Gedicht Carl Phillips

PARABEL

Er was eens een heilige,
hij hoefde maar een kleine klok te luiden
over ’t water en allerlei

soorten vis
kwamen boven, als antwoord, hij was
zo heilig, overredend,

beide, of de vissen
misschien enkel en alleen
hongerig, hun lichamen

zacht glanzend van
de hoop vooral die honger
met zich meebrengt, welke

reden dan ook, de vissen
komen uit vrije wil,
komen in scholen

in de heilige hand en,
in plaats van krijgen,
worden ze voer.

Sindsdien denk ik aan
jouw lichaam – zoals ik het voor het eerst
leerde kennen, hoe het nog altijd

kan zijn, met het mijne,
soms. Ik denk aan
dat onmiddellijke en laatste gebaar

van de vissen die het water verruilen
voor vlees, zij zullen zeker
doodgaan, en ik weet maar niet

hoe ik dat moet noemen.
Niet gulheid of
een blinde, goedgelovige, brute

stupiditeit. Niet de ziel
afgeleid van haar natuurlijke
gebed, wat aandacht is,

want in het verhaal schenken ze
aandacht. Ze
verliezen zichzelf met wijd open ogen.

Carl Phillips
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 05-09-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)