Krabbels van weleer (1)

Ik zocht een boekje van Cees Nooteboom en vond in de kelder twee halfvergane verhuisdozen met beschimmelde boeken en oude notitieblokjes. De notieblokjes staan vol krabbels over van alles en nog wat en beslaan een periode van bijna dertig jaar. Ik zal ze de komende maanden in willekeurige volgorde doorlezen, overnemen wat de moeite waard is en ze daarna weggooien.

Deze krabbels zijn uit 2012 & 2013:

Ik zou best alles op alles willen zetten om in vorm te komen voor het leven.

Over bloggen: Eigenlijk maakt het me niet uit of wat ik doe kunst is. Het is vorm. Mezelf vormen, bij voortduring.

Jezelf vinden is eerst jezelf wegdoen.

Onze neiging om in taal te verdwalen.

Hoeveel wereld kun je verzamelen?

Wat ik van China vind?

—‘Class has been largely erased from the post-avant landscape,’ beweert Ron Silliman in 2002 over de Amerikaanse poëziescene. En hij heeft het dan over stand, maatschappelijke klasse. Daar wordt niet of nauwelijks nog over gesproken. Gender & Diversity roeren nu o.a. de trom. Ik denk dat dat ook voor het Nederlandstalige poëziegebied geldt. Ook hier is het beeld van de samenleving vernauwd tot dat van een verzameling individuen en ook hier is poëzie steeds meer zaak geworden van de hogeropgeleide (of was dit laatste altijd al het geval?). Het woord ‘klassenstrijd’ komt alleen nog in geschiedenisboeken voor. Terwijl toch ook sociale ongelijkheid weer aan het toenemen is. Veel eist vandaag de dag onze aandacht op. Veel. Waar we samen schouders onder kunnen zetten.

De avond valt
die kermende lange schreeuw
perst de regen van de nacht
uit zijn holten

onder de bomen druipt
de wond van de stilte

in het kille, het verbeten gras
sterft het gezicht van de zomer

ik ben alleen

– Cees Nooteboom, uit Het zwarte gedicht (Querido, 1960)

Landschap 137, Engelum, 2017 © Ton van ’t Hof

De tien boeken die ik dit jaar het meest waardeerde

Boek uit (4)

Tien van de 86 boeken die ik, tot nu toe, in 2016 las, gaf ik de maximale score van vijf sterren. Dit zijn ze, in de volgorde waarin ik ze spelde:

IMG_1107.JPG

Parse, Craig Dworkin

‘Een beproeving van het uithoudingsvermogen.’ Lees verder.

Voices from Chernobyl: The Oral History of a Nuclear Disaster, Svetlana Alexievich

‘Emotioneel gezien wordt dit boek me telkens te veel.’ Lees verder.

On the Move: A Life, Oliver Sacks

‘Sinds ik Sacks voor het eerst zag in de VPRO-serie Een schitterend ongeluk (1993), is deze zachtaardige, erudiete man nooit uit mijn herinnering verdwenen.’ Lees verder.

Sauseschritt, Martijn Benders

‘Ik heb om Sauseschritt gelachen en gehuild, de bundel in de hoek gesmeten en al kussend onder mijn kussen gelegd; Sauseschritt is Benders op z’n best.’ Lees verder.

The Oppens Remembered: Poetics, Politics, and Friendship, Rachel Blau DuPlessis

‘George Oppen wilde eerst leven, om daarna uit eigen ervaring over de betekenis van het leven te kunnen schrijven.’

George Oppen and the Fate of Modernism, Peter Nicholls

‘In Nicholls’ boek lees ik voor het eerst, en ik heb intussen veel van en over Oppen gelezen, iets over de aanleiding die Oppen weer tot de poëzie bracht.’ Lees verder.

Penelope: Een gedicht, Wolfram Swets

‘Deze tekstuele installatie, die kan worden gerekend tot de conceptuele kunst, barst van het zelfvertrouwen en steekt het werk van literaire prominenten als Goldsmith en Dworkin naar de kroon.’ Lees verder.

Nieuwe vensters op de werkelijkheid: Contouren van een natuurfilosofie in ontwikkeling, Koo van der Wal

‘Dit boek zou een bestseller moeten zijn en op het nachtkastje van iedere politicus moeten liggen.’ Lees verder.

Het verlangen naar klapekster, Koos van Zomeren

‘Van Zomeren heeft van zijn wandelervaringen een boek gemaakt, waarin het verlangen naar de verwezenlijking van een doel – in dit geval de waarneming van een vrij zeldzaam vogeltje – expressief is vormgegeven.’ Lees verder.

533: Een dagenboek, Cees Nooteboom

‘Ouder worden, kleiner worden, langzaam uitdoven, zo stelt Nooteboom ons zijn laatste jaren voor.’ Lees verder.

My Year in Books: voor de complete lijst en alle verdere details.

Dat gebeurt op deze leeftijd

Ouder worden we allemaal (1)

img_0997

Weerstand
Voor het eerst van mijn leven een griepprik gehaald.

Actualiteit
In zijn laatste vrucht, 533: Een dagenboek, raakt Cees Nooteboom (1933) geïrriteerd over het verwijt van een jonge recensent dat hij zich te weinig met de actualiteit zou bezighouden. Nooteboom pareert met een ik-heb-het-allemaal-al-gezien-snotneus-respons:

‘Vorig jaar las ik een kritiek van een Vlaamse recensent. Ik mijmerde te veel. Dat kan kloppen. En ik hield me te weinig met de wereld bezig. Dat gebeurt op deze leeftijd. Ik denk dat de schrijver jong was. Ik heb hem niet ontmoet in Boedapest in 1956, niet in Bolivia in 1968, niet in Teheran in 1976, niet in Berlijn in 1989, en ik vraag me af of hij wel eens naar cactussen kijkt. Lang kijkt, bedoel ik. In Berlijn zag ik het systeem dat Boedapest veertig jaar eerder bedacht had in elkaar storten. In Bolivia vertelden orthodoxe communisten mij dat Che Guevara geen qechua sprak en dat zijn strijd daarom zou mislukken. In een krant op het vliegveld van Cuba zag ik in 1958 een jonge man met een baard, en gisteren zag ik de broer van die jonge man die ruim vijftig jaar later een boodschap voorlas aan de president van Amerika. Wat zou een Vlaams criticus bedoelen als hij wereld zegt? Welke wereld? De wereld die ik zestig jaar lang gezien heb of die waarover hij leest of wie weet wel schrijft in de Dietsche Warande of De Standaard? Standaard van wat trouwens?’

Tijdmachine
Het overkomt me steeds vaker, meestal getriggerd door een stukje klassieke muziek, dat ik me plotseling, een fractie van een seconde maar, terug waan in een zeer vertrouwde omgeving, een sfeer die ik slechts kan omschrijven als laat 19e eeuws, begin 20e wellicht. Van concrete beelden is geen sprake. Ik vind de ervaring niet onaangenaam, integendeel. Vraag me af of dit bij het ouder worden hoort.

In verhouding tot
Naarmate mijn angsten afnemen, neemt mijn mildheid toe. Geloof ik.

Over Cees Nootebooms ‘533: Een dagenboek’

Boek uit (1)

‘Tot op welke leeftijd moet je je om de wereld bekommeren?’ vraagt Cees Nooteboom zich in 533: Een dagenboek af. Nooteboom. Die zich zijn leven lang hééft bekommert om de wereld. Geboren in 1933. Vandaag de dag 83 jaar oud.

img_0925
De openingspagina van het e-boek.

Geen dag- maar een dagenboek: ‘Iets om af en toe iets te behouden uit de stroom van wat je denkt, wat je leest, wat je ziet, zeker geen boek voor bekentenissen.’

Hij wil het in dit boek niet over politiek hebben: ‘Als je al lang geleefd hebt wordt veel onbelangrijk, je hebt veel wereld gezien, je herkent de decors van de gebeurtenissen die je op de televisie ziet omdat je daar hebt rondgelopen.’

Maar toch weet zij binnen te sluipen: ‘Maar de wereld wil nog van alles van je, je hebt je nog lang niet losgemaakt en anderen roepen je terug, ook omdat je vroeger dingen gezegd en geschreven hebt, zo makkelijk kom je niet van jezelf af.’

Lang geleden dat ik een Nooteboom gelezen had. Maar oude liefde roest niet. Zijn geslepen taal, sierlijke wendingen, bedachtzame uiteenzettingen: dat zou ik ook wel willen. Wat ontbreekt mij?

In 533, met op de kaft een cactus, mijmert Nooteboom menigmaal over de cactussen in de tuin van zijn huis op Menorca, waar hij enkele maanden per jaar woont. Nu hij ouder wordt merkt hij dat zijn blik steeds vaker naar zijn directe omgeving afglijdt en zich minder richt op wat er zich aan de horizon afspeelt. Dit natuurlijke proces onderzoekt hij:

‘Het was nooit de bedoeling dat dit een dagboek zou worden, ik wilde naar binnen, niet langer naar buiten. Daar was ik al zo lang, en zo vaak. Het gevoel dat ik eruit verwijderd ben, uit mijn tijd. Met harde hand. Leeftijd is een dubbelzinnig woord. De tijd gaat zijn onherroepelijke gang, maar het leven verandert, en wil aan zijn einde wennen. Daar is niets pathetisch aan, en de tuin is leerzaam.’

Ouder worden, kleiner worden, langzaam uitdoven, zo stelt Nooteboom ons zijn laatste jaren voor. Als hij aan het einde van het boek onder een sterrenhemel stilstaat bij de reis van de ruimtesondes Voyager 1 en 2, die beide in 1977 werden gelanceerd en nog altijd door ons onmetelijk heelal kachelen, weet hij zich zo minuscuul te maken, dat het lijkt of de dood er niet meer toe doet:

‘De Voyager is een nucleaire centrale, en verliest vier watt per jaar. Tegen 2020 moeten we de instrumenten uitschakelen, na 2025 zullen we niet meer genoeg stroom hebben om de wetenschappelijke instrumenten nog te laten werken. Daarna kunnen we alleen nog technische gegevens over de vlucht ontvangen tot 2030. Maar niemand wil de verbinding verbreken.’

533: Een dagenboek, Cees Nooteboom, De Bezige Bij, 1916: via bol.com.

Schaarse aandacht

Hoe ouder ik word, hoe vaker ik de geschiedenis in herhalingen zie vervallen. Als Cees Nooteboom in Een middag in Bruay uit een ingezonden brief van een Algerijnse schooljongen citeert, moet ik aan misnoegde jihadgangers denken. Nooteboom in 1962:

‘Hij haat de Fransen om hun welvaart en omdat ze rijk zijn en hem verpletteren. […] “Ik haat ze,” zegt hij, “omdat ze degenereren,” en dat is waarschijnlijk de gevaarlijkste waarheid die hij aan het hele nieuwe Europa kon toedienen.’

Daarna naar de bibliotheek, waar ik constateer dat alle eigentijdse poëzie is uitgeleend en ik naar een restje staar dat veel weg heeft van een canon van voor de mammoetwet. Of zou er hier iets anders aan de hand zijn? Ik pak een dagboek van Koos van Zomeren en fiets peinzend naar huis.

Thuis lees ik in Rekto:verso een onderhoudend stuk van Kila van der Starre over poëzie en onderwijs: ‘Geef poëzie een toekomst’. Het geeft inzicht in de wijze waarop poëzieonderwijs tegenwoordig wordt gegeven en hoe het zou kunnen worden verbeterd. Ik blijf wat langer stilstaan bij de onderbouwing van nut en noodzaak van poëzie:

‘Dirk Terryn, werkzaam bij CANON Cultuurcel en voormalig leraar Nederlands, legt uit dat bij het lezen van poëzie een andere manier van denken geactiveerd wordt: “Leerlingen worden door poëzie gedwongen om niet logisch, maar metaforisch na te denken. Het is een manier om buiten de geijkte denkpatronen van het onderwijs te komen, om te ontsnappen aan de clichés van de ‘empirische’ wetten. Gedichten geven je een nieuw zicht op de complexiteit van de werkelijkheid. Bovendien verlagen ze ons tempo: gemiddeld lezen we een gedicht zes keer trager dan een normale tekst.” Ook is de kennis die een gedicht ons geeft, anders dan de kennis die “normale” schoolteksten opleveren. Herman De Coninck beschreef dat als volgt in Over de troost van pessimisme (1983): “Toen ik ooit lesgaf, poëzie, aan jongens die daar helemaal niet om gevraagd hadden, was de eerste vraag: moeten we dat kennen voor het examen? Nee, voor het leven, zei ik.”’

De grote gemene deler hier lijkt iets van een bril te zijn, die poëzie ons aanreikt en waardoor we de wereld om ons heen op een andere, nieuwe manier kunnen waarnemen. Geen sterk argument te midden van talloze andere brillen. Wat maakt poëzie nu zo uniek dat we er allemaal onderricht in moeten krijgen? Zou les in yoga, bijvoorbeeld, in deze gestresste tijd niet veel logischer zijn? Als poëzie niet langer boven vermaak kan worden uitgetild, dan zal de schaarse aandacht van de leerling worden verlegd naar serieuzere zaken; de Google bril o.a.

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-06-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Met de wereld bezig te houden

Mijn boekenkast stond er ooit vol mee: Rainbow Pockets, de lekker in de hand liggende goedkope herdrukjes met gele band. Intussen heb ik er bij gebrek aan ruimte heel wat weggeven of aan tweedehands boekenwinkels overgedaan. Zo niet Cees Nootebooms Een middag in Bruay, dat in 1990 door Uitgeverij Maarten Muntinga opnieuw werd uitgebracht (oorspronkelijke uitgave: De Bezige Bij, 1963). Ik kocht het volgens inschrift in april 1992 en las het eenmaal. Sindsdien is dit exemplaar voor zover ik weet door niemand meer gelezen.

Nooteboom schreef voor deze herdruk een nieuw voorwoord, gedateerd december 1989, vlak na het vallen van de Berlijnse Muur. Hij constateert dat de Muur ‘vol gaten’ zit en vraagt zich af of de Tweede Wereldoorlog nu ‘eindelijk voorbij’ is. 25 jaar later kan ik zeggen dat er in 1989 inderdaad een tijdperk werd afgesloten, waarna mijn oorlogen konden plaatsgrijpen: in Irak, op de Balkan, in Afghanistan. En zoals het schrijven van ‘deze stukken voor de Volkskrant’ Nooteboom de vrijheid gaf zich op zijn manier ‘met de wereld bezig te houden’, zo biedt dit blog mij de ruimte om op mijn wijze ‘erdoorheen’ te lopen. En daarmee wordt 1hundred1 evenals Een middag in Bruay ‘wat het is, [een] portret, hoe dan ook, van een tijd, en van [een] iemand in die tijd.’

Nu ik de eerste stukken in de bundel weer lees, die zich in Noord-Frankrijk afspelen, besef ik dat het Nooteboom is geweest die, samen met de impressionist Claude Monet, de somberte heeft verlicht die in mijn jeugdherinneringen – in een afgeladen Simca door het Rijselse kolengebied naar het zuiden toe – over dat deel van Frankrijk hing. Nooteboom en Monet hebben me het duwtje in de rug gegeven dat ik nodig had om ook eens een vakantie in die noordelijke streken te wagen. Ik heb intussen meerdere malen gezien hoe mooi het daar kan zijn. Herlezen is ook met een rijkere blik over een langere periode terugkijken.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-06-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Deze uitkomst is geen uitkomst

Ik heb schoon genoeg van No ideas but in things, leuze van de ook in Nederland nog altijd geldende poëtische norm. Ik citeer jongedichters.weebly.com:

Hoe schrijf je nu een goed gedicht?

1. Wees origineel
2. Gebruik beelden
3. Roep gevoelens op
4. Pas op met (vol)rijm!

Ik weiger dit zuiveringsproces te ondergaan: ik ben niet altijd origineel, ik abstraheer regelmatig, en laat vaak ideeën de boventoon voeren en niet mijn gevoelens! Waarom zou poëzie dat niet mogen reflecteren?

Er is géén recept voor een goed gedicht. Er zijn wel bereidingsvoorschriften die een einde willen maken aan debat, uit zijn op politiek gewin, trachten een onbetwistbare status te verkrijgen. Iets wat WCW met zijn dichtregel – ‘No ideas but in things’ – helemaal niet op het oog had. Hij gaf slechts uiting aan zijn persoonlijke visie, smaak. Helaas gingen minder begaafden ermee aan de haal en plaatsten het als zinspreuk onder hun wapen.

‘Maar deze uitkomst is natuurlijk geen uitkomst, zo er al in de geschiedenis, om dat woord dan ook maar eens te gebruiken, sprake is van uitkomsten.’ — Cees Nooteboom, in De Parijse beroerte, De Bezige Bij, 1968

Aan mijn open discussie met George Oppen ontsproot alweer het volgende concept gedicht (er wordt nog aan gesleuteld):

6

We hebben materie
tot onze afgod gemaakt, we hebben de wereld
stormenderhand ingenomen en Robinson Crusoe

gered

we hebben ons wegen gebaand

waarlangs we niet meer kunnen terugkeren

vergezeld door dat stok-
oude idee
van het beloofde land.

(Dit bericht verscheen eerder, op 19-01-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)