenkast in het doorsneegezin. Ik ga straks wandelen. In een mooie witte wereld. Prijs me gelukkig dat ik het gedicht nog meemaken mag.

(Dit bericht verscheen eerder, op 10-02-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)