19012017

~ Een goede vriend van mij is geboren in het stadje Fontainebleau, dat even ten zuiden van Parijs ligt. Zijn vader werkte als Nederlandse militair bij een NAVO-eenheid die daar toentertijd gelegerd was. Claude Monet heeft nog voor het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in 1870 regelmatig in de bosrijke omgeving van Fontainebleau geschilderd. Daar berichtte ik hier al eerder over.

img_1279
Topografische kaart van Fontainebleau en omgeving, editie P. Lacodre, 1895

Gisteren liep ik door het Bos van Ypey en zag daar licht Veronesegroen mos, een kleur die me aan schilderijen van Monet deed denken. Impressionisten waren dol op dit groen. Het synthetische pigment waarmee de verf wordt gekleurd is giftig en kende ook enige tijd een toepassing als insecticide.

96ea1f61-1ada-41e7-a041-910ad8e73294
Landschap 58, Bos van Ypey, Tytsjerk, 2017 © Ton van ’t Hof

Vanochtend ben ik op zoek gegaan naar het Veronesegroen in Monets oeuvre en vond al ras twee schilderijen, die hij in de jaren zestig van de 19e eeuw in de bossen rondom Fontainebleau schilderde en waarin het groene pigment mogelijk is verwerkt. We zien zandpaden en eikenbomen. Wat een pracht. Op het eerste schilderij lijkt de zomer net aangebroken en op het tweede is het alweer herfst. Van het pad op het tweede schilderij, dat naar het dorp Chailly loopt (zie ook topografische kaart hierboven), vond ik ook nog een foto van Gustave Le Gray, die hij omstreeks 1856 maakte.

art-monet.com
‘Route en fôret’, Claude Monet, 1864, 42,5 x 59,3 cm, privécollectie
Le Pavé de Chailly
‘Le pavé de Chailly’, Claude Monet, 1865, 42 x 59 cm, Musée d Orsay, Parijs
img_1277
‘Perspective du pavé de Chailly, autre ciel nuageux’, Gustave Le Gray, ca. 1856

~ Gelezen: Grafreizen van Boudewijn Büch, in opdracht van de Vereniging voor Crematie AVVL ter gelegenheid van haar 75-jarig bestaan, 1919-1994. Een vlot geschreven werkje, waarin Büch verslag doet van eigen en andermans (omgevallen boekenkast) bezoekjes aan beduidende en onbeduidende godsakkertjes. Op een oorlogsbegraafplaats in de buurt van Ieper:

‘[D]e zerk van Harold Rowland Hill – gesneuveld in 1917 op 22-jarige leeftijd – die onder zijn naam de extra-tekst (door nabestaanden betaald) heeft: “I’m allright mother, cheerio.”‘

Op de omslag staat een foto van het graf van de Noor Hans Albert Gulliksen, dat op Deception Island, Antartica te vinden is. Gulliksen was, toen hij in 1928 op 56-jarige leeftijd overleed, als timmerman werkzaam in de walvisindustrie. Over Gulliksen wordt in dit boekje overigens verder niet gesproken.

850d2e81-b33b-42e7-a94e-4642d0054820

12012017

Momenteel lees ik Alfred van Cleefs amusante boek Het verdwaalde eiland (Meulenhoff, 1999), waarin hij verslag doet van zijn verblijf op een van de meest afgelegen oorden ter wereld: het Franse Île Amsterdam.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Amsterdam is een vulkaantop in het zuidelijke deel van de Indische Oceaan, die ruim 880 meter boven water uitsteekt en een boven-water-oppervlakte heeft van ca. 55 km². Het heeft ook een ‘hoofdstad’, Martin-de-Viviès, waar 35-50 mensen, voornamelijk wetenschappers, steeds voor langere tijd (6 tot 18 maanden) wonen. Het waait en regent er vaak.

img_1234

Waarom zou je naar dit godverlaten plekje toe willen? Van Cleef kan zijn drijfveer slechts in vragende zin onder woorden brengen:

‘In de ogen van de Griekse filosoof Anaximander vormde eindeloosheid een begrip dat haaks stond op orde en hiërarchie; op die manier was hij tot het inzicht gekomen dat de wereld slechts te definiëren en te begrijpen viel als je de grenzen ervan kon vaststellen. Wilde ik mijn bestaan doorgronden door de randen te onderzoeken van hetgeen mij omgaf? Was het daarom dat ik mij bezighield met het beklimmen van de hoogste toppen, het zoeken naar de meest afgelegen dorpen, de gevaarlijkste achterbuurten, het noteren van de hoogste en de laagste temperaturen?

Ten prooi gevallen aan het eilandgevoel, zou Boudewijn Büch vaststellen.

Als ik online naar beelden van Île Amsterdam zoek – het oog wil ook wat – word ik blij: ze zijn er in overvloed; een geneugte van het internettijdperk. Prachtig is deze documentaire over een aantal eenzame Franse eilanden in de Stille Oceaan, waaronder Amsterdam:

Abbingha, Lee Harwood, O’Hara, Ashbery, Büch, Meillassoux

Over catalogisering, het Abbingapark, intieme poëzie en nieuwe aanwinsten

~ Vanochtend heb ik me eerst verdiept in libib.com, een platform dat je de mogelijkheid biedt om online je boekenverzameling te catalogiseren. Lijkt me wel wat.

~ Daarna een stevige stadswandeling gemaakt. In het Abbingapark (vernoemd naar de Abbinga State, een landhuis, waarin ooit een zekere Abba Abbingha woonde en dat hier eeuwenlang in de buurt heeft gestaan) lachten deze twee fraaie beuken me toe:

8ff6d15a-fe6b-4f42-a4da-3cd5ed5f83dd
Landschap 48, Abbingapark, Leeuwarden, 2017 © Ton van ’t Hof

~ Gelezen: Landscapes (Fulcrum Press, 1969) van de Engelse dichter Travers Rafe Lee Harwood (1939-2015). Ik las ergens een gedicht van hem en schafte onmiddellijk via AbeBooks een eerste drukje, hardcover, aan.

Lee Harwood publiceerde zo’n twintig bundels poëzie. Landscapes was zijn vijfde. In deze bundel beschrijft hij op intieme wijze zijn gewaarwordingen van en ervaringen met geliefden, landschappen en steden. De anekdotische gedichten doen me qua toonzetting en sympathie voor de schilderkunst denken aan het werk van Frank O’Hara.

Voor zijn tweede bundel, The Man with Blue Eyes (1966), ontving Lee Harwood, die tweemaal trouwde en drie kinderen kreeg, overigens de Frank O’Hara Prize. In deze bundel stipt hij onder andere zijn korte romance met John Ashbery aan.

De eerste afdeling, waarin Lee Harwood landschappen schildert, vind ik de mooiste. Daaruit dit gedicht, dat ook via PennSound te beluisteren valt:

33f90143-3d28-426b-b975-439e7323db4c

Via PennSound, door Lee Harwood zelf voorgedragen.

~ Nieuwe aanwinsten:

  • Grafreizen, Boudewijn Büch, AVVL Uitvaartzorg, 1994;
  • Na de eindigheid, Quentin Meillassoux, Leesmagazijn, 2016.

IJlander, Büch, Netscher, Rutten, Egeraat etc.

Over het verzamelen van opgezette dieren en nieuwe aanwinsten

~ Onlangs kocht ik bij Malle Pietje in Sint Annaparochie, een oude loods stampvol gedateerde hebbedingetjes, twee opgezette vogels voor € 55: een kerkuil en een sperwer. Ik bezat al een geprepareerde pauw.

Een kerkuil wordt in het Fries ook wel goudûle genoemd, vanwege zijn goudbruine kleur. Soms broeden ze in kerktorens. Ik heb geen idee hoe oud mijn uil is. Hij ziet er nog vrij gaaf uit. In Vogels in Friesland (red. Stichting Avifauna van Friesland, De Tille, 1977) lees ik dat er ‘volgens vele oudere inwoners’ in de eerste decennia van de 20e eeuw vooral in het noorden en oosten van Friesland ‘overal’ kerkuilen in boerderijen huisden. Wellicht is mijn exemplaar toentertijd daar aan zijn eind gekomen.

img_4035
Mijn opgezette kerkuil

Dieren die een natuurlijke dood zijn gestorven, mogen van mij worden opgezet. Ik bemerk bij mezelf een groeiende neiging tot het aanleggen van een verzameling opgezette vogels. Vraag me niet waar die begeerte vandaan komt. Ik weet wel dat ik Gijs IJlanders roman Een fabelachtig uitzicht (Veen, 1990), waarin een opgezette eekhoorn het mysterieuze verhaal van preparateur Zaalman vertelt, geweldig vind. Ook dwaal ik graag door natuurhistorische musea vol opgevulde wilde beesten. Veel dichterbij kan ik niet komen.

En misschien zijn mijn motieven wel net zo banaal als die van Boudewijn Büch (uit Een heel huis vol: Over een natuurwetenschappelijke verzameling, Natuurmuseum Rotterdam, 2001):

‘Ik heb slechts verzameld omdat ik tijdens mijn leven door mooie dingen omringd wilde zijn. En zeker ook opdat ik op elk moment van de dag mijn eigen spullen zou kunnen raadplegen en aanraken.’

Overigens werd Büch ooit de mogelijkheid geboden een ijsbeer aan te schaffen – ‘Ruim twee meter […] Hij is staand opgezet, met zijn voorpoten en klauwen omhoog.’ – maar zag er vanaf.

~ Vanochtend kocht ik in de kringloopwinkel voor € 24 de volgende boeken:

img_1190

  • Ons Eigen Land: Tusschen de zeeën en achter het duin, Frans Netscher, ANWB, ‘ter gelegenheid van zijn vijf-en-twintig-jarig bestaan’, ca. 1910;
  • Ons Eigen Land: Van de zuidelijke zandvlakten en heuvelrijen, Dr. Felix Rutten, ANWB, ‘ter gelegenheid van zijn vijf-en-twintig-jarig bestaan’, ca. 1910;
  • Het onbekende Nederland: Deel I: Noord-Brabant, Limburg, Dr. L. van Egeraat, N.V. Nutricia, ca. 1955;
  • Het onbekende Nederland: Deel III: Utrecht, Noord-Holland, Friesland, Dr. L. van Egeraat, N.V. Nutricia, ca. 1955;
  • Het onbekende Nederland: Deel IV: Groningen, Drente, Overijssel, Gelderland, Dr. L. van Egeraat, N.V. Nutricia, ca. 1955;
  • Uit Friesland’s volksleven: Van vroeger en later: Volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen: Eerste deel, Waling Dykstra, herdruk (facsimile?) van oorspronkelijke uitgave uit 1895, Van Seijen, ca. 1966;
  • Uit Friesland’s volksleven: Van vroeger en later: Volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen: Tweede deel, Waling Dykstra, herdruk (facsimile?) van oorspronkelijke uitgave uit 1895, Van Seijen, ca. 1966;
  • Elseviers Vogelatlas, C. Hilary Fry & J.J.M. Flegg, Elsevier, 1975;
  • Vogels in Friesland: Avifaunistisch overzicht van de op het vasteland van Friesland voorkomende vogelsoorten: Deel I, red. Stichting Avifauna van Friesland, De Tille, 1976;
  • Vogels in Friesland: Avifaunistisch overzicht van de op het vasteland van Friesland voorkomende vogelsoorten: Deel II, red. Stichting Avifauna van Friesland, De Tille, 1977;
  • Normandië, Bretagne, Jo Dominicus, reisgids, 8e, bijgewerkte druk, Gottmer, 1988.

De tijd wacht op niemand

Ouder worden we allemaal (2)

Ongeduld
Met mijn vader naar het ziekenhuis geweest, voor een routinecontrole van zijn hart. Hij is drieëntachtig. Had vorig jaar een hartaanval, een openhartoperatie en een beroerte. Van deze klappen heeft hij zich redelijk goed hersteld. Maar waar je een zekere relativering en dankbaarheid zou verwachten, is vooral zijn ongeduld toegenomen. En daar had hij al geen gebrek aan.

Diamanten
‘Hours are like diamonds, don’t let them waste / Time waits for no one’ – The Rolling Stones

Afgedankt
‘In 2001 besloot ook de Nieuwe Revu de samenwerking na vijftien jaar met [Boudewijn Büch] te beëindigen. […] [Hoofdredacteur Jildou van der Bijl] benadrukte dat Boudewijns columns “ontzettend gewaardeerd” werden, maar omdat hij vanwege zijn televisiereizen weken vooruit werkte, kon hij niet inspelen op de actualiteit en dat paste niet bij de koers die zij voor ogen had. Dat argument rammelde een beetje, aangezien in februari 2001, toen zij zijn ontslag bekendmaakte, het al duidelijk was dat De wereld van Boudewijn Büch het laatste seizoen was ingegaan. Vermoedelijk was een ander argument dan ook zwaarwegender: Boudewijn was te oud. Haar columnistenschare overziend, had Van der Bijl geconcludeerd dat het tijd werd voor vers bloed en dus werd de tweeënvijftigjarige Büch vervangen door de dertigjarige presentator en journalist Beau van Erven Dorens.’ – Eva Rovers in Boud: Het verzameld leven van Boudewijn Büch (1948-2002)

Levenslessen van honderdjarigen

Over ‘Openbaar boekbezit’ van Boudewijn Büch

Boek uit (5)

Ter gelegenheid van haar 75-jarige bestaan bracht de openbare bibliotheek van Deventer in 1991 het boekje Openbaar boekbezit: Over verre leeszalen, kille bibliotheken en vergeten pennevoerders uit, geschreven door Boudewijn Büch en van illustraties voorzien door Peter van Straaten.

img_1124

Eva Rovers attendeerde me in haar biografie over Büch, Boud: Het verzameld leven van Boudewijn Büch, op het bestaan van deze publicatie, waarna ik via boekwinkeltjes.nl bij Leeshal Oost in Amsterdam voor € 6,42 inclusief verzendkosten een tweedehands exemplaar op de kop wist te tikken.

Openbaar boekbezit is keurig vormgegeven, werd gezet uit het Janson en gedrukt op 90 grams hv romandruk. De zestig bladzijden zijn gebonden in een harde kaft, die in mijn geval aan het verkleuren is: van oudroze naar lichtgrijs. Drukkerij Salland de Lange en Wolter Kluwer Rechtswetenschappen bv, beide gevestigd te Deventer, verleenden financiële ondersteuning van deze jubileumuitgave.

Büch schreef de tien hoofdstukjes, lees ik achterin, in 1991 ‘op de eilanden Mahé, Praslin, La Digue (Seychelles), Réunion, Mauritius, Rodrigues en te Amsterdam/Parijs’. Hij bezocht deze eilanden overigens om opnames te maken voor zijn televisieprogramma De wereld van Boudewijn Büch. In een van de afleveringen, die in 1992 werden uitgezonden, krijgt een geëmotioneerde Büch van de directeur van alle musea op Mauritius, Rajendradev Gajeelee, het bekende dodobotje, dat later van een ander dier zou blijken te zijn.

Maar, ondanks alle goede bedoelingen, is Openbaar boekbezit inhoudelijk een wat slordig boekje geworden. Misschien is haastig een beter woord. Waardoor de meeste verhaallijnen amper zijn uitgewerkt en de hoofdstukjes regelmatig een oppervlakkige indruk maken. Wat wel blijft hangen: het mateloze verlangen van Büch ‘naar slecht onderhouden bibliotheekgebouwtjes in verre kille of gloeiend hete oorden, naar boekerijtjes op uitgewoonde of bijna verlaten plekken’. En om dat verlangen is het een Büch adept per slot van rekening te doen.

img_1123

Hoewel, nu ik het boekje uit heb, bemerk ik dat ik alle weetfeitjes al weer ben vergeten, op eentje na: ruim vijfentwintig jaar geleden veronderstelde men dat het museale boekenhoekje in het gehucht Ushuaia op Vuurland ‘de zuidelijkst gelegen openbare bibliotheek ter wereld’ was. Wat je hier aan hebt? Niets natuurlijk. Maar lekker is het wel.

Over ‘Boud’ van Eva Rovers

Boek uit (3)

In de Volkskrant noemde Max Pam Boudewijn Büch onlangs een ‘charlatan’ en Eva Rovers’ biografie over Büch ‘een grote teleurstelling’. Dit laatste oordeel was gebaseerd op een jachtige lezing van het boek, ‘op z’n Boudewijn Büchs, dat wil zeggen met een snelheid van ten minste 200 pagina’s per uur.’ Zijn grootste bezwaar: Rovers zou nergens tot een analyse van Büchs drijfveren zijn gekomen. Wat nonsens is. Rovers geeft, voor wie de biografie aandachtig leest, meerdere mogelijke verklaringen voor verschillende soorten gedragingen van Büch. Pam is degene die hier maar wat heeft aangerommeld en teleurstelt.

Na alles wat ik van en over Büch heb gezien, gehoord en gelezen, geloof ik dat vooral zijn duizend angsten voor eenzaamheid, de dood en vergetelheid zijn doen en laten stuurden, van zijn verzamelwoede tot zijn opzettelijke overdrijvingen en verdraaiingen van de werkelijkheid. Hij moest en zou geliefd en markant zijn. Maar raakte regelmatig verstrikt in zijn eigen verzinsels.

‘Ik ben in dit gedrukte werk niet zoals ik wil zijn, zoals ik ben en zoals ik zou moeten zijn. Ik heb mezelf ergens verborgen, maar ik weet langzamerhand zelf niet meer waar precies.’ – Boudewijn Büch in Een boekenkast op reis (De Arbeiderspers, 1999)’

Rovers heeft veel facetten van Büchs complexe persoonlijkheid weten te belichten. Maar ook uit deze biografie wordt duidelijk dat we niet of nog niet in staat zijn om het leven te herleiden, zoals Pam dat graag zou zien, tot louter causale verbanden; er blijven vooralsnog raadsels over.

Zo kan uit Büchs excessieve hang naar geborgenheid voor een deel zijn verzameldrift of charlatanerie worden verklaard, maar naar de oorsprong van de geborgenheidsneiging zelf blijft het gissen.

‘Saskia [Schinck, producer van ‘Goethe achterna’] merkte dat hij van het kleinste teken van genegenheid gelukkig werd: “Hij wilde dat ik er was, meer niet. Dan was hij als een kind zo blij als ik een kop koffie voor hem had gemaakt.” Zelf vond ze het ook bijzonder om bij hem te zijn, om hem te horen praten over zijn nieuwste aanwinst of om een beetje te dwalen door dat gigantische, sprookjesachtige huis, waar vlinders even mooi waren ingelijst als de foto van het blonde jongetje dat op het bureau stond. Sommige avonden bleef ze ook slapen: “Ik hield alleen zijn hand vast. Dat was genoeg. Hij wilde gewoon iemand bij zich hebben.”‘

En dat Nederland niet alleen voor multinationals een belastingparadijs was en is, blijkt uit onderstaand citaat; Büch mocht jaarlijks tonnen aan boekaankopen van zijn inkomstenbelasting aftrekken:

‘Alleen al aan royalty’s verdiende hij jaarlijks gemiddeld zo’n 100.000 gulden. Samen met de circa 270.000 gulden die hij eind jaren negentig bij de VARA verdiende, de ruime ton die hij jaarlijks met zijn columns bij elkaar schreef en zijn inkomsten uit theater- en reclamewerk, wat samen goed was voor meer dan een tweeënhalve ton, kwam hij op een jaarinkomen van ongeveer 800.000 gulden. Dat was nog los van lezingen, gastoptredens en incidentele opdrachten zoals het openen of inrichten van tentoonstellingen. De belasting die hij over dat alles moest betalen was relatief laag, want dankzij een gunstige regeling met de fiscus mocht hij boeken tot 1000 gulden volledig van zijn inkomstenbelasting aftrekken en gold voor duurdere boeken een investeringsaftrek van 50 procent.’

Dit leidt tot een exorbitant hoge aftrekpost voor vakliteratuur. Büchs boekenverzameling, die na zijn dood werd geveild voor meer dan een miljoen euro, was eigenlijk van ons allemaal.

Enfin. Ik heb Boud met veel plezier gelezen, draaide met tegenzin de laatste bladzijde om. Deze biografie gaat nog een keer mee op vakantie.

Boud: Het verzameld leven van Boudewijn Büch, Eva Rovers, Prometheus, 2016: via bol.com.

Foto Boudewijn Büch (links) © Michiel Hendryckx

Voor de kruipruimte

verwarmingsketel

Vandaag is er een nieuwe verwarmingsketel in ons huis geïnstalleerd. Een hele klus. De oude ketel was aan vervanging toe. De installateur had zijn zoon meegenomen, ‘voor de kruipruimte’. Aardige en, voor zover ik dat kan beoordelen, kundige lui. Tijdens de koffie vertelde de installateur dat hij vroeger als ‘filmmaker’ voor Ahold heeft gewerkt en met Boudewijn Büch een jaar of vier, vijf Lassie Toverrijst reclamefilmpjes maakte! Büch was aimabel, zei hij, zolang er geen producer of andere hotemetoot in de buurt was. Ook las Büch in no time boeken uit, waarvan hij alle details wist te onthouden maar niet de grote lijn. Als het om hotels ging was Büch een lastpost, wilde altijd in een Best Western slapen, ‘zelfs als dat op driehonderd kilometer van de filmset lag.’ Enfin, praatjes voor de keuken óf niet, smeuïg zijn ze in elk geval wel! En oh ja, Büch kreeg voor zes filmdagen Lassie Toverrijst, waarin drie reclamefilmpjes konden worden opgenomen, een fijn bedrag van 180.000 NLG.

(Dit bericht verscheen eerder, op 05-08-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Soms liggen we naast onszelf

In Peter Verhelsts Zoo van het denken (Prometheus, 2011) kom ik in het gedicht ‘Ivoorbekspecht (Picus pileatus)’ de volgende zinnen tegen:

[…] Soms liggen we naast onszelf,
niet langer in staat te bewegen. We smeren ons in met cederolie

in de hoop door de spechten te worden bezocht. […]

Deze zinnen ontroeren me. Ze doen me denken aan een dierbare, die ooit aan automutilatie deed, in haar onderarmen sneed, om te voelen of ze nog leefde. Verhelst heeft met dit gedicht geen verwijzing naar een persoonlijkheidsstoornis op het oog gehad, vermoed ik; het gedicht gaat primair over de schuwe ivoorbekspecht ‘die zich in de wouden ophield ten zuiden van Ohio. In de twintigste eeuw leek hij uitgestorven, maar onlangs verschenen foto’s van enkele exemplaren op het web.’ De regels die op bovenstaand citaat volgen en tevens het gedicht afsluiten, geven hoop, op zowel het terugvinden van de verdwenen vogel als, in mijn versie, heling van de persoonlijkheidsstoornis:

[…] Soms liggen we naast onszelf,
niet langer in staat te bewegen. We smeren ons in met cederolie

in de hoop door de spechten te worden bezocht. De wind zingt
door de holtes, half jongen, half man. Op een dag vinden we
de ontbrekende helften.

Ik ben ook begonnen in het boek Een andere Boudewijn Büch: Terugblik op een vriendschap (Aspekt, 2e geheel herziene en verbeterde druk, 2006) van Harry G.M. Prick. Büch was enkele jaren nauw bevriend met Prick, destijds conservator van het Letterkundig Museum in Den Haag. Prick blijkt een fervent dagboekschrijver te zijn en reconstrueert gebeurtenissen tot in de kleinste details! Heerlijk! Noot 40 doet me een zoektocht naar een boek starten:

‘Voor een niet gering deel was Boudewijns poëtica geïnspireerd dóór en hecht gegrondvest óp een oneindig aantal keren door hem bestudeerd boek van Rolf Kloepfer en Ursula Oomen, Sprachliche Konstituenten moderner Dichtung, met de ondertitel: Entwurf einer descriptieven Poetik: Rimbaud, in 1970 verschenen bij Athenäum Verlag.’

Sinds Marjorie Perloff in 21st-Century Modernism: The “New” Poetics betoogde dat de vroege modernisten constructieve kunstvormen introduceerden, waarin constructie in plaats van mimesis de boventoon voerde en waarbij in het geval van poëzie taal ‘charged with meaning’ een belangrijke rol speelde: ready-mades, woordsculpturen, zaum, syntactische permutatie etc. zoek ik naar poëtica’s uit die tijd, eind negentiende, begin twintigste eeuw. Ik heb via AbeBooks een tweedehands exemplaar van Sprachliche Konstituenten moderner Dichtung gevonden in Duitsland, voor € 15 inclusief verzendkosten, en besteld.

(Dit bericht verscheen eerder, op 28-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Notenkraker

Frans Mouws wilde met Redmond O’Hanlon over O’Hanlons ervaringen met Boudewijn Büch praten, het werd een drankgelag, tijdens welke Büch maar één van de vele onderwerpen was die de revue passeerden; een kostelijk boekje: Tussen Büch & O’Hanlon, Frans Mouws (Aspekt, 2004).

‘Inmiddels heeft Lenny [de fotograaf] een schaaltje hazelnoten gevonden en vraagt om een notenkraker. Slechts een paar minuten later komt Redmond de kamer binnen met een pistool, richt op de hazelnoot en zegt gortdroog: “Ik kan de notenkraker niet vinden.”’

Op het werk vandaag de laatste zaken overgegeven. Vroeg in de middag naar huis gegaan. Enerzijds blij dat ik me nu een poosje in de familiekring mag terugtrekken, anderzijds toch ook dat knagende gevoel dat je het programma in de steek laat. Enfin, dat laatste zal wel slijten.

Thuis weer op de gezondheidstoer: risotto van haver met bleekselderij, tuinboontjes en feta, alles biologisch uiteraard. Geen suiker, weinig koolhydraten, is het motto. En één glas wijn per dag. Forever.

(Dit bericht verscheen eerder, op 03-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Geografie is lotsbestemming

1. Opgestaan, thee gedronken.
2. De wereld van Boudewijn Büch, deel 15: Columbus achterna, deel 1 (1990) gekeken, waarin hij Genua en Barcelona bezoekt.
3. Espresso gedronken, motorrijtuigenbelasting voor de periode van 25 apr t/m 24 jul 2014 betaald.
4. Nagedacht over Robert D. Kaplans herhaaldelijk terugkerende uitspraak:

‘Geografie is lotsbestemming.’

5. In het digitale Stadsarchief Amsterdam oude foto’s van onze straat opgezocht en geconcludeerd dat het hier vredig aftellen is.
6. Havermoutpap en twee hardgekookte eieren gegeten.
7. Aantekeningen gemaakt:

Ik spreek Nederlands en woon in Nederland. Mijn voorvaderen komen uit Drente en Brabant. Ik ben in Holland geboren en getogen en zou willen verrekken in het noorden van Friesland. Hier wordt al met al in een kring om de Zuiderzee/het IJsselmeer heen bewogen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 27-04-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)