Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (6)

Erik Jan Harmens deelt de hoop van Brecht:

‘Ik wil dat poëzie een reflectie is van de tijd waarin ze is geschreven. Ik wil dat de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh, het online slachten van immigranten op ouwejongenskrentenblog GeenStijl en de rechtdoorzeeë duim omlaag in de richting van Ayaan Hirsi Ali, de hartproblemen van de directeuren van Fortis, de brandende banlieues van Parijs, het nekschot voor de rennende Braziliaan in de Londense metro, de olie op de kust van Galicië, de overtreffende trap van vaderliefde in een kelder in Oostenrijk, de ingebeelde kanker van mensen die in de nabijheid van een zendmast wonen, het fenomeen dat een substantieel percentage van de werkende bevolking de dag begint met glazig door een voorruit staren in een niet bewegende rij auto’s, het faillissement van IJsland, de Keulse bibliotheek die de grond in zakt als gevolg van de aanleg van een metrolijn, de eerste zwarte president van Amerika en de eerste man met waterstofgeperoxideerd haar die kans maakt premier van Nederland te worden, de horizon vol windmolens en de klacht onder mannen dat een Saab meer en meer op een Renault begint te lijken, ik wil dat dat allemaal een stem krijgt in de woorden van dichters.’

Ik houd vol: niet zeggen maar breken met ‘wat er is’.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (5)

Bertold Brecht schreef het gedicht ‘Daurten wir…’:

Duurden wij oneindig
Dan veranderde alles
Daar wij echter eindig zijn
Blijft veel bij het oude

Volgens Hegel is de essentie van het eindige de herhaling en niet de afbakening, de grens, vage ruimtelijke intuïties: ‘de zich herhalende onvruchtbaarheid, de iteratie, het vasthouden aan Hetzelfde.’ Maar in de daad om te komen tot resultaat zit de mogelijkheid tot oneindigheid besloten: ons ‘immanente creatieve vermogen, die onvernietigbare kracht [om] buiten de grenzen te treden.’ De herhaling voorbij. Voor Badiou is vorm ‘wat de kunstzinnige daad aan nieuw denken mogelijk maakt.’ Kunst dient de mens ‘tot enige buitensporigheid tegenover zichzelf’ te dwingen.

Bertold Brecht schreef ook het gedicht ‘Und ich…’:

En ik dacht almaar: de eenvoudigste woorden
Moeten volstaan. Als ik zeg wat er is
Moet dit toch ieders hart verscheuren.
Dat je ten onder gaat als je je niet verweert
Dat zul je toch wel inzien.

Brecht vraagt zich af: Wanneer zal het nieuwe eindelijk komen? Elders geeft hij als antwoord: pas als alles in puin ligt. Een somber vooruitzicht, waar we in onze herhaling regelrecht op afstevenen. Alle reden om onszelf te haten. Ik pleit voor kunst die de mens in hoge mate veracht.

(Dit bericht verscheen eerder, op 16-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)