Ron Sillimans eerste blogbericht
In zijn essay ‘Een taal van Nederland’, dat als inleiding in mijn nieuwe bundel Dichter & andere dingen is opgenomen, geeft Frank Keizer terecht aan dat ik als dichter ben beïnvloed door ‘de speelse experimentalist’ Charles Bernstein en ‘de plechtstatige serialist’ George Oppen. Hun bundels zijn altijd binnen handbereik, lees ik keer op keer. Sommige dichters gaan deel van je leven uitmaken, andere muzenkinderen vergeet je na de laatste pagina direct weer. Het moet klikken. Als met een goede vriend of vriendin.

Als blogger heb ik veel van Ron Silliman geleerd. Hij begon zijn vermaarde Silliman’s Blog in 2002 en publiceerde jarenlang vrijwel dagelijks berichten over hedendaagse Amerikaanse poëzie. Met zijn eigenzinnige kijk wist hij in de hoogtijdagen van zijn blog een wereldwijd publiek aan zich te binden en meer dan eens de gemoederen flink in beweging te brengen. De heftigheid van sommige reacties op berichten deed hem op een gegeven moment zelfs besluiten om de reactiemogelijkheid uit te zetten.

In zijn eerste post geeft Silliman aan dat hij zijn blog als dagboek wil gebruiken, waarin hij zijn kritische gedachten de vrije loop zal laten. Het is hem niet zozeer om een gehoor te doen, al vraagt hij zich wel af of er mensen op hem af zullen komen. Al gauw zal hij de voor- en nadelen van het openbare internetdebat leren kennen.

Ook op De Contrabas was het al dan niet modereren van reacties regelmatig onderwerp van gesprek. Ik heb me altijd op het standpunt gesteld dat de mogelijke leereffecten opwegen tegen eventueel abject online gedrag. Maar als iemand écht over de schreef ging, dan werd de reactie verwijderd.

Niet alleen van Sillimans kennis van poëzie en zijn ervaringen binnen de poëtische gemeenschap stak ik veel op, maar ook van zijn onderzoekende wijze van schrijven, die zowel op vorm als inhoud gericht is. Tegenwoordig publiceert hij nog maar sporadisch een blogbericht, maar ik sla er nooit eentje over.

Ik heb me voorgenomen om zijn blog de komende jaren van voor tot achter te herlezen en hier regelmatig verslag van mijn ervaringen te doen.

Dichter & andere dingen verschijnt over enkele weken bij Uitgeverij Stanza. Van Bernstein verscheen in het Nederlands reeds Denken dat ik denk dat ik denk. In 2018 of 19 wil ik een vertaling van Oppens fameuze Of Being Numerous uitbrengen.

Warhoofds gekkenwerk, Alain Delmotte

Dagboek van een uitgever (1)

In het voorjaar van 2012 schreef ik Uitgeverij Stanza bij de Kamer van Koophandel in. Ik wilde poëzie uitgeven, bundels waar ik achter stond, met als enig criterium: mijn eigen smaak. Nu is die breder dan de experimentele verzen die ik zelf schrijf, waardoor het fonds zich niet louter tot deze soort poëzie beperkt. Sinds 2012 zijn er bundels verschenen van uiteenlopende dichters als Frank Keizer, Mark van der Schaaf, Bart FM Droog, Jan Pollet, Chrétien Breukers, Sophia Le Fraga, Nanne Nauta, Martijn Benders, Olaf Risee, Lammert Voos, Sven Staelens, Çağlar Köseoğlu, Gert de Jager, Benne van der Velde, Sacha Blé, Peter van Galen, Estelle Boelsma, Charles Bernstein, Luc Fierens en Martin Knaapen.

Jaarlijks brengt Stanza circa zes bundels uit. De omzet is gestaag gestegen naar vier- á vijfduizend euro per jaar. Als eenmanszaak zit Stanza hiermee aan haar plafond.

Regelmatig ontvangt Stanza manuscripten van bekende en onbekende auteurs. Ik lees ze allemaal. Soms zit daar iets verfrissends tussen. Over de tekst die de Belgische auteur Alain Delmotte me begin februari van dit jaar toestuurde, hoefde ik niet lang na te denken:

‘Hoi Alain,

Top! Dit geef ik graag uit. Ik heb gelachen en gehuild. Ik zit voor dit jaar al wel helemaal vol. Ik zou de publicatie willen inplannen voor het eerste kwartaal 2017. Schikt dat?

Groet, Ton’

Ik kende Alain nog uit mijn periode bij Uitgeverij De Contrabas, die twee bundels van hem publiceerde. Een eigenzinnig dichter, die zich graag van prozapoëzie bedient. Wat ik in handen had, was een volledig uitgewerkte tekst die zo kon worden gedrukt. Een geschenk voor elke uitgever.

De afgelopen maanden hebben we intensief aan de vormgeving gewerkt. Alain had daar goede ideeën over. De proefdruk is binnen. Ik ben zeer tevreden over het resultaat.

img_1089
De proefdruk. Het schilderij op de omslag is van Lucas Devriendt. Johan Duyck verzorgde de vormgeving van de omslag.
Warhoofd is een taalfiguur met een allegorisch karakter, die ook al in vorige bundels van Alain te vinden is, maar ditmaal de hoofdrol heeft. Warhoofd is een geboren loser. Alain beschouwt hem niet als een alter ego. ‘Iedereen is een loser, existentieel gesproken. En dus zou iedereen zich in Warhoofd moeten herkennen.’ Een fragment uit de bundel:

Stoten onder de gordel: voor geen geld in de wereld zou hij die willen missen.

Blunders, flaters, zijn mond voorbijpraten, ondoordachte uitlatingen: allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.

Voor de voeten worden gelopen, is hem een niet te verwoorden zaligheid: hij tekent ervoor.

Noodlot houdt hem bezig. De worp, de gril, de meewarige lol trekt hem daarin aan.

Langs de weg die hij gaat, trapt hij in elke drol. Hij vermoedt dat het de zijne zijn.

Dankbaar is hij voor elke tegenslag en voor wie hem gretig kan manipuleren.

Warhoofds gekkenwerk zal op 25 februari 2017 in de openbare bibliotheek van Harelbeke worden gepresenteerd.

Opgave

Ik ben ontdaan. Van streek. Eet scharrelworst & drink een extra glas wijn. Denk na over wat Rob de Wijk, deskundige, gisteren zei: dat mensen boven de dertig zelden terroristische aanslagen plegen. Vraag me af hoe doordacht zelfmoordaanslagen doorgaans zijn geweest. Of zelfmoordterroristen ook naar zichzélf hebben geluisterd. Hun stem van binnenuit. Herinner me dat Charles Bernsteins poëzie in de nasleep van 9/11 stokte. Bleef steken in proza van alledag. Hoeveel haat kun je verdragen? Hoeveel verdriet? We staan voor de opgave om een nieuwe dimensie aan ons denken en spreken toe te voegen, die ons in staat stelt om verstandig met deze ruwe realiteit om te kunnen gaan. Van enige vernauwing mag geen sprake zijn. Ik zoek het tweede celloconcert van Sjostakovitsj op.

Randwegen, zwerfpaden, ingevingen

‘I don’t want to make poems that tell you what to think but that show a different order of thinking.’ – Charles Bernstein

Aan het einde van zijn intensieve bespreking van Çağlar Köseoğlu’s bundel 34 verzucht Laurens Ham: ‘Wat is het toch met geëngageerde kunstenaars, dat ze expliciete politieke kritiek in de laatste decennia zozeer tot een taboe hebben verklaard?’ Deze vraag, waar hij verder niet op ingaat, blijkt een opstapje te zijn naar een pleidooi voor ‘het gebruik van een alledaagse taal’ in poëzie, opdat ‘een authentiek links geluid’ bij een groter publiek ‘weerklank’ kan vinden.

Ham haakt hier in op een poëtische discussie die met enige regelmaat de kop opsteekt en draait om ‘tegenstellingen tussen moeilijk en gemakkelijk, tekstgericht en publieksgericht, commercieel en ideëel, populair en elitair, open en hermetisch’ [1]. Ik vind dit een ongemakkelijke discussie, die druk uitoefent op het nemen van stelling, het maken van een keuze, waar ik diversiteit voorsta.

Ik heb dus niets tegen alledaagse of onalledaagse taal in poëzie. Iedere dichter zingt zoals hij gebekt is. Wel geloof ik dat poëzie eerst en vooral over vorm gaat, de wijze waarop wordt omgesprongen met ‘de onvermijdelijkheid van metafoor, de taligheid van perceptie, de schoonheid van dwalingen, de ketenen van de logica, de mogelijkheden van het toeval’ [2]. In tegenstelling tot de ‘syllogistische rationaliteit’ waar gefundeerde politieke kritiek om vraagt, flirt poëzie nogal eens met onsamenhangendheid en tegenstrijdigheden, kan ze alle kanten uitwaaieren. Een verschil dat moeilijk overbrugbaar lijkt.

Misschien vinden we in deze omstandigheid een oorzaak van weerstand tegen expliciete politieke kritiek in gedichten.

[1] Altijd weer vogels die nesten beginnen, Hugo Brems, Uitgeverij Bert Bakker, 2006.
[2]The Task of Poetics, the Fate of Innovation, and the Aesthetics of Criticism‘, Charles Bernstein, essay, 2008.

Aanwijzingen maar geen gedicht

Voor Charles Bernstein

Haal diep adem.
Onderwerp jezelf
aan een ritme.
Maak je niet
te druk
over syntaxis
of dictie.
Wees,
als het de jaren tien is,
ironisch
en tegelijk oprecht.
Observeer dingen,
maak notities.
Zwaai
als een slinger
tussen talloze
polen in.
Gebruik zowel beelden
als abstracties.
Bevestig
je bestaan.
Wees romantisch,
door
een donker glazen
oog heen.
Stap in een bus
en stap er
na evenveel haltes
als je oud bent
weer uit.
Als je
een klarinet hoort,
is het moment
van de waarheid,
dat de geest verlost
van het kaf
van alledaagse zorgen,
nabij.
Zo niet,
neem dan je leven
in eigen handen,
woorden
zijn niet enkel
een duplicering
ervan.

Ik schreef dit gedicht van de week oorspronkelijk in het Engels. Dit is een eerste werkvertaling naar het Nederlands.

(Dit bericht verscheen eerder, op 14-05-2015, op tonvanthof.tumblr.com.)

Van geval tot geval

Als Charles Bernstein zegt dat poëtica ‘een ethisch engagement met de veranderende condities van het dagelijkse leven’ is, wat zégt hij dan eigenlijk? Wat zou hij kúnnen bedoelen met deze bewering, die afkomstig is uit zijn essaybundel Attack of the Difficult Poems (2011). In het betreffende essay zoekt hij naar een alternatief voor moralistische en wetenschappelijke opvattingen, die hem te star of niet humaan genoeg zijn. Hij definieert ethiek in dit verband als een lokale ‘dialogische praktijk van het antwoord’, die contrasteert met de voorschriften van het moralisme en het universale van de wetenschap: ‘Ethiek is ironisch, moralisme oprecht. Ethiek seculier, moralisme religieus. Poëtica is de ethische afwijzing van moraliteit in naam van de esthetica. Poëtica is een activiteit, een weloverwogen antwoord op opduikende omstandigheden. Het kan als zodanig geen aanspraak maken op de verhevenheid van de moraliteit of systematische theorie. Poëtica is tactiek, geen strategie. Het gebrek aan strategie en de aversie tegen verhevenheid zijn er inderdaad de oorzaak van dat poëtica vaak broos lijkt of beduusd of onsamenhangend of relativistisch.’ Bernsteins poëtica bekijkt het dus van geval tot geval, houdt bij haar waardeoordelen rekening met velerlei, vaak strijdige factoren en weigert de ‘simpele oplossing van de reeds bestaande regel.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 29-11-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

De omgekeerde weg

Als ik de term experimenteel of innovatief gebruik dan doel ik allereerst op een poëtische techniek of procedure, hoewel ik me tegelijkertijd blijf realiseren dat vorm en inhoud niet los van elkaar kunnen worden gezien. Robert Creeley was zelfs van mening dat vorm niet meer dan een verlengstuk van de inhoud is. Als Martijn Benders in navolging van Wallace Stevens stelt dat alle poëzie experimentele poëzie is, dan kan ik dat begrijpen vanuit de redenering dat poëzie als poging om tot nieuwe inzichten te komen ook altijd een zekere hernieuwing van vorm vereist. Met andere woorden: nieuw inzicht bezit per definitie een hernieuwde vorm.

Mijn fascinatie richt zich evenwel op wat ik voor het gemak de omgekeerde weg zal noemen: ik tracht via nieuwe vormen tot nieuwe inzichten te komen en experimenteer al negen bundels lang met poëtische technieken en procedures. Vanuit die aanpak spreek ik dan ook altijd over experimentele of innovatieve poëzie en geloof dat het in deze context zinvol is om vormontwikkelingen te onderscheiden. En ik ben niet de enige. Laatst kwam ik deze opsomming van nieuwerwetse vormontwikkelingen tegen:

‘Multilectical, site-specific/fieldwork; conceptual/flarf; ecopoetics; constraint-based (constructivist) work, ESL (writing in English by those from non-English regions, via web-intensified global affinity clusters); poetry in programmable media; and sound/performance in/as recording (especially the use of digital sound archives such as PennSound and UbuWeb). Newly emerging in the broad area of “bent poetics” are disability and the defamiliar body, identity formations as textual medium, nude formalism, “junk space,” ambiance, sprung lyric, mixed/syncretic poetic genre, modular prose, and ongoing collaborations with music and the visual arts.’ – Charles Bernstein

(Dit bericht verscheen eerder, op 24-10-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Geenszins zeker dat taal ’t ‘m doet

In ‘Writing and Experiencing’ (L=A=N=G=U=A=G=E Magazine, 1980) geldt voor Nick Piombino dat poëzie ‘uiteindelijk de meest natuurgetrouwe menselijke expressie is daar zij, in het kader van de omarming van de pure essentie van de gewaarwording, onverbloemd duidelijkheid schept over en zich inleeft in psychologische, politieke en existentiële ervaringen.’ Hij onderbouwt dit met het argument dat taal de kern van ons bewustzijn uitmaakt en niet beelden of spiegels. Over dit laatste verschillen geleerden van mening. Het is geenszins zeker dat taal ’t ‘m doet. Vruchtbaarder vind ik het vertrekpunt van Charles Bernstein: ‘[D]e taal zelf brengt op elk moment ervaring voort (in lezen en anderszins) […] ervaring is een dimensie die noodzakelijkerwijs deel uitmaakt van taal.’ Piombino zoekt in ons naar de relevantie van poëzie en raakt verstrikt in veronderstellingen, Bernstein gaat van de vermogens van taal zelf uit. Dit laatste leidt tot het verkennen van de wijzen waarop taal ervaringen oproept en tot het experimenteren met nieuwe vormen van poëzie met wellicht nieuwe ervaringen tot gevolg. Ik geloof dat daar een uitweg ligt uit de huidige impasse van de poëzie en niet langer in het beschrijven van de ervaring die al in ons is.

(Dit bericht verscheen eerder, op 19-05-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Verzet tegen de logica van de culturele industrie

In het nawoord van zijn boeiende boek Procedural Form in Postmodern American Poetry, waarover ik eerder berichtte, beantwoordt David W. Huntsperger de vraag waarom hij het de moeite waard vindt om avant-garde poëzie te bestuderen:

‘[R]as, klasse, geslacht, nationaliteit en seksualiteit zijn alle van invloed op de totstandkoming van een artefact; men kan een gegeven historisch moment inderdaad benaderen vanuit verschillende richtingen. Tegelijkertijd doen niet alle culturele artefacten expliciet een beroep op ons om onze wijze van denken en zijn in de wereld opnieuw te overpeinzen. Avant-garde poëzie doet dat naar mijn mening wel.’

Hij leent van Charles Bernstein het theoretisch kader waarbinnen het ‘poëtisch verzet tegen dominante ideologieën’ zich afspeelt. De kern van dat kader wordt gevormd door de gedachte dat een ieder van ons gewikkeld is in taal en dat ons handelen mede wordt ingegeven door diezelfde taal. Bernstein wil tegenstand bieden aan gestandaardiseerde imperiale ‘dictie en etiketten’ en de vervreemding van onszelf die dit – deze wijze van uitspreken – met zich meebrengt. Hij ziet daarbij een rol weggelegd voor de poëzie:

‘The promise of the return of the world can [be] (& has always been) fulfilled by poetry. Even before the process of class struggle is complete. Poetry, centered on the condition of its wordness – words of a language not out there but in here, language the place of our commonness – is a momentary restoration of ourselves to ourselves.’

‘De soort taal,’ voegt Huntsperger toe, ‘die een terugkeer van “onszelf naar onszelf” mogelijk kan maken, is niet de gestandaardiseerde taal van onze dagelijkse krant maar zijn de radicaal disjunctieve experimenten van dichters als Ted Berrigan, David Antin, Ron Silliman en Lyn Hejinian. […] Amerikaanse avant-garde poëzie biedt ons een reeks van niet-standaard (je zou, in lovende zin, zelfs kunnen spreken van “afwijkende”) taalpraktijken, die zich verzetten tegen de logica van de culturele industrie en die de ogenschijnlijk onvermijdelijke vervreemding verwerpen van mensen van hun eigen arbeid en taal. […] Als zulke avant-garde praktijken zich alleen maar in de marges van de heersende Amerikaanse cultuur afspelen, dan is het des te meer belangrijk dat zij worden gedocumenteerd door politiek geëngageerde, ideologisch bewuste literaire critici.’

Huntspergers boek is niet alleen voor geïnteresseerden in procedurele (experimentele) poëzie verdomd wetenswaardig, maar ook voor hen die nog altijd op zoek zijn naar het mogelijke ‘nut’ van poëzie én voor literaire critici.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-05-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Is culture eating its own seed stock?

Michiko Kakutani besluit zijn artikel ‘Texts Without Context’ in The New York Times met enkele citaten, waaruit ik op mijn beurt weer citeer:

‘The remix is the very nature of the digital. […] It is a culture of reaction without action. […] The web is killing the old media, we face a situation in which culture is effectively eating its own seed stock.’

Een donker artikel, dat de teloorgang van de auteur en de creativiteit betreurt. Raar, denk ik, Barthes verklaarde de auteur reeds in 1968 dood, toch voor aanvang van het digitale tijdperk, en nu krijgt internet plotseling de schuld.

In zijn essay ‘Optimism and Critical Excess’ (A Poetics, Harvard University Press, 1992) zegt Charles Bernstein: ‘We weten niet wat “kunst” is of doet, maar we vinden dat voor altijd uit.’ Hij verzet zich in dit essay onder andere tegen ‘maps’, schematische voorstellingen of theorieën van wat kunst is of doet, die leiden tot conclusies die de dood van de auteur verkondigen of de creativiteit of de kunst zelve. Mocht een verhaal toch zo eindigen, betoogt hij, dan geeft dat hooguit aan dat de ‘map’ verouderd is en het tijd is voor een nieuwe:

‘Duchamp’s, or Warhol’s self-reflexivity marks not the end of art but a preface to what is now possible.’

Bernstein gelooft in mogelijkheden, onbegrensde mogelijkheden voor elke kunstenaar en haalt in dit verband Henry David Thoreau aan: ‘Our capacities have never been measured, nor are we to judge of what one can do by any precedents, so little has been tried…’ Critici die denken dat ze de kunst ‘in bezit’ kunnen nemen, vervolgt Bernstein, ‘missen die ene les die ze zouden kunnen leren van kunst: dat geen enkele methode de antwoorden heeft. Kunst is nog altijd onze beste docent van methodieken, en we riskeren de grond onder onze voeten te verliezen als we vergeten wat kunst onderwijst, dat kunst onderwijst.’

Kakutani zou eens in contact kunnen treden met de remix en zich misschien willen afvragen wat de remix (‘fast cutting, fragmentation, polyphony, polyglot, neologism’) overbrengt of wil overbrengen.

Trouwens, alsof de hedendaagse kunst alleen maar zou bestaan uit remixen …

(Dit bericht verscheen eerder, op 23-03-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)

De Officiële Nederlandstalige Poëziecultuur

Charles Bernstein zegt het keer op keer: ‘Poetry can’t be contained by any set of formal qualities.’ Of: ‘Poëzie is de aversie tegen conformisme.’ Bernstein zet zich af tegen wat hij de ‘official verse culture’ noemt, ‘the nexus of poets and critics who enforce norms of poetic value.’ Poëzie dient volgens Bernstein ongedefinieerd te blijven, een individuele enclave van tekstuele vrijheid als tegenwicht tegen politiek: poëzie als ‘Counter-State’.

Ik moet denken aan de woorden waarmee Carl De Strycker onlangs een recensie afsloot: ‘[P]oëzie is geen kretologie, maar altijd in de eerste plaats woordkunst.’ Wat is dat: ‘woordkunst’? De Strycker lijkt er iets van de volgende definitie aan te hangen: het veranderen van de taal, iets bereiken in taal. Hij prefereert, zoveel is wel duidelijk, op taal gerichte poëzie boven geëngageerde verzen.

Ik heb ineens overal rode, jeukende bultjes. Vanwege het feit dat: (1) poëzie weer eens de wet wordt voorgeschreven, (2) vage definities worden gehanteerd en (3) het mij onduidelijk is waarom op taal gerichte poëzie niet ook geëngageerd zou kunnen zijn (de poëzie van Charles Bernstein is hier een voorbeeld van). Misschien moet ook ik eens een mandje vlechten, voor de Vertegenwoordigers van de Officiële Nederlandstalige Poëziecultuur.

(Dit bericht verscheen eerder, op 02-01-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)