Warhoofds gekkenwerk, Alain Delmotte

Dagboek van een uitgever (1)

In het voorjaar van 2012 schreef ik Uitgeverij Stanza bij de Kamer van Koophandel in. Ik wilde poëzie uitgeven, bundels waar ik achter stond, met als enig criterium: mijn eigen smaak. Nu is die breder dan de experimentele verzen die ik zelf schrijf, waardoor het fonds zich niet louter tot deze soort poëzie beperkt. Sinds 2012 zijn er bundels verschenen van uiteenlopende dichters als Frank Keizer, Mark van der Schaaf, Bart FM Droog, Jan Pollet, Chrétien Breukers, Sophia Le Fraga, Nanne Nauta, Martijn Benders, Olaf Risee, Lammert Voos, Sven Staelens, Çağlar Köseoğlu, Gert de Jager, Benne van der Velde, Sacha Blé, Peter van Galen, Estelle Boelsma, Charles Bernstein, Luc Fierens en Martin Knaapen.

Jaarlijks brengt Stanza circa zes bundels uit. De omzet is gestaag gestegen naar vier- á vijfduizend euro per jaar. Als eenmanszaak zit Stanza hiermee aan haar plafond.

Regelmatig ontvangt Stanza manuscripten van bekende en onbekende auteurs. Ik lees ze allemaal. Soms zit daar iets verfrissends tussen. Over de tekst die de Belgische auteur Alain Delmotte me begin februari van dit jaar toestuurde, hoefde ik niet lang na te denken:

‘Hoi Alain,

Top! Dit geef ik graag uit. Ik heb gelachen en gehuild. Ik zit voor dit jaar al wel helemaal vol. Ik zou de publicatie willen inplannen voor het eerste kwartaal 2017. Schikt dat?

Groet, Ton’

Ik kende Alain nog uit mijn periode bij Uitgeverij De Contrabas, die twee bundels van hem publiceerde. Een eigenzinnig dichter, die zich graag van prozapoëzie bedient. Wat ik in handen had, was een volledig uitgewerkte tekst die zo kon worden gedrukt. Een geschenk voor elke uitgever.

De afgelopen maanden hebben we intensief aan de vormgeving gewerkt. Alain had daar goede ideeën over. De proefdruk is binnen. Ik ben zeer tevreden over het resultaat.

img_1089
De proefdruk. Het schilderij op de omslag is van Lucas Devriendt. Johan Duyck verzorgde de vormgeving van de omslag.
Warhoofd is een taalfiguur met een allegorisch karakter, die ook al in vorige bundels van Alain te vinden is, maar ditmaal de hoofdrol heeft. Warhoofd is een geboren loser. Alain beschouwt hem niet als een alter ego. ‘Iedereen is een loser, existentieel gesproken. En dus zou iedereen zich in Warhoofd moeten herkennen.’ Een fragment uit de bundel:

Stoten onder de gordel: voor geen geld in de wereld zou hij die willen missen.

Blunders, flaters, zijn mond voorbijpraten, ondoordachte uitlatingen: allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.

Voor de voeten worden gelopen, is hem een niet te verwoorden zaligheid: hij tekent ervoor.

Noodlot houdt hem bezig. De worp, de gril, de meewarige lol trekt hem daarin aan.

Langs de weg die hij gaat, trapt hij in elke drol. Hij vermoedt dat het de zijne zijn.

Dankbaar is hij voor elke tegenslag en voor wie hem gretig kan manipuleren.

Warhoofds gekkenwerk zal op 25 februari 2017 in de openbare bibliotheek van Harelbeke worden gepresenteerd.

Kleinere poëzieuitgeverijen goed voor 55% van het titelaanbod

In de poëziescene gaan veel geruchten rond over de populariteit van poëzie. Regelmatig hoor of lees ik dat het genre het laatste decennium zou opleven. Deze uitlatingen gaan met verscheidene argumenten gepaard – de ontplooiing van nieuwe initiatieven als de Dichter des Vaderlands, Gedichtendag, het Poëzieweekgeschenk, de Turing Gedichtenwedstrijd, de aanstelling van stadsdichters, de opkomst van poetry slam, een stijging van digitale publicaties, een toename van internationale contacten etc. – maar worden zelden gestaafd met cijfers.

Al langere tijd vraag ik me af hoe de ontwikkelingen op de uitgeversmarkt zich verhouden tot deze veronderstelde opleving van de poëzie. Dankzij de inspanningen van Bart FM Droog komt er op de website van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie steeds meer cijfermateriaal beschikbaar, dat tot vergroting van inzichten kan leiden met betrekking tot de ontwikkelingsgang van de Nederlandstalige poëzie.

Met behulp van de door Droog samengestelde jaarlijsten heb ik vastgesteld hoeveel nieuwe publicaties van individuele dichters in de periode 2000-2015 het licht hebben gezien, hoeveel uitgeverijen hierbij waren betrokken, welke tien uitgeverijen de meeste publicaties hebben verzorgd en hoe groot het totale aantal publicaties van de overige, kleinere uitgeverijen is geweest. Naast een totaaloverzicht heb ik de periode 2000-2015 ook nog eens in drie kleinere periodes opgedeeld. Deze opdeling vergroot ons begrip van de ontwikkelingsgang. Omdat de jaarlijsten van 2000 en 2001 nog niet zijn voltooid, moet rekening worden gehouden met een zekere vertekening van het beeld van die jaren. Het gaat in de staatjes hieronder dus om het aantal poëzietitels dat wordt aangeboden, niet om oplage- of verkoopcijfers.

titelaanbod-2000-2015

Als we de vertekening in de jaren 2000 en 2001 in aanmerking nemen, dan zien we een vrij constant aanbod van poëzietitels gedurende de eerste jaren van dit millennium. Tussen 2011 en 2015 daalt het titelaanbod vervolgens met circa 10%. De recessie zou hier debet aan kunnen zijn. Dit kleinere aanbod wordt wel door meer uitgeverijen in de markt gezet, wat mogelijk te maken heeft met de digitalisering van druktechnieken, waardoor het uitgeven van boeken eenvoudiger en toegankelijker is geworden. Vijf uitgeverijen zijn in dit millennium een constante factor in uitgeversland gebleken: Uitgeverij P, De Bezige Bij, Querido, De Arbeiderspers en Poëziecentrum; zij gaven vrijwel elk jaar een substantieel aantal titels uit.

Al met al zie ik in deze cijfers geen bevestiging van een veronderstelde opleving van de poëzie. Maar ontkrachten doen ze de veronderstelling ook niet. Meer benul vereist de vrijgave van verkoopaantallen.

PS Stanza, dat in 2012 met het uitgeven van andermans poëzie startte, staat in de periode 2011-2015 tussen 103 uitgeverijen qua titelaanbod op een fraaie 14e plaats.

Dichter & andere dingen

Vandaag al twee impulsen tot het kopen van een boek weerstaan.

Afspraak gemaakt om aanstaande vrijdag de proefdruk van het debuut van Martin Knaapen met Martin Knaapen te bespreken.

Het manuscript van Joris Miedema’s tweede bundel gelezen: een ruwe diamant.

Het vertalersteam gecomplementeerd dat eind volgend jaar gaat zorgdragen voor een Nederlandse introductie tot het werk van de laatste grote, nog in leven zijnde Amerikaanse modernist Michael Heller (1937). Het team bestaat uit Mereie de Jong, Jeroen van den Heuvel en mijzelf.

En nu ik toch bezig ben: Stanza is voornemens om in 2017, naast Miedema en Heller, ook bundels uit te brengen van Alain Delmotte, Bart FM Droog, Wolfram Swets en Jürgen Smit. Meer namen zullen volgen.

O ja! En, hoe kan ik het vergeten, volgend jaar komt ook mijn kloeke ‘nieuwe en geselecteerde gedichten’ uit: Dichter & andere dingen.

Kom tot slot deze zin tegen: ‘What would it be like after 40 years of collecting things, to own absolutely nothing.’ En moet denken aan alle boeken die ik bezit.

boekenkast

Le meilleur!

m19

Bij een oude boer die in een schuur pal naast de abdij van Vertheuil al sinds mensenheugenis wijn maakt, proefden we een ‘grand vin de bordeaux’ en kochten een doosje uit 2005 aan (‘le meilleur!’).

Later, op het strand, in The Selected Letters of Robert Creeley (University of California Press, 2014) begonnen, dat een keuze bevat uit de ‘fifteen thousand or so typed or handwritten letters, cards, and faxes we [Rod Smith, Peter Baker, Kaplan Harris] have collected or reviewed, along with a practically uncountable number of e-mails.’ Wat me direct opvalt: Creeley’s vroege ambitie om schrijver/dichter te worden (al in zijn eerste brieven, dan negentien jaar oud, spreekt hij zich hier over uit) en zijn vermogen om daar alles voor opzij te zetten (hij verhuisde naar Frankrijk, Spanje en Guatemala om van weinig rond te kunnen komen en veel tijd te kunnen besteden aan schrijven).

Dit lezende dacht ik terug aan het lange interview van SLA|Avier met Bart FM Droog, waarin Droog het bestaansrecht van het huidige Letterenfonds in twijfel trekt:

‘Vanwege die werkbeurzen dienen veel dichters (ik heb het hier specifiek over dichters; omdat het samenstellen van een dichtbundel toch echt een ander proces is dan het schrijven van een roman) jaarlijks of tweejaarlijks een aanvraag in, of ze nu echt iets te melden hebben of niet. En, ergerlijker nog, of ze dat geld nu echt nodig hebben of niet – de inkomensdrempel voor die werkbeurzen ligt zo hoog (op € 45.000!) dat zelfs dichters met een bovenmodaal inkomen aanspraak kunnen maken op een werkbeurs.’

Ik ben het met Droog eens dat dit systeem, deze context de Nederlandse poëzie geen goed meer doet en op de schop moet. Lees vooral de antwoorden op de vragen twee en drie.

(Dit bericht verscheen eerder, op 09-09-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)