Als ik naar Schiphol moet, sta ik om 04:30 uur op: om files voor te zijn en bij tijds op m’n werk te verschijnen. Ik loop zo wel wat uren slaap per week mis. Waar je blijkbaar weer van alles van kunt krijgen: concentratiegebrek, lusteloosheid, geprikkeldheid, depressies, hartaanvallen, obesitas, kanker, alzheimer etc.

Lekker dan, dacht ik vanochtend in de auto en herinnerde me een quote die ik van de week las: ‘Tenzij je er heel bewust voor kiest om slapen tot een prioriteit te maken, ga je er namelijk niet voldoende van krijgen.’

Tja … En toen?

Toen volgde de ene gedachte de andere op. Waarom, dacht ik, vindt er in de VS al enkele jaren een heropleving van laatmodernistische dichters plaats (George Oppen, Charles Olson, James Schuyler, Cid Corman, Jack Spicer, Frank O’Hara etc.) en in Nederland niet? Ligt hier een (al dan niet academisch) cultuurverschil aan ten grondslag?

Toen ik me afvroeg welke Nederlandse laatmodernistische dichters weleens voor een heropleving in aanmerking zouden kunnen komen, kwam er geen enkele naam in me op.

Wat me irriteerde.

Toen ik probeerde om ‘laatmodernistische poëzie’ te definiëren, begon ik gevaarlijk te slingeren.

Wat me deed schrikken.

Waarna ik snelheid terugnam, mijn aandacht weer op de weg vestigde en vloekte.

Beeld is weten

5 januari. Vanochtend recensie-exemplaren ingepakt, een manuscript afgewezen, iets wat nooit went, en gewerkt aan de Le Fraga vertalingen. Boodschappen gedaan. ’s Middags naar de tentoonstelling Titanic: The Artifact Exhibition in het Amsterdam EXPO. Een overzicht van alles wat je eigenlijk al wel wist, maar nu opgeleukt met van de zeebodem geschraapte voorwerpen die met de Titanic mee zonken. Bij de uitgang een oppeppende tekst aan de muur: ‘We are all passengers on the Titanic.’ —Jack Foster, Irish philosopher

6 januari. Ik lees op Jacket2 een aardige definitie van poëtisch denken, afkomstig van Peter Minter: ‘een wakker koppie in ’t hart’.

7 januari. In de trein op en neer naar Den Haag een verhelderend essay van Creeley over Olson gelezen. Wat een reus van een dichter, die een leven lang nadacht over wat we met een leven zouden kunnen, moeten doen. En hij kwam tot de conclusie dat alles wat we kunnen voortbrengen is:

een reële wereld van waarde er
eentje construeren, van ritme tot
beeld, en beeld is weten, en
weten, zegt Confucius, voert iemand
naar het doel: niets is mogelijk zonder
het te doen. En daarin zit ‘m de uitdaging, ondanks
alle gedachten en alle verwarring die een voorstel
sticht. Of een zorgvuldige planning ervan of het van tevoren
leven.

(Dit bericht verscheen eerder, op 08-01-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

De wil tot verandering

Vanochtend eerst boekjaar 2013 afgesloten. En de aangifte omzetbelasting over het 4e kwartaal ingediend. Ook alle auteurs de jaarresultaten toegestuurd. De omzet van Stanza bedroeg in 2013 ruim € 3100, bijna een verdubbeling ten opzichte van 2012. Ik ben tevreden en streef in 2014 naar een lichte groei.

Daarna twee nieuwe bundels van Stanza in de etalage gezet: NU VERKRIJGBAAR! De essentiële Nanne Nauta en mijn eigen Mijn poëzie. Toch altijd weer een heuglijke gebeurtenis. Mijn 9e bundeltje alweer, en een bijzonder kind, mag ik wel zeggen. Experimenteel en geestig. Ruben Hofma schreef er al een recensie over: ‘Van ’t Hof is goed in jatten, maar een echte dief vind ik hem niet. Hij vertoont namelijk veel trekken van Robin Hood.’

Robert Creeley schreef verscheidene essays over Charles Olson (1910-1970), ‘a second generation American modernist poet’, die in tien jaar tijd zijn meesterwerk voltooide, The Maximus Poems, een episch gedicht van ruim 600 bladzijden lang, waarin zijn woonplaats toentertijd, Gloucester, MA, een belangrijke rol speelt. In een van die essays (‘Charles Olson: In Cold Hell, in Thicket’, 1953) poneert Creeley dat Olsons primaire preoccupatie ‘change’ – verandering – betreft. Hij haalt in dit verband de eerste regel van Olsons langere gedicht ‘The Kingfishers’ aan:

What does not change / is the will to change

‘Het is deze verandering,’ vervolgt Creeley, ‘en de kracht die het teweegbrengt, waarin zich de enig mogelijke “continuïteit” ophoudt.’ Ik zoek het gedicht op en lees het nog eens. Zo had ik nog nooit naar Olson gekeken, als dichter van de verandering. Ik ben altijd uitgegaan van de gangbare mening die hem toch vooral als troubadour van de historische plaatsruimte wegzet. Opvallend ook de volgende uitspraak van Creeley, in 1953 dus:

‘Such problems of change, and origin, are common to the American temper, but their occurence in American poetry has become less and less frequent.’

Ik heb geen idee of verandering ooit een hoofdthema in een Nederlandstalige poëziebundel is geweest. In mijn Oppen-project speelt het in elk geval een voorname rol. Ik overweeg om Olsons regel hierboven tot beginregel van het derde antwoordgedicht te maken.

Wat geen verandering ondergaat
is de wil tot verandering

(Dit bericht verscheen eerder, op 02-01-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Zich uitstrekken naar buiten toe

In Radical Affections (The University of Alabama Press, 2010) bespreekt Miriam Nichols zes dichters die in hun werk prospectief onderzoek verrichten: dit doen we (wij mensen) en dit zouden we (wij mensen) kunnen doen. Werkelijkheid versus mogelijkheid. Het onderzoek naar ‘wat we doen’ strekt zich niet alleen uit tot wat is, maar ook tot hoe het zo gekomen is, de oorzaken, menselijke drijfveren. En hoe meer grond in kaart wordt gebracht, hoe groter het potentieel aan mogelijkheden. Het is vervolgens aan de dichter om de mogelijkheden die in de verbeelding voorhanden zijn (‘dit zouden we kunnen doen’) te verruimen en te articuleren.

De zes dichters die worden besproken zijn Charles Olson, Robert Creeley, Robert Duncan, Jack Spicer, Robin Blaser en Susan Howe. Allemaal dichters die zijn geboren in de eerste helft van de vorige eeuw en na de Tweede Wereldoorlog nadrukkelijk worden geconfronteerd met de vraag hoe de mens zijn menselijkheid zou kunnen herwinnen. Zij zijn ervan overtuigd dat mogelijkheden daartoe moeten worden gezocht in particulariteit en niet universaliteit: ‘[W]hat we share is our particularity; persons, places, things, events make up the common rather than universals like “the people.”‘

En al deze dichters geloven dat we onze menselijkheid alleen maar kunnen herwinnen, onze ‘plek’ kunnen hervinden, als we vanuit onze particulariteit het ‘kosmische’, ‘heilige’ respecteren en vanuit die positie ons leven overwegen en aansluiting zoeken bij de ander.

Ik voel me verwant met deze poëtica en met de uitwerking ervan in verzen door vooral Olson en Spicer. Deze poëzie zal geen vrede stichten of tegenstellingen de wereld uit helpen, maar laat me de kracht van de verbeelding zien bij het zoeken en bewandelen van mijn weg in de wereld. Of die weg ook fundamenteel anders zou zijn geweest zonder poëzie? weet ik niet. Jack Spicer zou zich overigens rot hebben gelachen om al deze theoretische speculatie.

EEN RODE KRUIWAGEN

Stop even en kijk naar deze verdomde kruiwagen. Wat
Het ook is. Honden en krokodillen, uv-lampen. Niet
Vanwege hun betekenis.
Vanwege hun betekenis. Vanwege het mens-zijn
Ontsnappen je de tekens. Jij, niet erg snugger
Bent een signaal voor hen. Niet,
Bedoel ik, de honden en krokodillen, uv-lampen. Niet
Hun betekenis.

Jack Spicer
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 16-07-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

In doorsnijding van

Voor Alfred North Whitehead is de wereld één geheel en de werkelijkheid een opeenvolging van gebeurtenissen. Elke gebeurtenis omsluit alle voorafgaande gebeurtenissen en brengt in het geheel verandering aan, waarbij ervaring en creativiteit de sleutelmechanismen vormen. Alles staat in relatie tot elkaar. Whitehead wendt zich hiermee af van het cartesiaanse dualisme. Hij is een belangrijke filosoof voor Charles Olson.

EEN OPMERKING ACHTERAF OVER
BRIEF # 15

In het Engels werd de poëtica meubles – meubelair –
daarna (na 1630

& Descartes gaf de toon aan

tot Whitehead, die de smurrie opruimde
door het universum binnen te halen (in tegenstelling tot de mens alleen

& dat concept van de geschiedenis (niet dat van Herodotus,
wat een werkwoord was, om zelf uit te zoeken:
‘istorin, die iemands handelingen bestempelt tot een dat zoekt hij of zij zelf
maar uit, met andere woorden de traum herstelt: dat we ergens handelen

op zijn minst door inbeslagname, dat het doel (bijvoorbeeld Thucydides, of
de laatste mooiste taperecorder, of enige vorm van registratie ter plaatse

– live-uitzendingen of al wat – een leugen is

in tegenstelling tot wat we weten dat er gaande was, de droom: de droom
als het zelf doen met Whiteheads belangrijke gevolgtrekking: dat geen
voorval

niet is doordrongen, in doorsnijding van of botsing met, een eeuwige
gebeurtenis

De poëtica voor zo’n situatie
moet nog worden ontdekt

Charles Olson
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 07-07-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het anderszins door verbeelding

Charles Olson zoekt niet naar waarheid maar naar interactie van het individu met zijn omgeving in het hier en nu. In het moment van een gegeven situatie doen zich mogelijkheden voor tot handelen. Elke daad leidt tot een nieuwe, gewijzigde situatie. Maar de wereld legt ons wel beperkingen in ons handelen op. Niet alles is mogelijk. Een continent ligt waar het ligt.

Cruciaal is de grond waarop een individu een keuze maakt, tot actie overgaat. Olson realiseert zich de complexiteit der beweegredenen. Als dichter wil hij laten zien hoe een gegeven situatie tot stand is gekomen, de lezer ervan doordringen dat het ook anders had kunnen zijn, het individu voorschotelen dat de wereld door individuele ingrepen verandert en dat zijn of haar handelen er dus toe doet. Hij beschouwt het tonen van het anderszins door verbeelding – van het verleden, heden en toekomst – als een belangrijke opgave voor de dichter.

          KWAM THUIS, HET LICHT
          DAT SNEEUW AAN DE LUCHT GEEFT, VALLEND

          hoe mijn eigen heuvels
en hoe Gloucester Harbor plotseling
binnenkomend via de 127 is uitgehouwen
alles perfect in één blik

          zo lijkt ‘t
en rechts als je Lookout passeert
of wat Hammond’s
Castle was het regelrecht naar Engeland

          wat waar was, Endicott
kreeg vanuit Salem de grote steng
van Winthrops vloot in zicht toen

          ze hier zaten juist waar de 127
een gloednieuw spel kaarten laat zien
gereed in je hand daar gestoken
alsof Schepping zichzelf vallen liet

          en

          met het cellofaantje verwijderd het
volledige Amerikaanse continent dat
noord gaat langs de pool en

          west

Charles Olson
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 06-07-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (9)

Jacques Lacans ‘Symbolische Orde’ staat voor een universele structuur die het gehele gebied van het menselijke bestaan en handelen omvat: de relatie tussen taal, meer precies die van de betekenaar, en de geschreven en ongeschreven regels en voorschriften van onze samenleving. Deze latente orde marcheert door het onderbewuste. Zodra een kind de wereld van de taal betreedt en de regels en voorschriften accepteert, is het in staat tot omgang met anderen.

Slavoj Žižek omschrijft de Symbolische Orde als een vorm van het denken die voorafgaat en los staat van het denken zelf en ‘die de duale verhouding tussen de “externe” feitelijke werkelijkheid en de “interne” subjectieve ervaring suppleert of verstoort.’

Breken met ‘wat er is’ = doorbreken van de gelederen van de Symbolische Orde.

Graham Foust duidt de Symbolische Orde als volgt uit (vertaling Ton van ’t Hof):

een frame is een beeltenis
ondragelijk de hersenen ingeslagen –

Ik kom tussen
mijn lichaam

Ook Charles Olson verschoot (vertaling Ton van ’t Hof):

Ik keek op en zag
haar vorm
door alles heen
– zij is genaaid
in alle delen, onder
en boven

Naaien: (1) door middel van naald en draad iets bewerken, (2) door middel van naald en draad vervaardigen, (5) (zeew.) met garen, touw of lijn vastmaken, (7) (plat) (een vrouw) bekennen, beslapen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 21-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Aantekeningen

‘De mens,’ zegt Sartre, ‘is ertoe gedoemd om ieder ogenblik de mens zelf uit te denken.” Daar ligt ook een functie van de poëzie. ‘Gedoemd’ is een zwaar woord in dit verband. Gaat uit van ‘de absurditeit en zinloosheid van het bestaan’.

‘De mens is de toekomst van de mens,’ zegt Ponge. ‘The limits of my language mean the limits of my world,’ zegt Wittgenstein, ‘and to imagine a language means to imagine a form of life.’ Cheer up!

Poëzie vermag méér dan louter beelden scheppen. Geneesmiddelen kunnen hier niets uitrichten.

Objectivisme is inperking. Flarf is uitperking. Poëzie heeft niets van doen met alchemie. Alchemie is schone schijn.

Poëzie is verticale én horizontale beweging. Kiezen voor één van beide is inperking. Verticaal = het moment, het nu en hier, de ruimte tussen hemel en aarde. Horizontaal = de voortschrijdende tijd, verleden en toekomst, de ruimte ‘to imagine a form of life’ (zoals het wellicht was, zoals het wellicht kan worden).

‘Only for myself,’ zegt Creeley, ‘that’s all I can deal with; I can’t do anything or hope anything in this sense for any other. That is where, in what, he [de mens] is. Let him act it [het leven], that is what he is.’ (Charles Olson & Robert Creeley: The Complete Correspondence, Volume 10, Black Sparrow Press, 1996)

Maar ‘de daad van de enkeling bindt de hele mensheid,’ zegt Sartre, ‘zo ben ik dus verantwoordelijk voor mijzelf en voor allen en schep ik een bepaald beeld van de mens die ik verkies te zijn, en als ik mijzelf kies, kies ik de mens.’ Oppen heeft dit begrepen/gegrepen.

Oppens vorm is interessant: zijn poging om vanuit de concrete individuele ervaring te komen tot analyse, conclusies en, soms, veralgemenisering. Dat laatste, de veralgemenisering – het gebruik van de wij-vorm – komt me evenwel voor als een overgang van genuanceerdheid naar ongenuanceerdheid, kan uitlopen op een ontkenning van het individu. De dichter dient met betrekking tot de wij-vorm met de grootste omzichtigheid te werk te gaan.

(Dit bericht verscheen eerder, op 25-11-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Sneeuwweer

Geachte heer Creeley, in uw brief d.d. 13 juni 1952 schrijft u aan de heer Olson het volgende: ‘Ik weet niet wat schoonheid is, of zo genoemd kan worden, omdat het er is. De criteria zijn een rommelzootje van intenties en bedoelingen – gaan zozeer aan de kwestie vooraf dat, waardoor, de kwestie zelf geen ruimte meer krijgt om zich te melden als zijnde óók aanwezig. Er wordt zo simpel over vlees gesproken – mensen zeggen dat het op je zit, toch? en waarom zou je je ook zorgen maken. Om wat aan te raken? Waar ben je naar op zoek – vrouwen of wat dan ook? Maar als je kijkt, ik bedoel, er naar je gekeken wordt, kijken in díe betekenis. Zo ontmoette ik gisteren een meid, 22, en jong in de zin van – dit willen doen, of dat, het echt willen, en louter vlees, eerlijk, voor welke stijve pik dan ook. Hoe kan zij dat harde ding ter sprake brengen, ik bedoel, welke woorden, als je in ze gelooft, kunnen worden gebruikt? Maar zelfs als er geen woorden voor zijn, is er nog altijd dat ding, van jezelf, dat daadwerkelijk is, fier is, puur is tenzij iemand, of jijzelf, het afstotelijk maakt.’

Ik voel met u mee, heer Creeley. Even verderop verzucht u: ‘In godsnaam, mensen, ben helder in (1) wat – hoeveel pijn of gemorrel er ook mee gemoeid is – het ding IS, en (2) wat – hoe vaktechnisch ook uitgelegd – NIET.’ Maar zijn we er dan? Stel dat we het ding – dat wat het ding daadwerkelijk is en wat niet – precies onder woorden hebben gebracht, wat hebben we dan bereikt? Dat we weten waarover we spreken?

Naast mij in de bus vandaag antwoordde een vrouw op een vraag van haar metgezel: ‘Nee, geen sneeuwweer, dat ruikt anders.’ Ik zou niet weten hoe sneeuwweer ruikt, maar zij kennelijk wel. Voor het ‘weten waarover we spreken’ is, geloof ik, nog iets meer nodig dan louter het woord. John Keats drukte dat als volgt uit: ‘Nothing ever becomes real until it is experienced.’ George Oppen besefte dit en schreef dan ook voor dat dichters alleen mochten spreken over wat zij zelf hadden ervaren. Man en vrouw zullen het, ben ik bang, nooit eens worden over wat een stijve pik is.

Uw project en dat van een aantal van uw tijdgenoten is mij zeer sympathiek, maar komt me ook voor als een dead end: spraakverwarring lijkt me een gegeven. Geen reden overigens om als dichter bij de pakken neer te gaan zitten. Integendeel. Spraakverwarring is een uitgangspunt. Spraakverwarring kan ook vruchtbaar zijn.

‘The limits of my language mean the limits of my world.
And to imagine a language means to imagine a form of life.’
– Ludwig Wittgenstein

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-11-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Iets van tijdeloosheid om moed uit te putten

Tegen Charles Olson (1910-1970) zeg ik u. Hij schreef indrukwekkende gedichten. Grand Cru, geen vin de pays. Toch wordt hij door Nederlandstalige dichters zelden als inspiratiebron vermeld. Ik vermoed dat hij hier weinig is gelezen. Wat ik betreur. Er wordt verteld dat hij in 1949 als eerste de term ‘postmodern’ in een literaire context gebruikte. Regelmatig verneem ik dat Olson een laatmodernist is, een overgangsfiguur tussen het modernisme en postmodernisme. Zijn invloed op de Amerikaanse avant-garde medio vorige eeuw moet groot zijn geweest. Als ik zijn werk lees, valt me op dat het mijlenver afstaat van Nederlandstalige poëzie uit dezelfde tijd. Ik heb ook weleens gedacht dat wij ‘overgangsfiguren’ als Olson, William Carlos Williams en George Oppen hebben gemist, waardoor het lang heeft geduurd eer hier aansluiting werd gevonden met postmoderne ontwikkelingen elders. Steeds vaker liet Olson in zijn gedichten het subject in de kou staan en zocht te midden van hedendaagse en historische gegevens naar iets van tijdeloosheid, teleurgesteld als hij was in de vooruitgang, in de technische, economische en politieke gedaanteverwisselingen die in zijn ogen desastreus waren: ‘I have been an ability – a machine’. Tijdeloosheid, als buiten de tijd staand, om moed uit te putten. Het volgende gedicht schreef hij in 1947:

SCHUIF EENS WAT OP

Kooplui.     van de zee en van financiën

(Verbrijzel de glaswand)

Het ontzielde gezicht is het ware gezicht
van Washington, New York één en al ellende, maar
     ten noorden en oosten
gehoorzaamde de timmerman
de topografie

Als een hand zich richt op de zorg voor planten
en een gevoel voor proportie, dan wordt de grond
van een huis gelegd

Maar bevolkt door geesten, New England

Schuif eens wat op voor de doodsteek,
voor het onbemande of de transvestie, gekleed
in baard en wil, het haarvat

Zeven jaar in de verkeerde man,
7 j. triestheid en fibrillatie.
En ik keek op en zag een pad. En de jongen zei:
‘Ik plette er eentje en haar bloed is groen’

Groen, is de kleur van mijn ware liefdes groen
desondanks
is New England
ondanks haar kooplui en haar moraal

Charles Olson
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 23-10-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)