Weten dat iets waar is

‘Ik ben geen pure estheet, maar een waarheidszoeker.’ – C.O. Jellema

De Groningse dichter C.O. Jellema (1936-2003) wilde de dingen graag zien zoals ze werkelijk zijn, zocht naar de onbevangenheid die daarvoor nodig is, maar bevroedde tegelijkertijd dat díe mate van onbevangenheid onvindbaar is. Er blijft iets voor ons verborgen, aldus Jellema, en hij noemde dat ook wel de waarheid áchter de dingen.

Maar desondanks gaf hij de hoop niet op. Hoop waaruit gedichten voortkwamen. Gedichten waarin het beeld een hoofdrol vervult. In zijn postuum verschenen essaybundel Een open plek legt Jellema uit waar het bij het maken van een gedicht volgens hem om gaat:

Om iets te begrijpen, niet in het systeem van een theorie, maar in de ordening van beelden, zodat het inzicht niet vooraf gaat aan de formulering, doch het voltooide gedicht inzicht achteraf pas mogelijk maakt. Het gedicht ligt altijd een stap voor op inzicht en zelfkennis; over wat je weet maak je geen gedicht.

‘Ik ben geen pure estheet,’ zegt Jellema even later, ‘maar een waarheidszoeker.’ Om daarna zijn dichterlijke aha-erlebnis onder woorden te brengen die ik maar al te goed begrijp: 

De esthetische reflectie […] dient bij het maken van een gedicht de vorm. Geleid worden die reflecties door een achter alle bewuste of onbewuste beslissingen staand waarheidsbeginsel. Alleen in die vorm, die gestalte kan het gedicht waar zijn. Het zoekt door middel van zijn vorm zijn waarheid. Wat is die waarheid dan? In elk geval ligt die door de esthetiek van de vorm heen ook weer buiten de esthetiek, hoewel niet anders dan in die ene vorm op die manier waar. In elk geval geen van te voren gekende waarheid, en geen algemeen geldige. Het is een waarheid die zichzelf voortbrengt in het gedicht en dan voor bepaalde duur geldigheid heeft.

Weten dat iets, wat verder dan het denken reikt, en alleen in die ene vorm, waar is. 

Een open plek: Essays, C.O. Jellema, kleine Uil, 2009: via bol.com.

Het sopranen van een gehageld konijn

Ik lees dat Edwin de Groot in 1963 geboren is. Kom aanwijzingen tegen dat hij ooit een weblog heeft bijgehouden, dat thans verdwenen is. Hij woont in Oudehaske, vlakbij Heerenveen. In 2007 won hij de Rely Jorritsmaprijs voor het ‘beste ingezonden gedicht’, een prijs die tegenwoordig wordt uitgereikt in de kerk van Beers. Dan vind ik nog ergens een persbericht:

Een haas is een gelukkig kind / In hazze is in lokkich bern is de derde dichtbundel van Edwin de Groot en zijn eerste tweetalige. Thema’s als vergankelijkheid, de betrekkelijkheid van ons bestaan en het bestaan van de dichter vormen wel de rode draad. Aan het einde zijn we maar een stofje in het universum. Dat kan triest overkomen, maar ook bevrijdend zijn.’

In het afsluitende gedicht komen we nog meer over De Groot te weten: dat C.O. Jellema een belangrijke inspirator voor hem is, dat zijn aandacht vooral naar het land uitgaat en dat hij schrijft om te kunnen blijven ademhalen. Deze bundel speelt zich buiten af, rondom het huis, in het dorp, op akkers en in weilanden, waar we ook hazen tegenkomen.

C.O.J.

In elk boek kwam jij terug, beter
je bleef niet weg, gehecht
als een in een bevroren vore
gevroren haas

Ik zoek verder, laat het
land leegstromen
en vertrouw je toe

Een groot dichter schreef eens
over een instinct
waarmee bestaan zich redt op eigen kracht

Edwin de Groot

Als De Groot al onzekerheid kent, dan weet hij dat goed te verbergen: hier spreekt een dichter met luide, standvastige stem. Zo slaat de lente in, worden in flitsende ritmische halen doeken versneden en rijst een stoer granieten trio stieren op uit zee. De spielerei met bijvoeglijke naamwoorden is een andere kracht: aangebrande klinkers, groengestoppeld geboomte, roodwangige dag.

De Groots Nederlandstalige debuut is buiten Friesland vrijwel onopgemerkt gebleven. Wat maar één ding betekenen kan: zijn bundel is niet door recensenten gelezen, want anders zouden er loftrompetten zijn gestoken en hadden meer mensen van deze prachtige aardse poëzie kennis kunnen nemen. Edwin de Groot bezit de gave.

ZORG EN GENOT

Het is mij vaak uitgelegd, al vroeg ik daar nooit om
Van dat hermetische; dat er geen ontsnappen aan is

Ik denk aan Lucio Fontana met stanleymes
Hoe hij in flitsende ritmische halen
zijn stipt beschilderde doeken versneed
Zo de ruimte achter het doek wou blootleggen zoals grootvader
het opschot uit de boswallen zaagde en je dan de verte erachter
die je al wel wist, kon zien
Ik loop er veel alleen

Volg de paden geplaveid met eigen formules
en bezweringen schitteren met licht en wonder
Ik weet precies waar de kieren zitten
en leg het uit, al vraagt niemand daarom

Edwin de Groot

In hazze is in lokkich bern / Een haas is een gelukkig kind, Edwin de Groot, Uitgeverij De Contrabas, 2013.

(Dit bericht verscheen eerder, op 14-06-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)