De burger als stelpost, de balans als afgod

Ik hoop niet dat ik eraan geloven moet: een hernia. Maar de boel doet flink zeer. Heb, voor het eerst, ook snijdende pijn in mijn rechterbeen. Enfin. Blik op andere dingen! Ewald Engelens column in De Groene Amsterdammer van deze week, bijvoorbeeld, waarin hij enkele spijkers op hun kop slaat: ‘Het is de reductio ad absurdum van het boekhouden dat in het postideologische Nederland voor politiek doorgaat: de burger als stelpost, de balans als afgod.’

img_0657

Ook Gijsbert Pols haalt uit. Naar Arnon Grunberg. In een recensie over Grunbergs laatste roman, Moedervlekken:

‘Ook het open, onbesliste maar lebensbejahende einde maakt van Moedervlekken geen geëngageerde roman. Het komt veel te laat, zoals de hele roman anderhalve eeuw te laat komt. In deze eeuw is het niet meer genoeg om de deceptie te overwinnen en te besluiten dat je iets van je leven wilt maken. De vraag is hoe. Hoe kun je leven? Hoe moet je leven? Hoe te doen? // Een antwoord durven geven op die vraag, dat is engagement.’

Tja. Verlangt Pols nu van Grunberg tips over de wijze waarop je je leven inrichten kunt? Inrichten moet? Verwacht hij van geëngageerde schrijvers in deze eeuw dat ze ons zinnige levensbeginselen bijbrengen? Ik heb toch wat minder vertrouwen in hun kunnen op dit vlak, geloof dat we dan te veel van het inzicht van de meeste romanciers zouden vragen. Literatuur als zelfhulpboek. Overigens volgt na een antwoord op de hoe-vraag nog altijd de uitvoering, die pas tot echte veranderingen kan leiden.

In The New York Review of Books maak ik kennis met de uitbundige doeken van de Amerikaanse beeldend kunstenaar Stuart Davis (1894-1964). Een overzicht van zijn werk wordt dit en volgend jaar in verschillende grote musea in de VS tentoongesteld.

Stuart Davis: <i>Landscape with Garage Lights</i>, 32 x 42 inches, 1931–1932
Stuart Davis: Landscape with Garage Lights, 32 x 42 inches, 1931–1932

In de hoekige vlakverdeling en het platgeslagen perspectief herkennen we invloeden van het kubisme. Het felle kleurgebruik doet me aan het expressionisme denken, dat in de eerste decennia van de vorige eeuw opdook. Op het schilderij zien we een havengebied vol sporen van de tweede industriële revolutie: stalen schepen, lichtnet, benzinepompen. ’t Heeft iets heel optimistisch. Je blijf er naar kijken.

img_0658

Omdat we de boot al hadden gehuurd en ik mezelf nog per fiets over korte afstanden kan vervoeren, toch nog twee uurtjes in een fluisterbootje door Leeuwarden en over de Dokkumer Ee gevaren.

Moedervlekken, Arnon Grunberg, Lebowski, 2016: via bol.com.

Experimenteel realisme

In een nummer van Parmentier over documentaire poëzie noemt Samuel Vriezen me naar aanleiding van mijn bundel Aan een ster/ she argued een experimenteel realistische dichter:

‘Een experimenteel realist bevestigt dat taal werkelijkheid is, iets dat optreedt in de werkelijkheid, maar affirmeert ook het bijbehorende werkelijkheidstekort.

‘Het op afstand blijven van de werkelijkheid in een representatie ervan noem ik het werkelijkheidstekort.

‘Verschijningsvorm en context van taaluitingen zijn voor hen [experimenteel realisten] nooit voor de hand liggend, en de constructie van die verschijning is nadrukkelijk onderdeel van het werk.’

Deel van Samuel Vriezens betoog is een ‘vergelijking’ van Aan een ster/ she argued, geschreven tijdens mijn verblijf als militair in Afghanistan, met Arnon Grunbergs Kamermeisjes en soldaten, waarin Grunberg de stukken over zijn ervaringen als ‘embedded reporter’ in Afghanistan bundelde. Vriezen concludeert o.a. dit:

‘Daarmee is de bundel [Aan een ster/ she argued] iets dat de journalistieke weergave alleen al vanwege zijn vorm niet kan laten zien: iets dat je met het begrip ‘oorlogsmist’ in verband zou kunnen brengen. Oorlogsmist is de onzekerheid waarin een militair verkeert als hij het slagveld en de vijandelijke bewegingen en plannen niet kan overzien. Het is de onmogelijkheid om de werkelijkheid van een oorlogssituatie te kennen en representeren.’

Deze laatste zin onderschrijf ik volkomen en vormt ook, dat heeft Vriezen goed gezien, de kern van mijn ervaringen aldaar én mijn bundel.

Het eerste deel van Aan een ster/ she argued bestaat, zoals ook Vriezen opmerkt, uit flarfgedichten: ‘Het zijn chaotische gedichten vol expliciet gewelddadige en politiek geladen beelden die compleet verdwaald lijken te zijn in de werkelijkheid.’ Deel twee verwoordt mijn persoonlijke gevoelens (vooral twijfels over nut en noodzaak van de missie) en deel drie is een poging om de afstand tussen de werkelijkheid en de representatie ervan door woorden tot een minimum terug te brengen. Aan een ster/ she argued is inderdaad een grote neus naar de onzekerheid waar ik maanden in verkeerde. En helaas mislukt deze gok. Ook nu nog kan ik wat ik daar meemaakte niet volledig plaatsen.

Toch geloof ik nog altijd dat de combinatie van de drie verschillende benaderingswijzen die ik in de bundel hanteer tezamen een aardig beeld overbrengen van mijn ondervindingen in dat godvergeten, maar in sommige opzichten ook prachtige land daar. Enfin. Vriezen besluit zijn essay als volgt:

‘Auteurs als Watten, Scalapino, Van ’t Hof en Goldsmith laten zien hoe een verhouding tot de werkelijkheid altijd tegelijk een verhouding tot een werkelijkheidstekort moet inhouden. Tegen de roep om een geëngageerde literatuur die zich direct verhoudt tot de “maatschappelijke werkelijkheid” in toont deze literatuur aan dat een engagement nooit serieus kan zijn als ze die directe representaties van die “maatschappelijke werkelijkheid” klakkeloos overneemt. Engagement vereist het kennen van je positie ten opzichte van de werkelijkheid. Dat omvat ook de onzekerheid van die positie zelf. Zonder werkelijkheidstekort bestaat er geen ruimte om te handelen.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 14-04-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)