Spannende kleine uitgevers

s12

‘Het echt spannende, vernieuwende gebeurt daar [over de grenzen] bij de kleine uitgevers. Ik denk dat we daar in de Lage Landen ook naartoe evolueren,’ zegt Carl De Strycker in zijn eigen Poëziekrant, die net uit is. Frank Pollet stelde vragen aan zeven ‘kleinere poëziespelers’, onder wie het PoëzieCentrum zelf. De keuze wordt niet gemotiveerd, maar het betreft vier uitgeverijen uit België en drie uit Nederland: het balanseer uit Aalst, P uit Leuven, PoëzieCentrum uit Gent, Scriptomanen uit Erembodegem, Liverse uit Dordrecht, Kleinood & Grootzeer uit Bergen op Zoom en WEL eveneens uit Bergen op Zoom. In het artikel worden nogal wat cijfers genoemd, die ik, als kleine uitgever, interessant vind. Ik heb ze op een rijtje gezet (zie afbeelding hierboven).

Pak ’m beet 1 op de 10 manuscripten haalt het bij deze uitgeverijen tot een daadwerkelijke uitgave. Wel is de kans bij de ene uitgeverij groter dan bij de andere. Met meer dan 10 uitgaven per jaar zijn P, PoëzieCentrum en Liverse niet langer kleinere spelers op de poëziemarkt, waar ‘grote jongens’ als De Bezige Bij en Atlas Contact onder de 10 blijven steken. Ook opvallend vind ik de hogere gemiddelde oplages van de Belgische uitgeverijen, ruim 300 exemplaren per bundel tegenover nog geen 150 bij de Nederlandse ondernemingen. In het artikel wordt daar geen verklaring voor gegeven. Zou de Belgische markt groter zijn dan de Nederlandse? Of zouden er in Nederland meer uitgeverijen actief zijn, waardoor de koek onder meer spelers moet worden verdeeld? Of zou hier de keuze voor twee minder bekende Nederlandse uitgeverijen uit Bergen op Zoom van invloed zijn? Het blijft gissen. Over verkoopcijfers wordt in het artikel helaas niet gerept. Laat ik dat tot slot dan doen: de verkoopcijfers van Uitgeverij Stanza variëren op dit moment tussen 25 – 200 exemplaren per bundel spannende, vernieuwende poëzie.

(Dit bericht verscheen eerder, op 07-10-2015, op ollauogalanestas.tumblr.com.)

Weinig relevant voor de handel dus

Ik vind ’Leve de poëzie! Waar blijft de kritiek?’ een sympathiek stuk en zijn stellers Carl de Strycker, Luuk Gruwez en Yves T’Sjoen positivo’s. Maar hun redenering is onvoldoende onderbouwd. De volgende zin maakt de kern van het betoog uit:

‘Poëzie is blijkens alle vermelde symptomen – het lijstje is verre van uitputtend – een maatschappelijk relevant genre waartoe velen zich aangesproken voelen.’

Helaas wordt ‘velen’ niet gekwantificeerd, waardoor in het midden blijft of de toekenning van het kenmerk ‘maatschappelijk relevant’ aan het poëtisch genre ook inderdaad juist is. Hoeveel Nederlanders en Vlamingen kopen er jaarlijks nog een poëziebundel?

De Nederlandse Poëzie Encyclopedie laat tussen 2009 en 2013 een daling zien van het aantal uitgaven per jaar – ‘reguliere oorspronkelijk Nederlandstalige solodichtbundels en bloemlezingen’ – van ruim 30%: van 238 in 2009 naar 161 stuks in 2013. Niet verrassend gezien de algehele malaise op de boekenmarkt.

Omdat uitgeverijen maar weinig loslaten, moet ik gissen naar de gemiddelde oplage per bundel: tussen 250 – 750. Er zijn 24 miljoen Nederlanders en Vlamingen. Bij 175 bundels (handjevol vertalingen meegerekend) en een gemiddelde oplage van 500 stuks (waarvan niets wordt gerecycled) kopen jaarlijks 4 op de 1000 mensen een nieuwe dichtbundel (de tweedehandsjes buiten beschouwing gelaten).

En ik koop meer dan één bundel per jaar. Veel meer. Ik wed dat alle poëziekopers van het afgelopen jaar gemakkelijk in De Kuip passen. Weinig relevant voor de handel dus.

(Dit bericht verscheen eerder, op 24-03-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Mijn poëzie

De wind was me gedienstig van de week (we waren een weekje op vakantie in Giethoorn): voor het varen én voor de finalisering van het lange titelgedicht van mijn nieuwe chapbook dat begin volgend jaar zal verschijnen. ‘Mijn poëzie’ is qua idee dat er aan ten grondslag ligt een navolging van David Bromige’s gedicht ‘My Poetry’ (uit My Poetry, The Figures, 1980). Beide gedichten zijn een collage, waarbij knipsels uit recensies van het eigen werk aan elkaar zijn geplakt. In mijn geval gaat het om kritieken van Chrétien Breukers, Jeroen Dera, Hans Groenewegen, Laurens Ham, Frank Keizer, Erik Lindner, Joep van Ruiten, Mark van der Schaaf, Carl de Strycker en Samuel Vriezen. De eerste strofe van mijn prozagedicht luidt als volgt:

‘Mijn poëzie is bij elkaar geveegd in een omslag. Ik heb mijn naam erop gezet, het een boek genoemd en mijzelf auteur. Zo eenvoudig is dat. Hoewel wisselvallig en niet altijd even samenhangend, is mijn werk ambitieus, uniek en relevant voor de hedendaagse ontwikkeling van poëzie. Breed opgevat gaat het me om het verlies van de relatie tussen woord en leven, dat een keten van lege woorden voortbrengt. Het is tijd om het prestige dat taal in onze cultuur geniet te verwerpen. Mijn poëzie is conceptueel, lijkt lastig of zelfs onleesbaar, wat mede voortkomt uit een radicale drang om álles te tonen. En soms is er lyriek, een persoonlijke lyriek, even geen afstand meer tussen persoon en dichter, momenten waarop ik me laat gaan en lezers probeer te raken.’

Ik ga a.s. zondag naar de ‘book launch’ van Rob Halperns Rampensuites, vertaald door Frank Keizer & Samuel Vriezen en uitgegeven door Perdu. De presentatie vindt plaats tijdens de eerste editie van het Read My World Festival, dat speciale aandacht heeft ‘voor journalistiek, literatuur en alles daartussenin.’ Halpern is een ‘coming man’ binnen de Amerikaanse poëzie en zijn Disaster Suites een spektakelstuk. Ik ben benieuwd naar de Nederlandse vertaling ervan. Het festival wordt georganiseerd door een jongere generatie met oog voor wat er op politiek en literair gebied zowel binnen als buiten onze landsgrenzen afspeelt.

Iemand die ook interesse toont in de hem omringende politieke & literaire wereld is H.C. ten Berge, al weer 74 jaar oud. Ter voorbereiding op het interview dat Olaf Risee en ik hem in oktober zullen afnemen, lees ik momenteel De honkvaste reiziger – Dagbladen, veldnotities I uit 1995 (is er ooit een deel II verschenen?). Ik geniet. Verplichte kost voor iedere poëzieliefhebber.

‘Telkens weer blijkt een van scheppingskracht verstoken leven nauwelijks de moeite waard.’

Zowel Read My World als H.C. ten Berge brengen me in contact met dichters van wie ik nog niet eerder had gehoord en die mijn horizon verbreden. Uit ontmoetingen die aan het toeval worden overgelaten groeit soms iets moois. Vanwege een terloopse opmerking van Ron Silliman schafte ik David Bromige’s My Poetry aan, voor $ 50 + verzendkosten. Daar heb ik geen spijt van.

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-09-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

De Officiële Nederlandstalige Poëziecultuur

Charles Bernstein zegt het keer op keer: ‘Poetry can’t be contained by any set of formal qualities.’ Of: ‘Poëzie is de aversie tegen conformisme.’ Bernstein zet zich af tegen wat hij de ‘official verse culture’ noemt, ‘the nexus of poets and critics who enforce norms of poetic value.’ Poëzie dient volgens Bernstein ongedefinieerd te blijven, een individuele enclave van tekstuele vrijheid als tegenwicht tegen politiek: poëzie als ‘Counter-State’.

Ik moet denken aan de woorden waarmee Carl De Strycker onlangs een recensie afsloot: ‘[P]oëzie is geen kretologie, maar altijd in de eerste plaats woordkunst.’ Wat is dat: ‘woordkunst’? De Strycker lijkt er iets van de volgende definitie aan te hangen: het veranderen van de taal, iets bereiken in taal. Hij prefereert, zoveel is wel duidelijk, op taal gerichte poëzie boven geëngageerde verzen.

Ik heb ineens overal rode, jeukende bultjes. Vanwege het feit dat: (1) poëzie weer eens de wet wordt voorgeschreven, (2) vage definities worden gehanteerd en (3) het mij onduidelijk is waarom op taal gerichte poëzie niet ook geëngageerd zou kunnen zijn (de poëzie van Charles Bernstein is hier een voorbeeld van). Misschien moet ook ik eens een mandje vlechten, voor de Vertegenwoordigers van de Officiële Nederlandstalige Poëziecultuur.

(Dit bericht verscheen eerder, op 02-01-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)

‘Carl De Strycker’ levert 2170 Google hits op

In het laatste nummer van de Poëziekrant bespreekt Carl De Strycker Flarf, een bloemlezing. Hij trekt o.a. de volgende conclusie: 

‘Voor flarfdichters is het internet dus de ultieme bron van intertekstualiteit. En ja, een flarfgedicht dat volledig bij elkaar gegoogled is, is een statement: de originele taal, de nieuwe tekst bestaat niet. Maar is dat een nieuw inzicht? Allesbehalve. Levert de illustratie van die filosofische idee (Roland Barthes, toch?) boeiende poëzie op? Nee. Intertekstualiteit is pas interessant wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft, maar daarvoor moet wel herkenbaar zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt. Dat is in flarfgedichten niet het geval: daar is alles gestolen, gesampled, geknipt en geplakt. Het levert over het algemeen redelijk onbeduidende poëzie op en in de gevallen dat er toch iets interessants uit de computer rolt, is het nog maar de vraag of dat in de buurt komt van Dirk van Basteleare of Peter Holvoet-Hanssen, die eigenlijk met soortgelijke technieken werken. De demarcatielijn tussen hun poëzie en flarf? De inzet, de achterliggende bedoeling. Flarf is vormexperiment, bij Van Bastelaere of Holvoet-Hanssen staat de techniek in functie van de inhoud.’

Julia Kristeva introduceerde het begrip ‘intertekstualiteit’ en Roland Barthes theoretiseerde er op voort.

‘Theorists of intertextuality problematize the status of “authorship”, treating the writer of a text as the orchestrator of what Roland Barthes refers to as the “already-written” rather than as its originator. “A text is […] a multidimensional space in which a variety of writings, none of them original, blend and clash. The text is a tissue of quotations […]. The writer can only imitate a gesture that is always anterior, never original. His only power is to mix writings, to counter the ones with the others, in such a way as never to rest on any one of them.”‘ (Daniel Chandler)

En nu dan De Strycker, die aan intertekstualiteit een geheel eigen waardeoordeel hangt:

‘Intertekstualiteit is pas interessant wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft, maar daarvoor moet wel herkenbaar zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt.’

Dat mag je vinden, maar verkoop het niet als de waarheid. Ik val hierover omdat vervolgens op grond hiervan de poëzie van Van Bastelaere en Holvoet-Hanssen hoger wordt aangeslagen dan flarf. Per definitie. Flarf wordt als genre door De Strycker afgeserveerd omdat het louter zou citeren, alleen maar vormexperiment is. Ook als ‘er toch iets interessants uit de computer rolt’.

En dat er soms iets interessants uit de computer rolt geeft De Strycker ook herhaaldelijk aan. En echt: dat waardeer ik. Hij heeft de bloemlezing goed gelezen. Hij zegt onder meer het volgende:

‘Dit soort flarfgedichten, waarin op intelligente manier het medium internet met zijn zogezegde ongebreidelde communicatiemogelijkheden op de korrel genomen wordt, draagt wel degelijk iets bij aan de poëzie. Zo is Erwin Vogelezangs “Gevoelens van eenzaamheid zijn te verminderen via internet” een spottende aanklacht tegen het valse gevoel van sociaal contact dat het net biedt. En ook Ton van ’t Hof gaat op een ingenieuze manier met zijn materiaal om. Zijn gedicht “In reactie op de eis van Geert Wilders om in navolging van Mein Kampf de Koran te verbieden” is een striemend antwoord waarin allerlei stemmen over dit onderwerp met elkaar geconfronteerd worden tot een angstaanjagende glossolalie.’

Laat ik samenvatten wat De Strycker beweert: sommige flarfgedichten dragen wel degelijk iets bij aan de poëzie, maar ze komen niet in de buurt van het werk van Van Bastelaere en Holvoet-Hanssen (die eigenlijk met soortgelijke technieken werken) omdat niet duidelijk is wat eigen tekst is en wat wordt geciteerd. De flarftechniek staat niet in functie van de inhoud.

Tja. De Strycker signaleert naast middelmatige ook geslaagde flarfpoëzie, maar vindt die laatste categorie vervolgens toch niks omdat het bijeen geflarft is. Hij lijkt hierbij uit te gaan van de vooronderstelling dat poëzie een persoonlijk spreken is of moet zijn. Alleen dan kan er volgens hem, zo meen ik te lezen, sprake zijn van een ‘inzet’, een ‘achterliggende bedoeling’.

Evenals andere critici heeft ook De Strycker moeite met de afwezigheid van een uitgewerkt manifest, waarin flarfers hun poëtica tot in detail verklaren en vernieuwing claimen. In plaats van in te gaan op deze afwezigheid verzint De Strycker zelf maar een aanspraak op innovatie: ‘De combinatie van gerespecteerde avant-gardetechnieken en een hedendaagse context zou dan een vernieuwende poëzie moeten opleveren.’ In de inleiding van de bloemlezing valt iets anders te lezen:

‘FLARF is: een opleving van de collage binnen de poëzie.

‘De combinatie van de eigenheid en charme van de collage als kunstvorm en de aard van de door FLARFdichters gebruikte tekstmateriaal is ESSENTIEEL.

‘De nieuwe technologische innovaties in combinatie met een verlangen om de moderne tijd in al haar taalhoedanigheden in de poëzie te onthalen en de uitgelezen mogelijkheid die de collage hiertoe biedt, vormen samen een verklaring voor het ontspruiten van FLARF in deze tijd.’

Flarf problematiseert opnieuw de concepten van originaliteit, creativiteit en expressiviteit. En door zichzelf als een beweging te presenteren zonder manifest, zonder claim op vernieuwing, wordt deze problematisering nog eens versterkt. Noem flarf nihilistisch, ironisch, hedonistisch, absurdistisch, humoristisch of sceptisch, maar vernieuwend? Nee.

Over intertekstualiteit laat ik graag Daniel Chandler nog eens aan het woord:

‘Texts are instrumental not only in the construction of other texts but in the construction of experiences. Much of what we “know” about the world is derived from what we have read in books, newspapers and magazines, from what we have seen in the cinema and on television and from what we have heard on the radio. Life is thus lived through texts and framed by texts to a greater extent than we are normally aware of. As Scott Lash observes, “We are living in a society in which our perception is directed almost as often to representations as it is to ‘reality.'” Intertextuality blurs the boundaries not only between texts but between texts and the world of lived experience. Indeed, we may argue that we know no pre-textual experience. The world as we know it is merely its current representation.’

Je zou van een flarfgedicht kunnen beweren dat het een tekst is die ultiem intertekstueel is. En dat het door het gebruik van flarden internettekst een beeld van de wereld kan geven zoals wij die nu kennen. Maar kom niet aan met de flauwekul dat de ene vorm van intertekstualiteit beter is dan de andere, dat ‘intertekstualiteit pas interessant is wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft’, gevolgd door de nog grotere onzin dat ook nog ‘herkenbaar moet zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt’. Ook Van Bastelaere lacht zich rot.

Carl De Strycker eindigt zijn recensie zo:

‘Wie de biootjes aan het eind van de bloemlezing doorneemt, merkt dat de verzamelde dichters vooral uit het blogmilieu komen. Flarf is dus niet meer of niet minder dan een strategische zelfpositionering, een poging om, gelegitimeerd als erfgenamen van dada, vanuit het nog steeds als perifeer beschouwde internetcircuit een plaatsje in het literaire centrum te verwerven. Want hoewel al deze dichters op het net veel hits hebben, blijken ze toch vooral met hun papieren publicaties geassocieerd te willen worden, zo blijkt uit hun cv’s. Ondanks hun geloof in de kracht van Google, zelfs als poëtisch middel, blijken ze de slogan “if you don’t find it, google it” niet te vertrouwen als het op zichzelf aankomt. Toch maar liever met hun naam in de literatuurgeschiedenis dan ergens op het www blijkbaar.’

Hé! ‘Carl De Strycker’ levert 2170 Google hits op!

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-12-2009, op 1hundred1.blogspot.nl.)