Divergerende lijnen

1. De kogel is door de kerk: ons huis gaat de verkoop in; we willen terug naar Leeuwarden. Ik heb vanochtend een makelaar aangeschreven.
2. Daarna lees ik een opvallende zin over een opvallende zin waar een hele poëtica achter schuilgaat: ‘Een opvallende zin, omdat Rovers in dit boek niet het poëtische opzoekt, maar juist iets van de wereld probeert te begrijpen.’
3. Even later vertelt iemand anders me dat ik me als dichter ook als scheidsman gedraag: omdat ik in mijn gedichten oordeel over maatschappelijke opvattingen. Maar dan toch steeds naar billijkheid, voeg ik daar binnensmonds aan toe.
4. Of zoals Shelly zei: de dichter kan niet van het historische verloop worden onderscheiden.
5. Waar Rimbaud zijn verering van het monstrueuze en fantastische tegenover zette, de dichter vanaf de historische zijlijn liet uitkijken naar vrijheid in wanorde en schoonheid in chaos.
6. Is hier sprake van divergerende lijnen?

(Dit bericht verscheen eerder, op 21-10-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Smaakoordeel gestut door gatenkaas

De titel van Calvin Bedients essay, Against Conceptualism: Defending the Poetry of Affect, spreekt boekdelen: deze hoogleraar in ruste heeft iets tegen conceptuele poëzie. Hij maakt zich zorgen over onze toekomst: ‘de 20e eeuw heeft menselijkheid synoniem gemaakt met onmenselijkheid’. Daar zou Bedient wat aan willen doen. Van dichters verlangt hij in dit verband dat ze het verleden en de toekomst niet ‘negeren’ en de poëzie ‘levend’ houden door – en hier worden Deleuze & Guattari geciteerd – ‘nieuwe beelden en affecten te creëren’. Conceptuele poëzie focust evenwel op het concept, waardoor de verbeelding en het gevoel op de achtergrond raken. In deze armzalige staat kan geen betere toekomst worden opgebouwd.

Cruciaal in deze redenering zijn de veronderstellingen dat (1) poëzie alleen levend kan worden gehouden door het scheppen van nieuwe beelden en affecten, en dat (2) conceptuele poëzie niet in staat is om deze nieuwe beelden en affecten voort te brengen.

Bedient zet de aannemelijkheid van veronderstelling 2 zelf op losse schroeven door meerdere malen te wijzen op conceptuele poëzie die afwijkt van de veronderstelde regel, bijvoorbeeld Srikanth Reddy’s ‘Voyager’ en Juliana Spahrs ‘HR 4811 is a joke’. Dit betekent dat, aangenomen dat veronderstelling 1 waar is, Bedient zelf al aangeeft dat ook het conceptualisme kan bijdragen aan het in leven houden van de poëzie en het opbouwen van een betere toekomst.

Veronderstelling 1 levert vragen op als: Wat wordt precies bedoeld met levend houden? En: Klopt de opsomming wel en is zij inderdaad limitatief? Stof om verder over na te denken.

Wat overblijft van Bedients essay is een mening van iemand die de poëzie van ‘Rimbaud, Vallejo, Césaire en meer recent Raúl Zurita’ liefheeft en een afkeer van het werk van dichters als Kenneth Goldsmith en Christian Bök; een smaakoordeel gestut door gatenkaas.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-09-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Paul Claes en het onberegelbare

Ik vernam daar (in zijn rubriek Serendipity, Poëziekrant nr. 4, 2010) dat Paul Claes iets heeft gevonden wat hij helemaal niet zocht, met behulp van och ach toeval en intelligentie – want dat betekent serendipiteit – en wel dat hij tegen ontregeling is. Het is Claes zomaar overkomen, onvoorzien, zonder dat hij er nog op gerekend had, maar nú is hij tegen ontregeling.

Dat is mooi, dacht ik, iemand die anti verwarring is en van orde en regelmaat houdt – niks mis mee. Totdat ik zijn stukje niet één-, niet twee-, niet drie- maar wel víermaal gelezen had en er nog altijd geen snars van begreep! Fijn dat Claes nú in evenwicht verkeerd, maar door zijn geleuter ben ík van het slappe koord gesodemieterd. Zijn stukje luidt als volgt:

‘De term “ontregeling” stamt uit de “Lettre du Voyant” (1871) van Arthur Rimbaud. Met “le dérèglement des sens” doelde hij op een vrij simpele stijlfiguur: de synesthesie, het verbinden van verschillende zintuigsferen. Voor Rimbaud ging het om een “dérèglement raisonné”: een beredeneerde ontregeling.

‘Vandaag de dag is de term een lege formule die critici ervan ontslaat de stijl van dichters precies te beschrijven. De cirkel is rond wanneer de dichters Lucebert en H.H. ter Balkt hun critici napraten en het onberegelbare tot regel maken.

‘Ik begrijp deze extase voor ontregeling niet. Sinds een eeuw holt de avant-garde zich voorbij in steeds vluchtiger modes. Niemand ontsnapt aan de paradoxen van de ontregeling. Wat valt er nog te ontregelen als er geen regels meer zijn? Wie van ontregeling een regel maakt, is als de nar die niemand nog au sérieux kan nemen.’

Paul Claes

Claes is tégen dichters die ontregelen, poëzie schrijven waarvan de lezer zegt: ik snap er geen jota van! Alle lezers? De doorsneelezer of alleen Paul Claes? Ik weet het niet.

Enfin. Klaas duikt de historie in en komt met Rimbaud op de proppen: die zou als eerste de term ontregeling hebben gebruikt met betrekking tot de poëzie. En volgens Claes ging het Rimbaud niet zomaar om een ontregeling, maar om een ‘beredeneerde ontregeling’, eentje die verstandelijk verklaard is, dus. Nou Claes, soms kennen we de diepere oorzaak van een gevolg niet. En dat hebben we dan maar te aanvaarden. Misschien bedoel je hier een opzettelijke ontregeling, maar zeg dat dan. Dichters die de lezer per abuis confuus maken, zijn slechte dichters, en daar houd ook ik niet van.

Dan stelt Claes dat ‘vandaag de dag de term [ontregeling] een lege formule [is] die critici ervan ontslaat de stijl van dichters precies te beschrijven’. Ik sta perplex. Ontregeling een ‘lege formule’? Probeer je te zeggen dat ontregeling niet meer werkt? Of dat een gedicht dat beoogt te ontregelen, niets bevat? Althans, niet wat jij verwacht? En dat dit critici ontslaat (van hun plicht?) om de stijl van dichters precies te omschrijven? Waar gaat dit over? Gezwam is het! En hoezo is ‘de cirkel rond wanneer de dichters Lucebert en H.H. Ter Balkt hun critici napraten en het onberegelbare tot regel maken’? Welke cirkel? En wie papegaait nu wie? Want dat blijkt niet uit je voorbeelden. En wat is dat, ‘het onberegelbare’? Dat wat niet regelbaar is? Maar daar hebben we het toch helemaal niet over! Jíj zou versteld moeten worden: de knop op uit!

Dan volgt de apotheose. Claes beweert dat ‘niemand ontsnapt aan de paradoxen van de ontregeling’ – ik bedoel maar. Mijn god. Welke paradoxen? Oh, hij lijkt er in de volgende zin eentje te willen geven: ‘Wat valt er nog te ontregelen als er geen regels meer zijn’? Pats boem. Van mijn stoel. Er zijn géén regels meer! Óf moet ik de nadruk leggen op ‘als’? Als er geen regels meer zouden zijn? Opnieuw weet ik het niet en blijf ontredderd achter. Van het slotakkoord word ik zelfs hoteldebotel: ‘Wie van ontregeling een regel maakt, is als de nar die niemand nog au sérieux kan nemen.’ Er is dus tóch nog een regel. En wie die naleeft is een nar, een dwaas. Aan wat hij of zij zegt, moet je maar geen waarde hechten. Aan wie? Aan Klaas!

Circa 150 Nederlandstalige poëziebundels per jaar, waarvan het overgrote deel verzorgde, gefinetunede, bevattelijke, doorzichtige, grijpbare, heldere, inzichtelijke poëzie bevat – zoals Paul Claes die schrijft – dát is de regel. Prima hoor. Ben ik niet op tegen. Soms geniet ik ervan. Maar ik houd ook van poëzie die me, vooruit dan, ontregelt. Die niet een-twee-drie verzorgd, gefinetuned, bevattelijk, doorzichtig, grijpbaar, helder, inzichtelijk is. Die specifiek taal als onderwerp heeft, de werking ervan onderzoekt, in welke experimentele vorm dan ook. Die me eerder aanzet tot nadenken dan in vervoering meesleept. Lijkt me ook m’n goed recht.

Ik heb wel een hekel aan frutselwerk, beuzelarij, aan onopzettelijke ontregeling, wat het stukje van Paul Claes is, denk ik, en waaruit ik slechts een gefrustreerde dichter kan losmaken, die teleurgesteld is in de lauwe reacties op zijn eigen werk heden ten dage.

(Dit bericht verscheen eerder, op 24-07-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Lees maar, er staat niet wat er staat

Over flarf en moralisme

In het nieuwste nummer van Parmentier (november 2009) bespreekt Laurens Ham Flarf, een bloemlezing (Uitgeverij De Contrabas, 2009). Hij eindigt zijn interessante essay met de woorden:

‘Maar waar Gerrit Krol met APPI nog nauwelijks politieke bedoelingen had, laat de flarfdichter zien welke rol de computer zou kunnen spelen in het onderzoeken van hedendaagse discoursen en schrifturen.’

Ik onderschrijf dat. Mijn lange flarfgedicht ‘nederland is groot’ (uit Je komt er wel bovenop, 2007) zou hierbij als een voorbeeld kunnen gelden. In dit gedicht heb ik bijna alle door Google opgehoeste zoekresultaten van de zoekopdracht ‘nederland is groot’ vrijwel ongewijzigd verwerkt. Een fragment:

nederland is groot geworden door immigratie
door invloeden van andere culturen
door de aziaten bruut uit te buiten
door een ruimhartig toelatingsbeleid
door het slimme handelsinstinct en door eigen bedrijven
door de prominente rol van het water en het bouwen van dijken
door de handel in harddrugs, door positief te denken
door denkers, niet door mensen die achter een mannetje met een iq van 80 (bush) aanrennen
door windenergie en dreigt nu te stikken in regelzucht van overheden

Een gedachte waarop Hams eindconclusie overigens leunt, is de volgende:

‘Het belangrijkste morele statement van flarf is dat het geen (expliciet) moreel statement kan maken.’

Ik geloof niet dat dit juist is. Flarfdichters maken uit de voorgeschotelde zoekresultaten eerder keuzes op grond van voorkeur dan willekeur. Daarnaast heeft Dan Hoy in zijn essay ‘The Virtual Dependency of the Post-Avant and the Problematics of Flarf: What Happens when Poets Spend Too Much Time Fucking Around on the Internet’ (Jacket Magazine nummer 29) het algoritme van Google aan de kaak gesteld en flarfdichters zelfs kapitalistische praktijken verweten.

Als er uit een flarfgedicht geen ‘moreel statement’ opklinkt, dan zou dat ook kunnen komen omdat de dichter hiertoe heeft besloten.

Alhoewel ik dacht dat het moralisme al sinds Rimbaud uit de poëzie is verdwenen, wordt er in de discussies rond flarf weer regelmatig met het begrip gerammeld. Ik begrijp dat wel. Aanstootgevende flarfgedichten wakkeren dit rammelen aan. Het dispuut rond Michael Magee’s gedicht ‘Their Guys, Their Asian Glittering Guys, Are Gay’, waarin hij door sommigen van homofobie en racisme wordt beticht, draait om de vraag waarom hij geen standpunt heeft ingenomen, dat wil zeggen het ‘kwaad’ in zijn gedicht niet heeft veroordeeld.

David Wolach noemt dit (vermeende) achterwege blijven van een oordeel in flarfgedichten in een recent bericht op zijn blog: ‘a political naivete’.

Laat ik tot slot van deze losse notitie enkele uitspraken doen met als doel om de discussie over moralisme en flarf (waar ik zelf ook nog niet uit ben) verder vorm te geven:

  • Het overgrote deel van de flarfgedichten is niet of nauwelijks aanstootgevend.
  • Voor het deel dat dat wel is, vraag ik me af of het de dichter is die een moreel oordeel zou moeten vellen of dat de lezer dat zou moeten doen.
  • Flarfgedichten zijn niet objectief.
  • En ook voor flarfgedichten kan gelden: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Oftewel (ooit het motto van dit blog): ‘How our “unwillingness to see” is becoming more powerful now than ever before.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 06-12-2009, op 1hundred1.blogspot.nl.)