Ze drongen zomaar bij me binnen: beelden van een meisje met wie ik ooit verkering heb gehad. Lang blond haar, blosjes op haar wangen. M. heette ze. We moeten vijftien, zestien zijn geweest. Spijkerbroeken droeg ze, flanellen bloezen en leren cowboylaarzen. Ze was best stoer. Ik zat op het Bonaventura, in Oegstgeest, net als Boudewijn Büch, maar dan tien jaar later. Waar zij op school zat ben ik vergeten. En hoe we elkaar hebben ontmoet en hoe lang gezoend weet ik ook al niet meer. Wel waar ze woonde, in een rijtjeshuis in de Merenwijk, Leiden.

Vaag herinner ik me nog iets van plaatjes draaien en een avondje uit, wat wazige indrukken, meer niet. Het moment daarentegen waarop het uitraakte staat op mijn netvlies gebrand. We waren met zijn vieren op haar kamer, op een zondagmiddag meen ik, en hadden lol: zij, ik, een vriendin van haar en Arnold, een boezemvriend van mij. Plotseling bleef M’s mond wagenwijd openstaan en begon ze gevaarlijk te loeien. Het was een ontzettend lijp gezicht. Haar ogen rolden van links naar rechts. Arnold en ik proestten van het lachen. De vriendin krijste dat M’s kaak op slot zat, omklemde met een hand de krakende laadklep en probeerde de boel los te wrikken. Toen vader en moeder binnenstormden dansten de twee vriendinnen door de kamer en rolden Arnold en ik over de vloer. Gelukkig wisten de ouders het euvel snel te verhelpen, blijkbaar kwam het vaker voor, waarna M. ons eruit bonjourde. Witheet was ze.

Tikoes opgehaald in Zeist, ze blijft een kleine week logeren. Onderweg een bakkie gedaan bij pa en ma. Pa heeft eindelijk z’n gehoorapparaten gekregen en hoort weer als een jonge god! ‘Had ik dit maar tien jaar eerder gedaan,’ zei de ijdeltuit van 84. Ma is naar de kraker geweest en loopt weer rechtop. Het was een vrolijke bedoening daar. Oost van Heerenveen nog ruim anderhalf uur met de hond gewandeld.

43565A07-BCE6-44AB-9848-9906911A8F78
Tikoes, Nieuwehorne, 2018 © Ton van ’t Hof

Kijk naar een reisprogramma op Arte, waarin een Fin door een onherbergzame maar wonderschone streek van Rusland reist. Bij een plaatselijke bewoner drinkt hij zelfgestookte gin: om kracht op te doen en ziektes te bestrijden! ‘Zie je nou wel dat drank goed voor je is,’ zeg ik tegen Hennie, die verstoord uit haar boek opkijkt.

Alle afleveringen van Verder kijken met Krabbé gezien, waarin Jeroen Krabbé en regisseur Richard den Dulk dieper ingaan op items uit het weergaloze tv-programma Krabbé zoekt Gauguin. Dit is televisie naar mijn hart. Kundig en met passie gemaakt, en over een onderwerp waarvoor ik bovenmatige belangstelling heb: schilderkunst. Van Gauguin wordt een veelzijdig beeld geschetst: fantast, charlatan, straatschoffie, levensgenieter, syfilislijder, voorvechter en, bovenal, schilder. Een geweldige schilder.

‘Van wie is deze geile stem?’ vraagt Hennie.
Ik leg Klinkende ikken van Atte Jongstra neer en antwoord: ‘Geen idee.’
‘Nee?’
‘Nee.’
‘Van Marvin Gaye.’
‘Oh.’
‘Hij was een hele mooie man hoor.’
‘Ik zou hem niet kunnen herkennen, op een foto,’ zeg ik, want dat hij dood was, dat wist ik dan weer wel, neergelegd door zijn vader, een dominee.

Hennie is gek op soul, ik ben er, evenals voor jazz, allergisch voor.

Overigens is Klinkende ikken het eerste boek dat ik van Jongstra lees. In dit deel van de Privé-domeinreeks, nummer 266, gaat hij, vaak op hilarische wijze, op zoek naar zijn eigen essentie. Dat die essentie zich maar moeilijk laat raden, spreekt voor zich. Plezante lectuur. Op pagina 71 komt Boudewijn Büch nog even om de hoek kijken, als Jongstra op Malta de Hollandse winter ontloopt:

‘Ik wees op een rotsklomp, vijf kilometer uit de kust. “Filfa,” zei ik. Je mag er eigenlijk niet komen, maar Boudewijn Büch heeft er toch weer voetstappen liggen.”’

Dat klopt als een bus, ik herinner me de aflevering nog goed waarin Büch zich met een helikopter op de Maltezer klip laat afzetten, te midden van zijn krijsende en kakkende bewoners: duizenden vogels.

F03472DB-6911-4FD4-9A7A-8703CA7E27C5
Ypecolsga, 2018 © Ton van ’t Hof

Ik lees het bij Gerbrand Bakker en schrijf het op omdat ik het niet vergeten wil: Boudewijn Büch ligt begraven op Driehuis-Westerveld. Ik zoek “Driehuis-Westerveld” op: ‘Westerveld, gelegen aan de Duin en Kruidbergerweg in Driehuis, is een van de oudste particuliere begraafplaatsen in Nederland.’ Driehuis, vlakbij Velsen. Daar ga ik Büch dan nog eens opzoeken. Waarom ligt ie eigenlijk daar?

Begonnen in Het innerlijk blauw. Een keuze uit het dagboek 1918-1939 van de Fransman André Gide. Privé-domein nr. 259. Wie was Gide (1869-1951)? ‘Zonder enige twijfel een van de belangrijkste Europese schrijvers van zijn tijd,’ lees ik op de achterflap, ‘maar ook een vat vol tegenstrijdigheden. Schrijver van de eerste moderne roman van de vorige eeuw (Les Faux-Monnayeurs), zorgvuldig stilist, oprichter van de Nouvelle Revue Française, homoseksueel die zich het hoofd brak over geloofskwesties, moralist en reiziger.’

Ik kende Gide niet, totdat ik enkele weken geleden een citaat uit een van zijn dagboeken tegenkwam, over kunst, waarna ik direct Het innerlijk blauw aanschafte (2e-hands, € 24 exclusief verzendkosten). Het citaat, uit 1918, in het Engels:

‘All great works of art are rather difficult to access. The reader who thinks them easy has failed to penetrate to the heart of the work. That mysterious heart has no need of obscurity to defend it against an overbold approach; clarity does this well enough. Very great clarity, as it often happens for the most beautiful works… is, to defend a work, the most specious girdle; you come to doubt whether there is any secret there; it seems that you touch the depths at once. But ten years later you return to it and enter still more deeply.’

Wat een pil: 662 bladzijden, bijna 6 cm dik. Benieuwd of Gide mijn aandacht weet vast te houden.